MEDITATIE
Des Heeren ijver over Jeruzalem en over Sion
Roep uit, zeggende: Alzo zegt de Heere der heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver, Zacharia 1 : 14b.
De toestand, waarin de Kerk des Heeren verkeert, heeft altijd de volle belangstelling gehad, van allen, die het goede voor Jeruzalem zoeken. David bad om het welvaren van Jeruzalem. Hij deed dit, terwille zijner broederen en zijner vrienden, die met Hem Gods Naam ootmoedig vreesden. Bovenal deed hij dit, om des huizes des Heeren onzes Godis wil, dat daarin was gebouwd. Want hij had een welgevallen tot het huis zijns Gods. Hij verbijdde zich in degenen, die tot hem zeiden: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan. Des Heeren inzettingen (waartoe ook de heilige tempeldienst behoorde) waren zijn vermakingen.
Als Jeruzalem in verval is, dan verblijden zich degenen, die Sion gram zijn. Maar die het beminnen, treuren en bedrijven rouw over haar, en vergeten het niet. Aan de rivieren van Babel hingen de ware Israëlieten de harpen aan de wilgen, en zeiden : Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve.
Doch, oneindig veel groter is, dat de Heere Zelf aan Zijn Kerk gedenkt. Dit blijkt ons klaar uit het eerste nachtgezicht van de profeet Zacharia, in verband waarmede de hier boven afgedrukte woorden tot de profeet gericht werden.
Zacharia leefde in een tijd, waarin Jeruzalem in oneer was. Verscheidene ballingen waren voor enige tijd uit Babel Wedergekeerd. Doch zij vonden hun stad in smaad en in schande, en de Tempel des Heeren verwoest. Aangespoord door de prediking van de grijze profeet Haggaï, had men een aanvang gemaakt met de herbouw van de Tempel, doch men stuitte daarbij op veel traagheid en vijandschap. Wat zou dat verachte, vernederde en weinig talrijke volk in die omstandigheden moeten beginnen ? Wat zullen deze amechtige Joden?
De Heere geeft de profeet echter een zeer troostrijk en bemoedigend gezicht te aanschouwen. De inhoud daarvan kan Worden uitgedrukt in de woorden, die hij daarbij hoort: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver.
Immers, hij aanschouwt een man, zittende op een rood paard, staande tussen de mirten, die in de diepte waren. Wie deze man. is, blijkt ons in vers 11, waar hij genoemd wordt de Engel des HEEREN. Het is dus niet een geschapen engel, doch de ongeschapen Engel, de Zoon Gods, Welke Zich vertoont onder het beeld van een man. En deze bevindt zich tussen de mirten, die in de diepte waren. Zie hierin een treffend beeld van dte toestand van Gods Kerk. De mirte is een lage, welriekende plant. Temidden van de bomen des wouds valt ze niet op. In de diepte was haar plaats. Het is alles een beeld van de duistere, droeve toestand der Joodse Kerk van die dagen.
Nochtans, hoe onaanzienlijk de gestalte, en hoe gering de plaats dezer plant mocht zijn: de Heere was in het midden van haar. Welk een bemoediging voor de profeet.
Met recht mag Christus' Kerk, hoe veracht en gesmaad dan ook in de wereld, zeggen:
„Wie mij veracht, God wou mij niet verachten, Noch oog, noch oor van mijn verdrukking wenden".
Werd deze waarheid, dat Christus temidden van Zijn verdrukte Kerk verkeert, toch meer geloofd, en werd er toch meer mee gerekend. Wat geeft deze waarheid de vijand weinig vrees, en Gods volk weinig vertroosting, alles vanwege het ongeloof!
Zacharia aanschouwde de tegenwoordigheid des Heeren in de nacht. Zo geeft de Heere dit de Zijnen ook wel in de ogenblikken, waarin het 't donkerst is in de geestelijke zin van het weord, te aanschouwen.
Het gaat er in dit nachtgezicht niet alleen om, dat Christus in het midden van Zijn Kerk is, doch ook hoe Hij daar verkeert. Hij is vaardig, gereed tot haar hulp, hetgeen wordt aangegeven, doordat Hij rijdt op een rood paard. Het is alles tezamen een beeld van de grote ijver, waarmede Hij ijverde over Jeruzalem en over Sion. Hij is gereed, om haar vijanden, die zeer vele zijn, te bestrijden, ja in Zijn toorn te verdelgen.
Achter Hem, zo lezen we, zijn rode, bruine en witte paarden. Christus is de Vorst van het heir des Heeren. Hij staat hier aan het hoofd Zijner hemelse legermachten. En die zijn het, die het ganse land doorwandeld hebben, en nu aan de Engel des Heeren, als aan hun Opperhoofd, hun verslag uitbrengen. Wel een treffend beeld ligt hierin van de werkzaamheid, waarmede de Heere waakt over Zijn Kerk. En niet alleen Zijn Kerk, malar de ganse, wereld ligt onder Zijn bestuur. Er geschiedt niets, dat voor Hem verborgen is. Alweer een zaak, die we allen wel weten. Maar hoe is het, houden we daar ook wel rekening mee ? Want weet, indien we onbekeerlijk in onze ongerechtigheden voortleven, dan is dit een vreselijke waarheid. Het houdt in, wat we lezen in Psalm 90: „Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimehjke zonden in het licht Uws aanschijns". Anderzijds is het voor Sion een verblijdende wetenschap. Al de bewegingen van de vijand houdt God in het oog. Hun verborgen aanslagen zijn Hem niet onbekend. „Waarom zegt Gij dan, o Jacob! en spreekt gij, o Israël: Mijn weg is voor den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij ? " Deze gezanten verkondigen de Engel des HEEREN, die tussen de mirten stond: „Wij hebben het land doorwandeld, en zie, het ganse land zit en het is stil''. Terwijl de Kerk van die dagen door onweder werd voortgedreven en ongetroost was, zat het ganse land, en was stil. Niemand bekommerde zich om de verbreking Sions. Niemand treurde om de verwoesting harer poorten en muren, niemand bekommerde zich er om, dat des Heeren Tempel verstoord was.
Echter, Eén is er. Die als haar voorbidder optreedt, en dat is de Engel des HEEREN. Hij roept over haar de Vader aan, alsof Hij Zelve verdrukt werd, zeggende : „Heere der heirscharen, hoelang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt deze zeventig jaar? " Wat is dat verstoorde Juda, en dat verwoeste Jeruzalem nochtans rijk, omdat het een plaats inneemt in de voorbede van de Middelaar Gods en der mensen. O, als de Kerk des Heeren geen Voorbidder in de hemel had, wat zou het dan toch droevig met haar gesteld zijn. Maar nu kan deze niet omkomen in dure tijd of hongersnood. En dat om die Ene, Die voor haar tussentreedt bij de Vader. Zietdaar de oorzaak, waarom de macht van de vijand over haar beteugeld is. Want de gebeden, welke Christus voor Zijn Kerk opzendt, zijn geen onverhoorde gebeden. Want Hij pleit daarbij op hetgeen Hij Zelf voor haar volbracht heeft.
Ook dit gebed om ontferming over Jeruzalem en over de steden van Juda bleef niet onbeantwoord. De Heere antwoordde goede woorden, troostelijke woorden. Als vrucht van Christus priesterlijke bediening spreekt Hij beloften van heil, dat aan haar geopenbaard zal worden. Hij gedenkt nog aan Sion in ontferming, om Zijns Zoons Christus' wille.
De profeet mag de inhoud van deze goede, troostrijke woorden ook vernemen. En niet om deze voor zich zelfi te houden, maar om ze het volk bekend te maken. Zijn opdracht luidt: „Roep uit, zeggende : Alzo zegt de Heere der heirscharen: „Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver".
Evenals de goddelozen het „wee" moet verkondigd worden, indien zij zich niet bekeren, evenzo moet de rechtvaardigen het „wel" verkondigd worden. Evenmin als door Gods knechten de oordelen, die God over de zonden zal zenden, verborgen gehouden mogen worden, evenmin mag verborgen worden, dat het des Heeren welbehagen is, aan Zijn arme verdrukte Kerk wel te doen. Roep het „wee" over de zondaars, die onbekeerlijk van hart en handel blijven uit. Wie weet, de goddeloze mocht zich bekeren. Maar ook, roep het wel uit over het Israël Gods, opdat ze bemoedigd mogen worden op de pelgrimstocht door de woestijn van dit leven. Roep het hun toe, wat we lezen in de psalmen:
„De Heer' zal in dit moeilijk leven. Zijn volk en erfdeel nooit begeven".
Voorwaar, Zacharia was zijn volk een goede boodschapper van een goede tijding, waarvan de hoofdinhoud was : „Alzo zegt de Heere der heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver".
De Heere noemt Zichzelven hier met de naam: HEERE der heirscharen. Neen, de rijke inhoud van de betekenis dezer naam zullen we nimmer volkomen uitputten. In dit verband drukt deze naam in het bijzonder uit des Heeren grote kracht, ook over de vijanden van Zijn volk. Ja, lezer, als God vóór ons is, wie zal dan tegen ons bestaan ? Maar ook, als we deze God tegen hebben, wat zal het ons dan baten, al hebben we de gehele wereld mee ? Welnu, deze God ijvert over Jeruzalem en over Sion. Welk een, bemoedigend woord. Hij zal Jeruzalem herbouwen. Hij zal in, gunst uw heil bewerken, de grendels uwer poorten sterken. Niet gij, o neen, dan was de strijd reeds voor de aanvang verloren, maar Hij.
En al die zonden dan, waardoor God zeventig jaren gram geweest was op Zijn volk? Wel, die haddien Gods trouw niet teniet kunnen doen. Zeker, er was een tijd geweest, waarin de Heere als het ware tegen Zijn volk geijverd had, en waarin Hij hun vijanden macht over hen gegeven had. Nochtans gedacht Hij ook in de toorn nog des ontfermens. De stem der profetie was zelfs in Babel niet opgehouden. Ja, de zonden worden zwaar bezocht. Ook Gods volk zondigt niet goedkoop. Al nemen wij het niet zo nauw met de zonden. God doet dit wel. Nochtans staat er, dat de Heere maar een „weinig", toornig was over Zijn volk. Een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid. Thans was de tijd aangebroken, waarop de Heere met ontferming tot Jeruzalem was wedergekeerd. Welk een wederkeer!
Zijn toorn brandde tegen die geruste heidenen, die het volk hadden vernederd en geplaagd. Lezer; wat komt het er voor ieder onzer op aan, aan welke zijde we staan. Het is voorwaar geen best getuigenis voor ons, als we ons zo verblijden in de vernedering van het volk, dat God Zich tot een erfdeel verkoren heeft. Al was het de Heere Zelf geweest, die Israël strafte, nochtans lezen we, dat Hij van de heidenen zegt: „maar zij hebben ten kwade geholpen". En als God wederkeert met ontfermingen over Jeruzalem, dan is het met gerichten over deze heidenen, deze geruste heidenen, die zich om de verwoesting van des Heeren tempel en de verstoring van Zijn dienst niet bekommerden.
Degenen, die daar echter met de profeet Zacharia leed over dragen, worden zeer vertroost. Het eerste teken daarvan, dat de Heere ijvert over Jeruzalem en over Zion, de plaats, die Hij zich ter woning verkoren heeft, komt daarin openbaar, dat des Heeren huis wederom gebouwd zal worden. De dienst des Heeren zal daarin weer met luister plaats vinden. Gods instellingen zullen niet langer tot verachting zijn. Welk een kostelijke balsem is dit in de wonde in het hart van de profeet, die leed droeg over de smaad, die de dienst des Heeren was aangedaan. Ja, nog meer belooft de Heere aan de profeet: „Mijne steden zullen nog uitgespreid worden vanwege het goede". Nog was het een klein getal, dat naar Jeruzalem was wedergekeerd. Maar straks zouden ook de steden rondom Jeruzalem weer bewoond worden, 't Volk zal zeer vermenigvuldigd worden. Geen rijker belofte dan deze. In de menigte des volks is des konings heerlijkheid. En hoewel niemand heerlijkheid aan de heerlijkheid van koning Jezus behoeft toe te voegen, zo verblijden zich Zijn onderdanen nochtans grotelijks in de uitbreiding van Zijn Koninkrijk.
Aldus troost de Heere Sion, aldus blijkt, dat Hij Jeruzalem nog verkiest. Een vraag komt op in ons hart: Zou dit woord, zou dit nachtgezicht ook op onze tijd nog van toepassing zijn ? Hoe zeer het tegendeel soms gevreesd wordt, nochtans moet deze vraag bevestigend beantwoord worden. Onze tekst is een profetisch woord over de Kerk des Heeren van alle tijden en alle plaatsen. Neen, het geldt niet van degenen, die wel een gedaante hebben van godzaligheid, maar de kracht derzelve verloochend hebben. Het geldt van degenen, die de Heere vergelijkt met de mirten, die in de diepte waren. Dat is geen aangename plaats voor ons vlees, om daar te moeten verkeren. Daar moeten we dan ook gebracht worden. Maar, deze plaats heeft de Heere Zich verkoren, om aldaar Zijn Naam groot te maken. Ik zal Mij doen overblijven een arm en ellendig volk, die zullen op de Naam des Heeren betrouwen, aldus luidt Zijn woord. En dan is het duizendmaal beter mét God in de diepte, dan zonder God op de hoogte. Want de Heere voert Zijn Kerk niet alleen in de diepte, rnaar ook door de diepte. Dat dan het oog van Zijn Kerk maar gericht zij op die Heere der heirscharen, die ijvert over Jeruzalem en over Sion. Dan blijven we ook bewaard voor Jehu's ijver. Dan kunnen we ook alle toestanden en omstandigheden veilig overgeven in de hand des Heeren, de Bewaarder Israels, die niet zal slapen noch zal sluimeren.
Anders is het, als de wereld ons vaderland, en de zonde ons vermaak nog is. Dan hebben we de ijver des Heeren over Jeruzalem en over Sion te vrezen. Als Hij Israël, als Hij Zijn eniggeboren Zoon niet gespaard heeft, hoe zal Hij dan sparen, degenen, die niet gewild hebben dat Christus Koning over hen was. Let eens op de zegeningen, die God, aan de ware Sionieten geeft. Bedenk met welke straffen God straks over Babel komt, op die dag, wanneer het onderscheid gezien zal worden tussen die, die God dient, en die die Hem niet dient. Laat het een oorzaak zijn, de Heere te zoeken terwijl Hij te vinden is, en Hem aan te roepen, terwijl Hij nabij is. Zeker, ogenschijnlijk is Sion en Jeruzalem geen aanlokkelijke plaats om in te wonen. Vooral als haar muren en huizen zo in verval zijn, als in Zacharia's dagen. Nochtans heeft het dit grote voorrecht boven de steden van de volkeren rondom, dat het dit gebed niet tevergeefs bidt:
„Voer mij uit mijn gevangenis. Tot roem Uws naams, die heerlijk is; Dat mij 't rechtvaardig volk omring'. En vrolijk van Uw weldaan zing'."
(Ede)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's