De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

4 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

70)

De dikke hield zich met een verwaand gezicht nog een poosje niet-overwonnen achter de verschansing van zijn tegen-argumenten, maar nu was er langzamerhand onder al die bliksems van toorn van zijn tegenpartijder eindelijk een doodgewone woede over hem gekomen. Plots vloog er een golf van toorn over zijn gelaat, en hij deed een greep in de lange, zwarte baard van zijn tegenstander. „Voor wat niet ? Meen jij dan, dat hij zo'n harde, uitgedroogde en dichtgespijkerde kop heeft als jij ? Helemaal massief ? Wil jij hem roven van zijn eer ? Moest hij niet Chaldeeuws verstaan, als hij Israël wilde beschermen, jij ongelukskerel, jij ellendeling ? " Moet hij niet al de talen van de gereld verstaan, nu, in deze tijd ? "

De aangegrepene wist zich niet anders te redden dan door eveneens zijn tegenstander bij de baard te grijpen en daar de haren uit te trekken. Zij bogen zich heen en weer, en zochten met hun vrije hand zich los te wringen. En zo zag hen nu de naderbij komende Samuel tegen de lichte avondhemel. „Reb Pinkus ! Reb Goldstein ! o komt bij ons binnen !" riep hij verschrikt reeds uit de verte, om hen te waarschuwen, en hun de beschaming van zijn aanwezigheid te besparen. Hem schoot zo gauw niets anders te binnen dan die gastvrije uitnodiging. Hem herkennen en dan elkander loslaten was het v/erk van één en hetzelfde ogenblik. De beide verhitte strijders keerden zich verlegen om, gaven hem de hand, en verklaarden op vreedzame toon, dat zij naar huis zouden gaan, nu zij duidelijk hadden gemerkt, dat Reb Sinaï een flinke en bekwame Zoon der Wet had grootgebracht.

De pleegouders wachtten reeds met het avondeten op de jongen. Samen aten zij hun brood, en dronken daarbij hun koffie van gebrande gerst. Zij waren beide zeer aangedaan, en daarom ook heel stil. Tegen het einde van de maaltijd legde Sinaï hem plotseling zijn hand op het hoofd, en kondigde hem een heerlijke beloning aan voor zijn vlijtig leren, en voor zijn mooie, voortreffelijke toespraak over de leugen van dat bloed : het volgend jaar aan het einde van de regentijd zou hij verlof krijgen en een uitrusting voor een reisje naar Jeruzalem, om aan de overblijfselen van de heilige tempel zijn Joods hart te kunnen sterken tegen de verzoekingen van de ongelovige wereld.

Een grote blijdschap vervulde Samuel, en terwijl bij de hand van zijn pleegvader kuste, maakte hij die nat met zijn tranen. Hij kon geen stukje brood er meer doorkrijgen, omdat het in al de diepte van zijn gemoed bruiste als in de beek van Ad-el-Aram, als de wolkbreuk is neergekomen ; en nog één keer liep hij naar buiten onder de sterrenhemel en ver het veld over.

De beide ouden bleven dus alleen. Suze ruimde de vaten op, waaruit men gedronken had, en hing de lege kan, nadat zij die had omgespoeld, tegen de muur. Men kon binnen deze ruimte slechts een paar schreden doen, en slechts weinig gerei was hier nodig, dat zijzelf best wist te vinden.

Toen Sinaï zich ook naar buiten wilde begeven, hield zij hem terug. Zij had iets met hem te bespreken, wat beter in een geheim hoekje, dan buiten in de vrije lucht bepraat kon worden. En dus begon zij op deze manier :

„Wat denk je, dat er uit onze jongen worden zal ? "

De Thorasehrijver zelf had eveneens al uren lang over niets anders gedacht dan hierover. Hij gaf een ontwijkend antwoord, en zag er daarbij meer zorgeloos dan hopeloos uit.

„Hij heeft in zijn toespraak gezegd : Waar zullen wij de stam van koning David vinden ? Ja, wij kennen zijn bloed niet meer, wij kennen niet eens het bloed van onze eigen stam. Maar de Eeuwige kent dit alles. De stam van onze koning kan natuurlijk niet verdord zijn. Wisten we maar, dat er ergens een druppel van zijn bloed gered was, o dan ! . . . . . "

„Nu, wat dan ? Wat zou je dan willen doen ? "

„De dag van die ontdekking zou gezegend zijn in alle eeuwigheid. Allen zouden voor Hem op hun aangezicht vallen. Hij zou het land bezitten en de macht en de heerschappij krijgen in één ogenblik. Ach ja, wat zou dat wezen. Suze's stem zonk van deze profetische toon nu tot een ootmoedige diepte.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's