Over de Tekoïeten
Nehemia 3 vers 5 : 27
Meerdere malen lezen we in het O. Testament van hun woonplaats. Tekoa : een klein stadje in Judea, ongeveer 20 km. ten Z. van Jeruzalem, een 25 km. van de Dode Zee.
Koning Rehabeam versterkte het als vesting, zoals hij met Bethlehem, Lachis, Maresa, Adullam en verscheidene andere steden deed. Hij legde in die steden een bezetting en maakte ze tot depots van wapenen en levensmiddelen ; vrees voor een inval van de Egyptenaren dreef de koning er toe in het bijzonder de Z. grens van zijn land tegen een mogelijk nieuwe invasie te versterken. Daarbij was het van 't allereerste belang voor mondvoorraad te zorgen voor het geval, dat een stad een langdurig beleg zou hebben te verduren. Ook uit de opgravingen blijkt, dat bij vestingbouw voorraadschuren niet werden vergeten. Zo b.v. is te zien uit de opgravingen van Masada, in de buurt van de Dode Zee. Als vanzelf denken we aan de voorraadschuren van de Egyptenafen in de tijd van Jozef (Gen. 41 vs. 48 e.v.), die wel veel groter waren dan in Palestina zijn gevonden, maar die toch ongetwijfeld een voorbeeld zijn geweest voor de graanpakhuizen in Israël.
Tekoa is ons vooral bekend als woonplaats van de profeet Amos. In de streken rondom Tekoa heeft Amos gezworven. De landstreek van Tekoa grenst aan de woestijn, een overgang, die zich geleidelijk aan voltrekt. Hier en daar dringen de weidegronden nog wel vrij ver in het woestijngebied door, maar hoe verder naar het Oosten, hoe troostelozer wordt het landschap. De strijd om het bestaan is hier verre van licht.
Als Jeremia (hst. 6 vs. 1) het onheil, dat over Jeruzalem gaat komen, voorzegt, dan moet ook in Tekoa alarm worden geblazen, want met hopen zal men naar het Z. moeten vluchten, voor de vijand uit.
In het boek van Nehemia wordt ons iets verteld van wat de mannen van Tekoa gedaan hebben voor het herstel van de muren van Jeruzalem. Na de terugkeer uit ballingschap is men al spoedig begonnen met het herstel van de tempel, maar och, hoe gaat het, eerst was er heel wat enthousiasme, maar al spoedig doofde het vuur. De een wierp het op de slechte tijd : de mensen hadden wel wat anders aan hun hoofd dan te denken aan de opbouw van de tempel; de ander meende, dat het toch niets werd : er waren zoveel bezwaren te overwinnen en er was zoveel tegenkanting, dat het toch niets werd. Lauwen, die er niet warm voor liepen ; defaitisten, die bij de pakken bleven neerzitten, wereldsgezinden, die aan eigen zaak dachten, allen zongen mede in het koor, dat alle werk niets uithaalde, maar na vele jaren is dan toch de tempel klaar gekomen, want de Heere maakt een onwillig volk gewillig en niet door kracht, noch door geweld maar door Gods Geest is het geschied. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad, maar straks stond daar de nieuwe tempel, welks heerlijkheid groter zou zijn dan van de eerste.
Dat was in Nehemia's dagen vele jaren geleden ; hij leefde aan het hof van Athaxerxes, de Perzische koning (465—424) en hoe ver ook van Jeruzalem verwijderd, zijn hart trekt er heen en bewogen is hij over het lot van de aloude Godsstad. Hij wist hoe de muren waren vervallen en de poorten met vuur verbrand. Niemand deed er wat aan, men begon het heel gewoon te vinden. Nehemia vindt gunst in de ogen van de koning en zo komt hij met koninklijke volmacht en opdracht in Jeruzalem. Als Nehemia met eigen ogen op een nachtelijke inspectietocht de zaak opneemt, dan blijkt, dat de dingen nog erger zijn, dan hij zich heeft voorgesteld : de zaak van Jeruzalem staat er droevig voor. Wat valt het hem tegen, als hij de schade gaat opnemen ; bij de fonteinpoort kan hij zelfs niet meer op zijn rijdier blijven zitten, maar moet te voet verder gaan. Diep grijpt het Nehemia aan. Er mag niet langer geaarzeld. Er moet wat gebeuren. De overheden (2 vs. 16) roept hij samen. Zonder de zegen breekt alle werk bij de handen af, maar door de zegen des Heeren en met hulp des Allerhoogsten wordt het zwaarste licht en wordt het schier onmogelijke mogelijk. God van de hemel zal het ons doen gelukken ! Er zullen wel mensen zijn geweest, die met een schijnbaar erg vroom argument zich probeerden te onttrekken : God moet het doen, maar Nehemia heeft verstaan hoe de Heere de mens niet uitschakelt, maar inschakelt in Zijn werk en de mens verwaardigt om iets te mogen doen voor Zijn Naam en zaak.
Wat ons bij het herstel van de muren treft — de Statenvertaling spreekt van beteren — is het bewustzijn, dat het hier niet een zaak is van de inwoners van Jeruzalem alleen, maar van geheel het volk, dat men ook in de provincie moet meedoen aan de herbouw van Jeruzalems muren. Wat zal Nehemia allerlei klein-menselijke weerstanden hebben moeten overwinnen, voor het zover was, dat de handen aan de ploeg werden geslagen ; het is niet zo eenvoudig gemeenschappelijk een groot werk gewillig en eensgezind aan te pakken en dan een vrijwillig werk, waarbij geen dwang in aanmerking kwam, al zat er wel dwang achter van Nehemia, die niet voor niets volmachten van de Koning op zak heeft.
Het werk wordt afgebakend en ieder krijgt een deel voor zijn rekening. Jericho doet mee en ook de Tekoïeten doen mee. In Tekoa zullen de mensen zorgen genoeg gehad hebben. Zo rooskleurig was de toestand in Nehemia's dagen onder de Joden niet. Hoort maar hoe het volk klaagt tegen de stadhouder; de een moest om te kunnen leven zijn zonen of dochteren in slavernij overgeven ; de ander moest zijn akkers verpanden of zijn wijngaard of zijn huis ; een derde kwam in moeilijkheden door de hoge belasting, die het volk moest opbrengen. En dan was het nog zo, dat de ene Jood dat de ander aandeed. (Zie Neh. 5 vs. 1 e.v.). Maar desondanks heeft het gewone volk van Tekoa aangepakt en zij hebben zich niet onttrokken onder allerlei voorwendsels. De tegenkanting komt juist van een zijde waarvan het niet verwacht zou worden, want lezen we (hst. 3 vers 5) : hunne voortreffelijken brachten hun hals niet tot de dienst huns Heeren. De edelen van Tekoa, de voortreffelijken, de adel (het woord wordt elders wel vertaald door helden) weigerden mee te doen. De Kanttekening van de Staten-Vertaling tekent hierbij aan : „De aanzienlijken en de machtigen van Tekoa wilden zich niet buigen noch begeven om dit werk huns Gods mede te helpen bevorderen. Deze onwilligheid en hoogmoed wordt tot hun schande van de H. Geest bestraft". Over de heerlijken, de adel, lezen we ook in Richteren 5 vs. 13, Nahum 2 vs. 6, 3 vs. 18 en niet te vergeten in Ps. 16 vs. 3, waar we lezen, hoe Gods adel gevormd wordt door de heiligen, die op de aarde zijn. Hoe komt het, dat de adel van Tekoa niet meedoet ? Zit dat vast op de financiën ? 't Kost ook zoveel geld ; dat is wel mogelijk. Voor allerlei dingen besteedt men zijn geld ; kwistig strooit men met geld voor ontspanning en genot en als het op de dingen van Gods Zaak aankomt, wordt men plotseling zuinig en zoekt te beknibbelen hier en te sparen daar. Waarschijnlijk ligt achter het niet meedoen van de adel in Tekoa iets anders ; de adel kiest veel meer partij voor de vijanden, die zoveel mogelijk het werk zoeken af te breken en de zaak bespottelijk maken. Sanballat zei : Wat zouden deze amechtige Joden ! En Tobia doet mee : Ze bouwen zulke muren, dat een vos zonder moeite de hele muur stuk maakt. Eerst spotten ze en als ze later zien, dat het werk vordert, zullen de Samaritanen alles op alles zetten om de zaak zoveel mogelijk in de war te sturen.
Maar de Tekoïeten laten zich niet ontmoedigen ; als de edelen het er bij laten zitten, dan zal het gewone volk aanpakken en wel met dubbele kracht. De weerstand van de zijde van de Samaritanen en de onverschilligheid bij de edelen verdubbelt juist hun kracht. Want zij bouwen en geven het niet op en als ze hun deel klaar hebben, dan nemen ze nog een ander stuk van de gescheurde muur voor hun rekening, een stuk, dat raakte tot aan de Ofel. De tegenwerking in eigen gemeente ontmoedigt niet, maar maakt integendeel geestelijke kracht los, zo dat zij gesterkt worden om meer te doen dan aanvankelijk van hen gevraagd wordt. Ze zetten hun schouders onder het werk Gods en vele handen maken licht werk. Bij de Tekoïeten leeft het bewustzijn, dat het gaat om Gods zaak en in solidariteit, in het diepe bewustzijn van saamhorigheid pakken ze aan en uit dat alles komt iets goeds, ook al zijn er velen, die weigeren mee te doen.
Wat heeft dit voor ons in deze tijd veel te zeggen. Bij Jeruzalem toch gaat het om de stad des groten Konings, waarvan zeer heerlijke dingen gesproken worden, om de Kerk des Heeren. Voor dat Jeruzalem gaat het gebed op : Doe Sion wel naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem op (Ps. 51 vers 20). Er is een volk, dat klaagt over de smaad van de heidenen die spotten over de ruïnes van de stad Gods, dat medelijden heeft met het gruis van de puinhopen. (Ps. 102 vs. 15) „Hoe droeviger evenwel de desolate toestand van de Kerk, des te minder moeten wij onze liefde tot haar laten varen ; ja, veel meer moet dit medelijden ons brengen tot zuchten en klagen. Want ook al heeft God ergens Zijn tempelen, waarin de zuivere dienst wordt geoefend, als wij toch ons oog over de gehele aarde laten gaan, dan is zeker Zijn heilige tempel vervallen tot een treurige puinhoop, omdat overal het
Woord Gods vertreden wordt en Zijn dienst door ontelbare goddeloosheden bezoedeld wordt. Ja zelfs, die kerkjes, waarin God woont, zijn verscheurd en verstrooid. Wat zijn deze hutten vergeleken met dat prachtige gebouw dat ons beschreven wordt door Ezechiël en Zacharias ? Maar geen enkele jammerlijke nood van de Kerk mag ons een hinderpaal zijn, dat wij geen liefde zouden hebben tot haar stenen en haar stof (Calvijn).
Wat is het een voorrecht te mogen meebouwen aan de muren van de Kerk des Heeren, hoevele scheuren wij in deze muren ook zien, hoezeer het soms wel lijkt, als zoude het een hopeloos werk zijn. Tegenstand en tegenwerking, toe maar — God van de hemel zal het ons dóen gelukken en wij. Zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen.
Mogen meebouwen, niet maar moeten. Plicht zeker, maar veelmeer privilege, een steentje te mogen bijdragen aan de bouw van de muren van Jetruzalem en dat uit liefde tot de stad des grote Konings.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's