De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vrouw in predikantentoga

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrouw in predikantentoga

8 minuten leestijd

Enige kanttekeningen bij „De Herv. Kerk" van 13 Sept. '47

(II)

Schreven wij de vorige maal, dat een bang vermoeden ons bevangen houdt, dat de Herv. Kerk het ambt ook voor de vrouw zou openstellen, thans pleit het officieele gezinsblad „De Herv. Kerk" in het nummer van 13 September openlijk voor de vrouwelijke ambtsdrager.

In drie artikelen wordt aangedrongen op de benoembaarheid der vrouw.

Ds. Roscam Abbing en mej. Marie Heinen verdedigen de benoembaarheid ten sterkste, prof. de Zwaan is ietwat meer gereserveerd.

Het artikel van ds. Roscam Abbing is de vorige week door prof. Severijn in dit blad bestreden geworden.

Mej. Marie Heinen plaatst een oproep om instemming te betuigen voor de benoembaarheid der vrouw tot alle ambten in de Herv. Kerk en deze instemming schriftelijk in te dienen bij het redactiebureau van „De Herv. Kerk".

Prof. de Zwaan exegetiseert de beide teksten 1 Cor. 14 : 34 en 1 Tim. 2 : 12, die over het zwijgen van de vrouw in de gemeente handelen.

Mej. Marie Heinen wil geen teksten aanhalen om haar overtuiging te staven, maar deelt wel mede, dat de Heer der Kerk aan de vrouw geen kleinere verantwoordelijkheid oplegde dan aan de man. Wij vragen, waarom waren dan onder de apostelen, die Jezus uitzond, geen vrouwen ? Ook meent mej. Marie Heinen uit het feit, dat Jezus tot de Samaritaanse vrouw sprak en het eerst na de opstanding aan de vrouwen verscheen, op te maken, dat deze houding van Jezus pleitte voor de benoembaarheid der vrouw in alle ambten, een logica, die ons niet erg duidelijk is.

Belangrijker is het exegetisch artikel van prof. de Zwaan. Deze behandelt hierin de veel gebruikte teksten : 1 Cor. 14 : 34, 35 en 1 Tim. 2 : 12.

1 Cor. 14 : 34, 35 verklaart prof. de Zwaan uit de gewoonte en zede van het Oosten : de gehuwde vrouw mocht zich niet voor de man dringen en vragen stellen, want de waardigheid van de Christelijke „ecclesia" moest hoog gehouden worden, evenals de waardigheid van de andere wereldlijke volksvergaderingen. Naar deze temporele verklaring wordt ook 1 Tim. 2 : 12 als volgt vertaald : „Ik laat aan een (gehuwde) vrouw niet toe om als lerares of gezaghebbende ten aanzien van (haar) man zich te (blijven) gedragen, maar zij blijve in ruste".

Volgens prof. de Zwaan is dus het spreekgebod, de gehuwde vrouw opgelegd, niet anders dan een aanwijzing voor de verhouding van de gehuwde vrouw tot haar man naar de Oosterse zede en heeft het verbod met het leerambt in de gemeente niets uit te staan, nergens heeft Paulus het ambtelijk spreken in de gemeente de vrouw ontzegd. Prof. de Zwaan wijst ook op de gelijkstelling van man en vrouw in Christus naar Galaten 3 : 28 („daarin is geen man en vrouw, want gij zijt allen één in Christus Jezus") en na nog op de voor de vrouw ongelukkige omstandigheden toentertijd gewezen te hebben besluit de prof. met de opmerking dat in onze samenleving, waar de vrouw zich in gunstiger omstandigheden mag verheugen, de apostel geen bezwaar gemaakt zou hebben tegen de onderwijzeres, lerares, vrouwelijke professor etc.

Wij kunnen het met de verklaring van deze teksten niet eens zijn.

Ons grootste bezwaar is, dat prof. de Zwaan te weinig rekening houdt met het verband van 1 Tim. 2 : 12 en te veel nadruk legt op de huiselijke verhouding van gehuwde vrouw tot haar echtger noot. Prof. de Zwaan trekt ook het geheel te veel in het gehuwd zijn der vrouw, alsof het verbod alleen maar geldt voor de gehuwde vrouw en niet voor de ongehuwde vrouw (de ongehuwde vrouwelijke theologen !) Wij geloven, dat Paulus hier spreekt over de vrouw in het algemeen, die „ook nog" gehuwd is. De Zwaan belaadt het woord ,,gyne" hier te veel met het „gehuwd zijn", zonder enige aanleiding.

Zou de Apostel alleen de gehuwde vrouw op het oog gehad hebben, dan had hij een uitzondering gemaakt voor de ongehuwde vrouw, wij lezen daar niet van.

Verder gaat het in 1 Tim. 2 niet over de verhouding van de man tot zijn vrouw, maar over de houding van de man en van de vrouw in de gemeente. In de Kommentar zum Neuen Testament schrijft Wohlenberg bij 1 Tim. 2 (blz. 118) dat we hier nog steeds aan de godsdienstoefening moeiten denken en bij vers 12 dat de Apostel hier spreekt ten aanzien van de houding van de vrouwen in de godsdienst.

Niet alleen Wohlenberg maar ook andere commentatoren zien 1 Tim. 2 als betrekking hebbende op de samenkomst der gemeente. Als we dit verband in het oog houden dan is het ook duidelijk waarom „didaskein" (= onderrichten) in de tekst vooraan staat.

Dat is ons derde bezwaar, prof. de Zwaan ziet over het hoofd, dat „didaskein" voorop, d.w.z. met nadruk, staat.

Letterlijk staat er dan ook : „Het onderricht geven sta ik aan een vrouw niet toe en ook niet dat ze gezag heeft over de (haar) man". „Didaskein" staat ook in tegenstelling met „manthaneto" = leren (vers 11). Dus Paulus gebiedt, dat de taak van de vrouw in de gemeente is : leren en niet onderrichten.

Indien de tekst nu zou betekenen, dat ze haar man geen onderricht mag geven, waarom staat het woord dan vooraan in de zin ? De inhoud van het woord was dan al in het volgende woord ; „gezag hebben" over de man besloten.

Als Paulus het woord „onderrichten"- vooraan in de zin zet, dan is het woord belangrijker dan het tweede „gezag hebben" over de man en ziet daarom op het „geestelijk onderrichten in de gemeente". Het woord „didaskein" wordt in het N. T. volgens Kittel ook als zodanig steeds gebruikt. In de Evangeliën betekent het woord „didaskein" steeds : „het leren als gezaghebbende" van Jezus.

Dit onderrichten heeft Jezus aan Zijn Apostelen overgegeven in de prediking des Evangelies en we zien niet in, dat nu het woord in een andere betekenis vertaald moet worden dan als „in het leerambt staan".

Tenslotte wijst prof. De Zwaan er op, dat we niet een halve uitspraak moeten citeren ; ik zou er bij willen voegen, dat we ook de reden niet moeten verzwijgen, als die er bij staat; vers 13, 14 : „Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw "

Paulus gaat dus ten aanzien van het verbod van „onderrichten" niet uit van de gewoonte of zede in het Oosten, maar van de scheppingsordening en de val des mensen.

De man eerst geschapen, vóór de vrouw, en na de val heerschappij over de vrouw. Genesis 3 vers 16 : „hij zal over u heerschappij hebben".

De vrouw is op grond van deze goddelijke ordening zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament onderworpen aan de man — het is duidelijk, dat het ook in Genesis 3 vers 16 niet in 't bijzonder gaat over de gehuwde vrouw, maar over de vrouw in het algemeen. — Daarom geen regeer- en leertambt, want dan heeft de vrouw ambtelijk gezag over de man, in strijd met de scheppingsordening. Die grondgedachte, die wij bij Paulus terug vinden, is de leidende gedachte geweest voor de plaats van de vrouw in de godsdienst in het Oude Testament.

Daarom had Israël in tegenstelling tot de andere heidense godsdiensten, geen priesteressen.

Deze gedachte is ook de leidende gedachte geweest in het Nieuwe Testament: Jezus was door uitstekende vrouwen omringd, die „in religiosis" op een zeer hoog niveau stonden, maar geen van hen heeft Jezus tot regeer- en leerambt uitverkoren.

Deze gedachte is ook de leidende gedachte geweest in de Apostolische tijd, daarom wordt het „didaskein" aan de vrouw ontnomen en wordt voor de ongehuwde vrouw geen uitzondering gemaakt.

Ook in de na-Apostolische tijd is de emancipatiegedachte altijd veraf gebleven. (Vergelijk Kittel bij gyne deel I, blz. 789).

Alleen in de van de kerk afvallige secten traden vrouwen op : Montanisme: Priscilla, Maximilla, Chevintilla. Later werden soms onder veel strijd in de kerk vrouwenkoren van de secten overgenomen. (Kittel).

Deze Oude- en Nieuw Testamentische lijn diene ook de kerk heden ten dage vast te houden, en wij hopen, dat de Synodale- en Classicale Vergaderingen van deze roeping doordrongen zijn.

Observator.

P.S. 1. Prof. De Zwaan haalt als tekst, pleitende tegen spreekverbod der vrouw in de gemeente aan : 1 Kor. 11 vers 5, „een iegelijk vrouw, die bidt of profeteert". Kittel handhaaft het spreekverbod der andere teksten, door dit profeteren te zien als een charismatische en pneumatische begaafdheid, die in de na-apostolische tijd is verdwenen. Profeteren is wat anders dan „didaskein".

2. Galaten 3 vers 28 : „daarin is geen man en vrouw, want gij allen zijt één in Christus", ziet op de eenheid, volgens het verband, van geloof en doop, maar niet op de eenheid in ambtelijke bediening. Dr. Huther in „Heyer" schrijft : ,,Het Christendom heft, ofschoon in Christus geen onderscheid is, toch het van God geordend natuurlijk onderscheid niet op, het Christendom erkent het onderscheid om het met hoger leven te doordringen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

De vrouw in predikantentoga

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's