De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rechtvaardige critiek?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rechtvaardige critiek?

9 minuten leestijd

Het is al enige tijd geleden, dat ds. G. van der Zee in het weekblad „De Hervormde Kerk" de critiek, die in Hervormd Gereformeerde kring op de kerkelijke vernieuwing geoefend wordt, besprak in een hoofdartikel, dat tot opschrift had de vraag : „Is uw critiek op het synodale beleid rechtvaardig ? "

Ds. Van der Zee gevoelt zich daarin door de ernst der dingen, die het betreft, gedrongen deze vraag aan de ,,critici" voor te leggen, waarbij hij dan in het bijzonder denkt aan hen, die in „jeugdorganen en brochures" uit genoemde kring aan het woord zijn. En inderdaad, de zaak, waar het om gaat en die op het spel staat, is ernstig genoeg. Juist daarom is het te betreuren, dat ds. Van der Zee uitgaat van het feit, dat wij  nu eenmaal sedert enige tientallen jaren een stroming in de kerk hebben, die van meet af aan alle Synodale besluiten gram is, waarom dan ook, zoals ds. Van der Zee zegt, nu de reorganisatie een feit is, velen zich opmaken daartegen te velde te trekken en alles wat van de synodale tafel komt, te saboteren, belachelijk te maken en in caricatuurtekening te brengen. Want wanneer de zaak voor ds. Van der Zee „nu eenmaal" zo staat, is het me toch niet goed meer duidelijk, hoe hij dan in ernst deze vraag kan stellen. Welke waarde kan een antwoord uit die gewraakte stroming voor hem nog hebben, wanneer er met die lieden toch eigenlijk niets meer te beginnen is ? Hangt het daarmede samen, dat ds. Van der Zee, die zich volgens de titel van zijn artikel tot de „critici" wil richten, in feite meer over hen spreekt tot zijn medestanders ?

Maar de vraag is op zichzelf genomen ernstig genoeg Gelukkig, dat ds. Van der Zee daarom niet ophoudt met de aanwijzing van een in kerkelijk opzicht dusdanig ontspoorde stroming, dat er niets mee aan te vangen valt, maar ook een inzicht tracht te verschaffen in de beweegredenen, die de betreffende groep tot de gesignaleerde critiek op de synodale besluiten geleid hebben. Deze critiek zou vooral verband houden met de klacht, dat aan deze reorganisatie geen reformatie ten grondslag zou liggen. Daartegenover stelt ds. Van der Zee dan zijn overtuiging, dat deze reorganisatie onmogelijk zonder reformatie tot stand kon komen, evenmin als dat in de 16de eeuw, de tijd van de Hervorming, het geval kon zijn. Wordt echter met die opmerking wel de door ds. Van der Zee bedoelde critiek getroffen ? Wanneer men toch klaagt, dat deze „reorganisatie zonder reformatie" is, dan bedoelt men daarmede toch niet te zeggen, dat deze reorganisatie „zo maar uit de lucht" is komen vallen of dat zij alleen maar ,,een product van een forcerende groep" zou zijn. De critiek ontkent toch niet, dat deze reorganisatie een zekere, laten we zeggen, „geestelijke achtergrond heeft, maar de bezwaren komen, omdat in deze achtergrond en verder ook in de reorganisatie, beginselen worden gemist, die de Reformatie tot een wezenlijke kerkelijke vernieuwing hebben gemaakt en die nu ook voor een werkelijk hernieuwd kerkelijk leven onmisbaar moeten worden geacht. De stelling, dat de huidige reorganisatie niet zonder reformatie tot stand kwam, evenmin als dat in de 16de eeuw het geval kon zijn, zou slechts dan de „critiek" raken, wanneer ds. Van der Zee aangetoond had, dat de achtergrond van de huidige vernieuwing dezelfde was, als die, welke de Reformatie heeft gedragen en doorgezet.

Daarom lijkt me de vergelijking, die ds. Van der Zee dan vervolgens trekt tussen de vernieuwing van vandaag en de tijd van de Reformatie, voorhands nog weinig te zeggen. Ds. Van der Zee wijst er op, dat aanvankelijk maar 10% van ons volk de Reformatie toegedaan was, maar dat dit deel de kerk reorganiseerde en dat die reorganisatie de Reformatie krachtig heeft bevorderd en uitbreiding gegeven. Dit was een zeer geleidelijke ontwikkeling. Zo troffen b.v. in 1620 predikanten nog beelden in de kerken aan, die men nog niet daaruit dorst te verwijderen Het ging langzaam, maar zeker. Een dergelijke gang van zaken verwacht ds. Van der Zee ook van het heden. Men mag dus niet dromen van een wonderboom, zo zegt hij, en nog veel minder voor de onvermijdelijke teleurstelling, die deze geleidelijke ontwikkeling met zich mee zal brengen, uit de weg gaan en de strijd en de moeilijkheden, die met dit alles verbonden zijn, schuwen. Dat alles willen we graag toestemmen, maar wanneer ds. Van der Zee dan verder gaat en zegt, dat nu ook „de reorganisatie de verdediging en verbreiding van de Waarheid zal steunen", kunnen we zijn verwachting echter lang niet delen. Want juist ten aanzien van die Waarheid komt er inplaats van een gelijkenis, meer een verschil tussen deze reorganisatie en de Reformatie aan de dag. Men moge bezwaar maken, als ik zeg, dat het ,,synodale beleid" bij deze reorganisatie de waarheidsvraag verdringt, om zo groot mogelijke eenheid te behouden, maar er kan toch geen tegenwerping zijn, wanneer we opmerken, dat het dan in ieder geval die vraag laat rusten, totdat de kerkorde gereed zal zijn. Dat was in de tijd van de Hervorming toch wel heel anders ! Ds. Van der Zee kent de Vaderlandse Kerkgeschiedenis zoveel beter dan ik, dat ik hem er niet aan behoef te herinneren, dat weliswaar de predikanten in 1620 nog beelden in de kerk aantroffen, maar dat van de predikanten der kerk reeds in 1568 op het Convent te Wezel nog wel niet de ondertekening van de Belijdenis als bewijs van instemming gevraagd werd, doch dat er wel terdege een onderzoek geëist werd of die dienaren er mede instemden. (v. d. Zee, Vad. Kerkgesch. Il, blz. 123). En in 1571 werd op de eerste Synode van onze kerk vervolgens de eis tot ondertekening gesteld, welke eis door volgende Synoden is bevestigd en uitgebreid. Het is goed, daarbij in het oog te houden, dat deze eis tot ondertekening niet bedoelde een zekere uitwendige eenheid te maken. Er was eenheid van geloof en belijden. De gestelde eis diende om die tot uitdrukking te brengen en de zuiverheid van dat gemeenschappelijk geloof en belijden van de kerk te bewaren. (Zie v.d. Zee, a.w blz. 184). Ook wanneer men samenkwam om over de zaken, die de orde van de kerk betroffen, te handelen, of wanneer men zich bemoeide om de kerk te „reorganiseren", was het om die eenheid en zuiverheid te doen en men ging ook daarvan uit !

Hier ligt nu, als ik het wèl heb, de oorzaak van de door ds. Van der Zee bestreden critiek. Er moge formeel in de huidige kerkelijke ontwikkeling een zekere eenheid bereikt zijn door de aanvaarding van de formule ,,in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op de bodem der belijdenisgeschriften", men kan het er toch niet voor houden, dat hierin een wezenlijke eenheid van geloof en belijden tot uitdrukking komt. Misschien acht ds. Van der Zee de tegenstellingen niet zo groot, als ik die zie, maar hij zal het toch met mij eens zijn, dat die tegenstellingen er liggen. Daarom acht ik het zo bedenkelijk, dat er weliswaar particuliere uiteenzettingen over de inhoud van de genoemde formule worden gegeven, maar dat de Synode tot nog toe nagelaten heeft zich uit te spreken, wat de kerk daaronder verstaat. Wordt door dit beleid niet heel de kerkelijke vernieuwing gelijk aan het bouwen van een huis, zonder dat er een fundament is gelegd ? Wanneer er toch aan die fundamentele eisen, waarmede de kerk staat of valt, niet is voldaan, kan dit toch niet bestaan ? En de vrees"'is gewettigd, of zo de vernieuwing van ons kerkelijk leven tot een schijnvertoning wordt, die tot een jammerlijke ontknoping zal leiden, wanneer het gebouw, dat men nu bezig is te bouwen, ineenstort, omdat het gebrek aan die eenheid niet verborgen kon blijven.

Misschien zal ds. Van der Zee antwoorden, dat men toch niet wachten kan met het uitvoeren van de taak, die de kerk in de wereld heeft, totdat wij klaar zijn over die vragen. Ik weet dat zo net nog niet. Want de roeping van de kerk kan toch niet zijn, de wereld zowel met ja als met neen te dienen. God riep haar om een pilaar en vastigheid der Waarheid te zijn ! Daarom kan de wereld er slechts mede gediend zijn, wanneer de kerk met deze vragen zoekt klaar te komen.

We weten heel goed, dat dit alles niet opeens terecht zal kunnen komen en evenzeer, dat het met het stellen van enkel de eis tot ondertekening van de belijdenis der kerk als blijk van instemming nog niet gedaan zou zijn. Het komt immers niet aan op de blote instemming, maar op het levend geloof, dat in de belijdenisgeschriften de uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof terugvindt. Daarom wacht het op de Geest des Heeren. Maar dat neemt niet weg, dat er voor een werkelijke kerkelijke vernieuwing geen andere eisen zijn te stellen en dat we dat, wat zich als zodanig aandient, daaraan hebben te toetsen.

Het verdriet wel, dat ds. Van der Zee dit houdt voor „scheldende langs de weg te gaan staan" en dat hij er slechts een behaaglijk wegkruipen ,,in het isolement" in kan zien. We zullen dit moeten aanvaarden, omdat wij aannemen, dat ds. van der Zee zo spreekt uit diepe bezorgdheid voor de gang van zaken in ons kerkelijk leven, al moet me wel de vraag van het hart of dat, wat vroeger gold als een eis van gehoorzaamheid aan Gods Woord, nu slechts als sabotage, belachelijkmaking en caricatuurzucht gewaardeerd kan worden ? Maar het is ten slotte ieders recht om dit te zeggen, als men meent, da dit moet geschieden. Maar ds. Van der Zee gaat echter beslist te ver, wanneer hij aan „de critiek" voorhoudt, dat zij niet mag weigeren mede de verantwoordelijkheid te dragen. Want juist omdat men zich verantwoordelijk weet, worden bezwaren inr gebracht. En het is „de critiek" daarbij, ook al slaat zij geheel andere wegen in dan ds. Van der Zee meent te moeten gaan, niet minder om het heil van de kerk, dat is ook van het volk en de wereld  doen. Ik hoop, dat ds. Van der Zee daarom "de critiek" dan wel niet aanvaardbaar, maar toch niet meer ,,onrechtvaardig" zal noemen.

(Wijk bij Heusden)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Rechtvaardige critiek?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's