gedicht
Heimwee.
In avondschemer liggen d' aardse landen, op donzen wieken daalt de lome nacht, ik hef tot U, o God, de smekende handen, tot U, die rust aan 't rust'loos harte bracht.
Aan donk're hemel duizend lichten branden, wier zilverschijnsel flonkert teer en zacht, alsof van verre, blanke hemelstranden verheerlijkt aangezicht mij tegenlacht.
Uit hemeldiepten dalen zoete dromen, en ik aanschouw wie al te vroeg m' ontnomen, de gouden harpen tokk'len. — Tranen stromen
van groot verlangen, om, als zij, ontbonden van 't vege lijf, van wereldwee en zonden —- in d' eeuw'ge Liefde gans te zijn verslonden . . .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's