De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

4 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA,

69)

„En waar zal zij dan heen gaan, Chadscha ? " Er was een angstig wachten en toeluisteren bij hem, een zoeken, dat over Feridös' lot heenging. „Dat weet ik niet. De profeet zegt niets over ons, vrouwen."

„Niets over vrouwen !? " Samuel verlangde vurig om daar meer van te weten te komen. En hij hoorde nu bij stukjes en beetjes, dat Said Abbud dan later aan waterbeken zou wonen, en op een eeuwig bruiloftsbed zou rusten, jonge vogels te eten zou geven, en om de mooiste vruchten zou roepen, bediend door paarlenogige  echtgenoten, die geen Feridös of Chadscha's waren. De profeet had echter helemaal vergeten te zeggen, wat er van deze Vrouwen worden zou.

En dan toch sterven ? Zeker, als Feridös nu mocht sterven, zou dat voor haar een grote zaak zijn, en dat zou haar zeker best aanstaan ! Er was iets van jaloerse vrees in Chadscha's gezicht, en zij verhaastte haar schreden nog meer. Wat? Zou Ferridös soms proberen om stilletjes van deze aarde weg te komen ? Zij zou hier blijven, die plichtvergetene ! Want Chadscha bedoelde niet, dat zij wegging.

Zij naderden nu hun doel, en Samuel kon haar met dat zware kleed haast niet bijhouden. Toch zag hij nog de blik, waarmee de beide vrouwen elkander ontmoetten, en een bijzondere gewaarwording ging er door zijn leden. De oudere, die haar levenskracht voelde wegvloeien, zag als uit wijde verte op Chadscha terug, en die droomblik was als de glimlach van een zachte triumf. Misschien was het een gevoel, dat zich voor het eerst van haar leven op haar gelaat uitte. En Chadscha had niets dat leek op medelijden met haar ! Schreiend stortte zij naast haar neer, en klaagde, weende en schold. Samuel verstond er genoeg van, om te horen, dat zij de verongelukte met verwijten overstelpte, wegens haar onvoorzichtigheid ; haar een boos opzet aanwreef, en reeds nu haar toekomstige eenzaamheid beweende. Maar toch mengden zich daaronder nog woorden van liefde en dankbaarheid. Chadscha wist er blijkbaar zelf geen weg mee, en zij voelde nu, dat het enige wezen, dat haar menselijk na stond, en dat haar hielp, haar ontvallen ging. Je moet hier blijven, Feridös ! Zij probeerde het leven vast te houden, en drukte haar vuile, bruine handen op de wonden, die Rea met een eikenblad en haar hoofddoek getracht had te sluiten. Men moest haar van haar wegtrekken.

Rea wees haar aan, om samen met haar voorzichtig het lichte lichaam van de gekwetste op het kleed te leggen. Nu mochten ook de beide mannen meehelpen, en elk droeg een van de vier hoeken.

Maar — zij brachten slechts een levenloos lichaam weg. Feridös' ziel was ontvloden ; waarheen ?

Naar de Mohammedaanse mannenhemel ?

Voor een eeuwig-droomloos omzwerven ? Of tot de rust van een eeuwige slaap ?

De profeet had vergeten, daar een uitspraak over te doen.

Ook Said Abbud maakte zich daar geen gedachten over. Hij had zijn kledij compleet gemaakt door een katoenen sjaal om zijn lenden te wikkelen, en stond op het punt zo naar de plaats van het onheil te gaan, toen het laatste daglicht hem deed zien, dat men hem een lijk thuis bracht. Geen ogenblik kwam hij uit zijn houding. Rustig greep hij met de hand naar zijn baard, en naar zijn voorhoofd, en zei alleen maar : „Allah heeft macht over alle dingen !" Toen bedankte hij de Israëlietische helpers, maar hij deed verder geen vraag, hoe dit alles zo was gekomen, en ook geen enkele vraag aan Chadscha, die nu haar tranen bedwong.

Samuel rende ineens door naar huis.

Nog stonden daar in de avondschijn twee mannen, de laatste van de vergadering, in onophoudelijk tweegesprek met elkander. Het waren de dikke slachter en een vroegere kroegbaas, de meest teugelloze van alle ijveraars. Deze hield de ander bij zijn vettige jas, en probeerde onder levendige gebaren hem te bewijzen, dat de aartsengel Gabriel in geen geval de Chaldeeuwse taal machtig was.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's