Gemene gratie
Gemene gratie of algemene genade is, zoals men weet, een bestreden vraagstuk geworden. Terecht komt mr. Diepenhorst in zijn brochure (een referaat) voor de algemene genade op.
Niemand vat deze term meer op in de zin van algemeene verzoening. Toch lijkt het ons beter de uitdrukking : „gemene gratie" aan te houden. De leer ener gemene gratie vindt zonder beding grond in de theologie van Calvijn, maar dient dan toch wel te worden opgevat naar de wijze, zoals hij die ziet!
Want hoewel de beschouwingen van een natuurrecht, zoals die uit de Stoa zijn voortgekomen, zakelijk niet konden voortkomen zonder de gemene gratie, schrijven zij als zodanig aan de mens toe, wat hem van nature niet toekomt.
Het natuurrecht toch wil aan de mens nog zekere vermogens van verstand en hart toekennen, hetzij als natuurlijke vermogens, hetzij als overblijfsels van een oorspronkelijke natuur. De Romeinse anthropologic leert, dat de mens oorspronkelijk boven zijn natuurlijke mensheid een bovennatuurlijk toevoegsel zou hebben gehad. Dit laatste zou hij met zijn val hebben ingeboet, zodat de natuurlijke mens als zodanig nog goed zijnde, overbleef.
De Reformatoren verwierpen deze beschouwing en leerden, dat de mens, zoals hij in rechtheid stond, door de val ganselijk werd bedorven, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
Naar Roomse leer waren alzoo de „natuurlijke" gaven des mensen niet geschonden, hoewel die mens wel wordt bedreigd door hoogmoed en verkeerde neiging. Naar Protestantse leer echter is de mens in een staat van ongerechtigheid gevallen, verduisterd van verstand en verkeerd van wil. Die verdorvenheid is zelfs veel erger dan hij als natuurlijke mens zich bewust is. Hij bestaat onder de heerschappij der zonde. Hij derft de heerlijkheid Gods. Dood in zonden en misdaden, zo wordt hij getekend. Van een natuurlijk vermogen, een natuurlijke Godskennis en bekwaamheid ten goede kan geen sprake zijn, veel minder zelfs dan de natuurlijke mens zich bewust is. Het is vooral Calvijn, die daarop zeer ernstig wijst.
De gevallen mens ligt onder het oordeel Gods.
Wanneer wij ons rekenschap geven van het oordeel, moet het ons nog verwonderen, dat wij nog zijn, daar toch het oordeel een oordeel des doods is. Wij moeten ons verwonderen, dat nog een saamleving mogelijk is, dat de mensheid nog een geschiedenis heeft, dat er nog zoveel goeds en schoons in het leven gevonden wordt, ondanks, en te midden van alle ellende en van al het kwaad, dat in de wereld openbaar wordt. Men kan er zelfs inkomen, dat de mens zich nog wat verbeeldt te zijn, dat hij zich verheft op zijn kunnen en kennen. Hoe trots verhief zich de hoogmoed van de moderne mens, die dacht zijn leven in eigen hand te kunnen nemen en de smid te zijn van zijn eigen geluk. Geen wonder echter, dat de schrikkelijke gebeurtenissen van de laatste jaren, die dreigen met de ondergang der cultuur, het vertrouwen op de mens deed wegzinken in de chaotische toestand, die de wereldkrijg naliet.
Hoe staat het nu met dit alles? Hoe moeten wij dit zien ?
Is er nu toch nog wat goeds in de mens ? Is het dan toch niet helemaal juist, dat hij dood is in zonden en misdaden, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
De Heilige Schrift zegt het toch zeer duidelijk en zelfs de wijsgeren prediken de ondergang. Hoe klaar heeft een Nietzsche het gezien.
En toch — nóg eens, wij zijn er, de geschiedenis gaat voort en de mens zoekt zich te ontworstelen aan de greep van de dood. Er is, menselijk gesproken, nog veel goeds en schoons.
Ook voor hen, die het goddelijk gezag des Woords erkennen en in het geloof aanvaarden, rijst hier een vraag : Hoe is dat?
Ook Calvijn heeft zich met deze vraag bezig gehouden. Terecht wilde hij van goeds in de mens niet weten. Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Hoe heerlijk ook toegerust naar de orde der schepping, de mens heeft zich van zijn gaven beroofd door moedwillige ongehoorzaamheid. Geen natuurrecht. In zoverre men in de staat der rechtheid misschien plaats had kunnen geven aan zulk een gedachte, na de val zeker niet. De orde der schepping lag verbroken.
Vandaar, dat men op het standpunt van Calvijn van geen natuurrecht in de gevallen staat kan spreken en o.i. terecht. Wij merken op, dat dit zelfs door Calvijn-kenners over het hoofd wordt gezien en dat men ook op reformatorisch terrein over natuurrecht bleef spreken. Zulk een natuurrecht wil de mens altijd nog wat toeschrijven, wat hem niet toekomt. Zo spreekt men ook van natuur en genade op een wijze, die geen recht doet aan de ernst van de gevallen staat.
Immers reeds uit het feit, dat wij de levensadem ontvangen uit de spiratie van Gods Geest, zoals de Heilige Schrift ons leert, moet volgen, dat de mens, onder het oordeel Gods verkerende, uit louter genade — zelfs in zijn gevallen staat — leeft. Hij weet dat niet en kan het ook niet weten dan door de genadige openbaring Gods, juist, omdat hij gevallen is, want het is zijn zonde, dat hij als God wil zijn.
Derhalve heeft Calvijn terecht op een algemene genade gewezen, een genade Gods, die tot allen uitgaat, (niet te verwarren met een algemene verzoening). Wij gaan er thans niet op in, dat niettemin ook deze algemene genade uit het goddelijk voornemen der verzoening ons toevloeit en alzo niet buiten het werk van de Middelaar omgaat. Dat is een stuk apart. Maar daarmede hangt weer onmiddellijk samen, dat de Heere de orde van het huwelijk heeft bevestigd, waarop ook Calvijn bij zonderlijk wijst. Hij noetnt dat een bevestigde scheppingsorde.
En wijl God heeft gewild, dat de mensheid de aardbodem zou vervullen, naar het gesproken Woord, heeft Hij niet alleen de orde van het huwelijk bevestigd, en Zijn zegen de gehuwden toegezegd, maar in Zijn genade hem zoveel gaven van verstand geschonken, voor de dingen van het „natuurlijke" leven, en in de zwaardmacht der Overheid een teugel gegeven, opdat een samenleving mogelijk ware. Dit alles nu wordt bedoeld met een algemene of universele genade. Deze universele genade staat dus niet als natuur tegenover een particuliere of bijzondere genade, maar datgene, wat men aan de menselijke natuur als gaven van het goede en schone toeschrijft, is vrucht van die universele genade, welke het leven der mensen in stand houdt.
Die universele genade is voorts weer zeer verscheiden in genadegaven van verstand en hart, zoals alle gaven Gods verscheidenheid vertonen. Zo leert de Heilige Schrift, dat de Heihge Geest ook de gaven van wetenschap en kunst schenkt. Ook in de werking der universele genade is de Heilige Geest een verborgen Leermeester der mensen, al verstaan zij dat niet. Want de Heere geeft zulke gaven ook aan goddelozen.
Het is dus wel duidelijk, dat wij moeilijk kunnen spreken van het terrein der universele genade, want alle geschieden, zelfs de gruwel der zonde, geschiedt onder de universele genade.
Dit zal echter slechts erkenning vinden door de particuliere werking der genade door de verlichting van de Heilige Geest en ook deze erkenning kan nog zovele gradaties vinden in de personen, dat men hier geen algemene grenzen kan trekken. Erkenning en geloof dragen in de eerste plaats een persoonlijk karakter en komen eerst tot gemeenschappelijk belijden in het belijden der kerk, hetwelk ontsproten, is aan de wedergeboorte des harten in een nieuwe gehoorzaamheid.
Daarmede zijn wij bij het eigenlijke Schriftgeloof en de werking der bijzondere genade Gods tot kennis der zaligheid in de Heere Jezus Christus.
En nu kan men wel zeggen, dat men met de kerk op het terrein der bijzondere genade is, maar dan wordt in strikten zin de Kerk met een grote K bedoeld, de vergadering der ware Christgelovigen.
Wie zal die Kerk aanwijzen ? De Heere kent de Zijnen. Ook in de kerk als instituut worden gradatiën van geloof aangetroffen in allerlei mengeling van schijngeloof en waarachtig geloof. Vandaar dat zij behoefte heeft aan de Confessie als norma normata en haar als zodanig moet handhaven.
Er is wel aanleiding tot onderscheiding, maar van een scheiding van een terrein der algemene en der bijzondere genade kan geen sprake zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's