De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE MENS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE MENS

6 minuten leestijd

Ondanks alle verschil is er in de moderne crisis op het terrein des geloofs een merkwaardige overeenkomst met de uitgang der middeleeuwen. Eensdeels voortbouwende op de natuurlijke theologie van de Stoa, anderzijds op de openbaring, heeft de middeleeuwse kerk een wijsgerig-theologisch systeem gebouwd, dat zijn voltooiing vond in het werk van Thomas van Aquino. Met dat al was hierin een intellectualistische overheersing, welke o.a. blijkt uit de gedachte, dat men het Godsbestaan redelijk kon bewijzen. Theologie en religie rustten althans ten dele in een natuurlijk vermogen.

Daarom moest het ontwrichtend werken, toen Occam e.a. de kracht van dit redelijk fundament gingen ondermijnen. In beginsel zou de doorwerking van de nominalistische critiek de steun onder het religieus en kerkelijk leven verzwakken en tenslotte doen wegvallen.

Zo is het ook geschied. Maar de religieuse mens blijft en zoekt een andere grond. Hij zoekt die wederom in zichzelf, in de wil, in het mystiek gevoel. Dat was toen ook zo. Vandaar het ontstaan van vele groepen van mystieken en geestdrijvers en van verschillende secten, die zich ook met de naam van kerk versierden.

Te midden van de verwarring, welke daardoor ontstond, werd de reformatie geboren. Het zoeken naar de vaste grond der religie, naar de zekerheid, bracht de reformatoren bij het licht des Heiligen Geestes naar het Woord, de Heilige Schrift. Daarin heeft het reformatorisch geloof de pilaar der vastigheid herontdekt. Aan het sola fide beantwoordt onmiddellijk het sola Scriptura, zijnde de regel en het richtsnoer des geloofs.

In onze tijd is er — zo zeiden wij — enige overeenkomst in de gang van zaken, ondanks alle verschil van situatie. De reformatorische theologie werd reeds van meet af bedreigd door het intellectualisme ener „allerchristelijkste" philosophie, zoals de Aristotelische gold. In aansluiting daarop breidde zich de natuurlijke theologie uit, totdat zij zelfs de overhand nam in het optimistisch rationalisme van de achttiende eeuw. Uit de aard der zaak ging dit gepaard met een geheel andere waardering van de mens, dan aan het sola fide ten grondslag lag.

Zoals de critiek van Occam eertijds bracht ook de critiek van Kant een slag toe aan het rationalisme, een slag, die de gereformeerde theologie principieel wel niet kon raken, maar haar rationalistische overwoekering werd oorzaak, dat zij mede werd getroffen. Zo zien wij opnieuw een zoeken om de religie als verschijnsel te verklaren en te gronden, zonder tot haar principium terug te keren. Wetenschap van de godsdienst en wijsgerige beschouwingen schenen zelfs de eigenlijke theologie te willen verdringen, totdat wij in de huidige problematiek werden gevoerd, die naar onze overtuiging slechts één uitweg zal kunnen geven, als men terugkeert tot het reformatorisch Schriftgeloof.

Aan deze gang van zaken, die hier slechts zeer beknopt en onvolledig wordt aangestipt, gaat een waardering van de mens gepaard, die belangrijk is.

Het standpunt der middeleeuwse theologie schrijft de natuurlijke mens nog religieus en zedelijk vermogen toe, zodat hij nog in staat is, zij het ook niet zonder genade, goede werken te doen, naar de maastaf der geboden. De reformatie breekt daarmede, zoals men weet. De mens is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Geen zaligheid uit de werken, maar alleen door genade. Dat is de betekenis van het sola fide.

Toch wil de mens dit niet aanvaarden, en het schijnt, dat de ervaring hem in het gelijk stelt. Dood in zonden en misdaden. Maar er is toch nog zoveel goeds, er is nog zekere orde in het leven. Een saamleving is mogelijk. Er is cultuur. Er is wetenschap en kunst. Er is humanisme. Dat schijnt zo en de reformatoren hebben dit alles, wel geweten en nochtans gepredikt van des mensen diepe val en ongerechtigheid, van zijn dood en vijandschap Gods. Onbekwaam tot enig goed.

Zij zijn dus niet blind geweest voor al dat goede, noch ook voor het feit, dat de mens een religieus wezen is en het werk der wet vertoont. Maar zij waren Schriftgelovigen en zij wisten ook, dat de mens blind is voor zijn eigenlijke staat. Zij wisten, dat de realiteit van ons bestaan niet de werkelijkheid van ons bestaan voor God is.

Waarom niet ? Omdat de genade Gods de mens nog zoveel gaven geeft, dat hij hier leven kan en een saamleving kan hebben, zij het dan ook, dat deze veeltijds wordt verstoord en dat zij niet verschoond is van allerlei ellende. Het beeld, dat de mens vertoont, is nog versierd met zoveel, dat van de mens niet is, hoewel hij het voor het zijne houdt. Hij kent zichzelf niet, zoals hij is. Vandaar, dat de gereformeerde theologen spreken van ontdekking. De mens moet ontdekt worden aan zijn verloren staat.

De reformatie heeft dat gezien en Calvijn spreekt uitvoerig over de verdorven staat van de mens, zó zelfs, dat hij een teugel nodig heeft om er voortdurend aan herinnerd te worden en de Overheid zonder dwangmacht niet kan regeren.

Bij de verslapping van het kerkelijk leven in de toenemende invloed van het rationalisme, ging de mens weer hoe langer zo meer de norm in zichzelf zoeken, als ware hij de maat van alle dingen. De negentiende eeuwse geest kan die hoogmoed demonstreren, gelijk de dreigende ondergang der cultuur, angst en vrees verspreidt te midden van een heilloze verwarring om hemi aan zijn hoogmoed te ontdekken.

Ook deze ervaring moest weer haar terugslag vinden in de waardering van de mens, en terwijl een ongegrond optimisme een beroep doet op het humanisme van een voorbijgegane periode, heeft Karl Barth zijn krachtig protest doen horen tegen de hoogmoed, die zich wat verbeeldt te zijn, om alle nadruk te leggen op des mensen nietigheid. De mens is trouwens in zichzelf niets. Al wat hij is, is hij door Gods genade. De wijze, waarop de nieuwe theologie dit stelt, geeft echter aanleiding tot bedenkingen. De gedachte wordt gewekt, dat de mens als schepsel verloren is, d.w.z. dat zijn schepselmatigheid hem tot zondaar stelt.

Het behoeft geen betoog, dat zulk een opvatting de onze niet zijn kan. Wel trekt het de aandacht, dat men zo weinig hoort spreken over het beeld, dat de Heilige Schrift van de mens tekent, van de gehoorzaamheid, die hij voor God schuldig is te brengen, en van de verdorven staat, waarin hij verkeert. En toch is het zo, dat de ergernis, door die prediking gewekt, eerst de ergernis van het Kruis doet verstaan en door Gods genade kan worden verkeerd in de lofzang der dankbaarheid.

Daarom heeft de gereformeerde theoloog een belangrijke taak in onze dagen, om er op te wijzen, dat de ganse problematiek der wereld oorzaak vindt in onze verdorven natuur, terwijl de zaligmakende genade Gods is opgegaan over alle mensen en haar glans verspreidt over een verloren bestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

DE MENS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's