Diaconalia
Het woord „Diaconie" heeft bij zeer velen, zelfs ook wel onder hen, die althans naar het uiterlijke mogen worden gerekend tot de trouwe, belangstellende en kerkelijk meelevende leden der gemeente, een — om geen sterker woord te gebruiken — minder prettige klank. Indien iemand die door het in ongunstige zin wijzigen van zijn maatschappelijke omstandigheden gedwongen wordt de hulp in te roepen van de Diaconie, wordt hij door dezulken in hoge mate beklaagd. Zoiets staat zo ongeveer gelijk met een ramp voor de betrokkene ! En dat klagen heeft dan niet zozeer betrekking op het feit, dat de betrokkene maatschappelijk zo is achteruitgegaan, dan wel dat hij de gang moet doen naar de Diaconie. In de practijk blijkt het herhaaldelijk, dat leden der gemeente, die stellig voor hulp van de Diaconie in aanmerking zouden komen, zich niet tot haar wenden, doch hulp zoeken bij de burgerlijke instelling van weldadigheid. Als men maar uit handen van de Diaconie blijft !
Is voor deze houding tegenover de Diaconie een verklaring te geven ? Ik meen dat daarvoor twee oorzaken kunnen worden genoemd, enerzijds het verleden van de Diaconie en anderzijds het gemis van kennis van het werk en de taak van de Diaconie.
Door de wijze waarop met name in de vorige eeuw de diakenen in het algemeen hun ambt vervulden kwam hulpverlening van die zijde in discrediet, en terecht. Het persoonlijke, broederlijke hulpbetoon, het bevorderen, dat de Heere Jezus Christus in de bediening der barmhartigheid gestalte verkreeg, was ontaard in een massa bedeling. De diaconie was verworden tot een instituut, dat er zich mee bezig hield, een groep in armoede verkerende mensen een brok brood toe te werpen om hen op die wijze te binden aan de kerk en hen aldus tot slavenzielen te stempelen. In vele gevallen was het zo, dat de diakenen in hoogheid troonden die zich dan nog wel wilden verwaardigen om aan hen die in nood verkeerden een aalmoes toe te stoppen, doch veelal met een of andere voorwaarde waardoor de kerkgang kon worden gecontroleerd. De „bedeelden" waren — om een voorbeeld te noemen — gebonden des Zondags een van de diaken ontvangen speciale penning in de collectezak te deponeren ! De ondersteuning welke niet veel meer was dan een fooi moest door de hulpbehoevende natuurlijk worden afgehaald aan de diaconiekamer op een bepaalde dag en een bepaald uur waarbij de arme uiteraard niet verder kwam dan voor het kleine loketje waarachter de diakenen bij tourbeurt zitting hielden voor het „uitreiken" der gelden. Daarin ontbrak de toewijding en de liefde die herstelling zoekt ; moest ontbreken omdat men geen rekening hield met het persoonlijke doch slechts oog had voor de massa. En zonder dat, heeft iemand gezegd, is het geld geen genademiddel, doch slechts een werktuig van de Mammon dat ontzenuwt en de ellende vergroot.
Is het in het licht van het bovenstaande gezien te verwonderen, dat men meer en meer minachting kreeg voor zulk soort armenverzorging en is het niet begrijpelijk, dat men er voor vreesde daarvan ooit afhankelijk te moeten worden. Gelukkig is men in de loop van de jaren in diaconale kringen zich zijn taak en roeping overeenkomstig de Heilige Schrift meer en meer bewust geworden, waardoor de massabedeling is verdwenen om plaats te maken voor de persoonlijke hulp. De bedeling met een fooi veranderde in daadwerkelijke hulp niet alleen in financieel, doch ook in moreel en sociaal opzicht. En desondanks heeft de Diaconie zich nog niet geheel kunnen ontworstelen aan het odium dat velen, onbekend met het diaconale werk in de laatste decennia en dus uitsluitend onder de indruk van hetgeen uit historische geschriften tot hen kwam, nog steeds menen te moeten leggen op de kerkelijke armenverzorging. Dit is wel heel jammer omdat dit, behoudens wellicht in een uitzonderingsgeval, te eenenmale niet juist is. Er is geen cijfermateriaal voorhanden om zulks met bewijzen te staven want diaconaal werk in de ware zin van het woord laat zich niet in cijfers vastleggen. Hoogstens zou kunnen worden opgegeven het aantal guldens dat thans voor ondersteuning wordt aangewend. Maar zulk een opgave heeft met het karakter van het diaconale hulpbetoon niets uitstaande, althans daaruit kan niet zonder meer een conclusie worden getrokken. Vergelijking van de financiële cijfers van de diaconale armenverzorging en die van b.v. van het burgerlijk armbestuur zou oppervlakkig beschouwd tot de slotsom kunnen leiden dat de kerkelijke armenverzorging toch in werkelijkheid niet veel betekenis meer heeft. Men wordt daarbij geïmponeerd door de grote bedragen en men verliest uit het oog dat zij niets meer zeggen omtrent het wezen van de geboden hulp.
De diaconie van de laatste tientallen jaren heeft Gode zij dank ingezien dat men te voren met het diaconale werk op een totaal verkeerde weg was aangeland. De diaken heeft niet te bedélen doch in naam van de Koning der Kerk Christelijke handreiking te doen aan de broeders en zusters der gemeente. En dat beperkt zich niet tot het uitdelen van een paar luttele guldens ! Hij heeft te bevorderen dat in zijn bediening uitschittert de barmhartigheid van de Heere Jezus Christus. Dat is persoonlijk werk bij uitnemendheid. De diaken is in het gezin van de weduwe met hare opgroeiende kinderen niet alleen een gaarne geziene gast doch men ziet in hem de vertrouwensman waarmede men de moeilijkheden zowel van materiele als van geestelijke aard kan bespreken en overleggen. De diaken staat hen met raad en daad ter zijde, zoekt wegen voor een juiste opvoeding der kinderen, tracht hen zo nodig te helpen bij het verkrijgen van een plaats in de maatschappij, tracht wegen te ontsluiten voor het volgen van onderwijs ter vergroting van vakbekwaamheid, voorziet in de nodige hulp indien ziekte de woning binnendringt, kortom hij stuwt en trekt mede. De daarvoor benodigde gelden komen eerst op het tweede plan. En menige achtergebleven weduwe-moeder heeft de Heere gedankt voor Zijn hulp waarop zij in haar dagen van rouw niet had durven hopen. De kinderen zijn „groot" en hebben een behoorlijke plaats in de wereld gekregen en nu geniet moeder een rustige oude dag waarbij de kinderen zich niet onbetuigd laten.
Het is een moeilijk werk voorzeker, maar het is toch ook heerlijk, een middel te mogen zijn in de hand van Hem, Die een Man der weduwen en een Vader der wezen wil zijn.
(Rotterdam-Delfshaven)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's