Antithese
De leer der „gemene gratie" heeft aanleiding gegeven tot de onderscheiding van terreinen, welke gevaar loopt een valse antithese te stellen. Zo zou het staatkundig leven zich bewegen op het terrein der gemene gratie en het kerkelijk op dat dter particuliere genade. Zonder twijfel valt de staat en de saamleving in het generaal onder de universele genade, omdat alleen deze een saamleving mogelijk maakt. Dit echter rechtvaardigt geenszins een afscheiding en veel minder nog een antithese tussen het staatkundig en kerkelijk leven. Wij gaan van de kerk in de maatschappij niet over van het ene gebied op het andere, maar wij leven als Christenen in de gemeenschap der kerk en ook in de saamleving. De Christenburger heeft in zich zelf niet een leven onder de universele en een leven onder de particuliere genade, als leefde hij twee levens. (Wij hebben hier niet het oog op de worsteling des geloofs van de oude en de nieuwe mens). De Christen is als Christen lid van de saamleving. Hij stapt niet van het schip des geloofs in de schuit van het ongeloof, als hij uit de kerk komt in het alledaagse leven. De minister, die als lid der gemeente aan haar samenkomst deelneemt, stapt niet van het terrein der particuliere genade over naar het terrein der universele genade, als hij met de staatszaken bezig is. Dezelfde Christen, die in de kerk zit, zit ook op het departement.
Alleen de roeping is een andere, der Overheid en der Kerk. Als staatsman is hij gehouden de roeping der Overheid te behartigen en als lid van de gemeente van Christus is hij: geroepen mede te dragen aan de zorg voor de vervulling van wat aan de kerk is opgedragen.
Het is ook onmogelijk, dat het een zich met het andere niet zou verdragen, want dezelfde Christus, die tot een Hoofd der gemeente is gegeven, is ook de Koning der koningen.
Indien men van terreinen gaat spreken en deze schier antithetisch tegenover elkander zou afgrenzen, zou men toch weer tot een natuur- en genade-leer naderen en in strijd komen met de universele genade. Juist dan zou men per consequentie van een Christelijke staat, van Christelijke staatkunde en Christelijke sociale actie niet met recht kunnen spreken, omdat het Christelijke karakter aan de particuliere genade hangt, terwijl een afgescheiden terrein der gemene gratie dan per sé buiten het Christelijke zou vallen. Bovendien zou dit betekenen een averechtse waardering van de goederen, welke God in Zijn algemene genade aan de mensheid schenkt. De zin van die goederen schuilt toch juist in het genade-karakter, in het gave Gods zijn. Dat juist scheidt het humanisme van het Christendom, dat de humanist aan de mens toeschrijft, wat hem niet toekomt.
Ook wie van natuur en genade spreekt, loopt gevaar aan de mens toe te kennen, Wat slechts aan de gave Gods gedankt kan worden.
Tegenover allen, die tegenwoordig wat anders beweren, houden wij vast aan het goed recht om van een Christelijke staatkunde, Christelijk-sociale actie te mogen spreken en zelfs van de idee van een Christelijke Staat.
Men praat nog al van een volkskerk (veelal juist in die kringen, die van een Christelijke levensorde, etc, niet willen weten), maar als de kerk zo grote plaats in het volk verovert, dat verreweg het merendeel dter natie bij de kerk is, wat dan ? Heeft men dan niet een Christelijke staat?
En wie zal dan de invloed van de kerkelijke confessie op het sociale en staatkundige leven afgrenzen en halt maken bij wat men acht niet meer tot het terrein der universele gratie te behoren ? Daartoe toch zou hij moeten komen, die de terreinen van particuliere en universele genade wil scheiden.
Daarentegen, hoever de particuliere genade op sociaal en politiek terrein kan doorwerken, is immers alleen van die genade afhankelijk. Als de grote meerderheid van een volk het Christelijk geloof, in waarheid deelachtig is, zal het ganse nationale leven het aanschijn der religie vertonen. Een Christelijke staat is er, als er een Christelijk volk is, als er een echte ware volkskerk in de genade is opgewassen.
Met een Christelijke staatkunde is het anders. Die kan desnoods door één man worden nagestreefd. Want bij een Christelijke staatkunde (en ook bij Christelijk sociale actie) gaat het in de eerste plaats om erkenning van de gemene gratie, om de erkenning dus van de genadegaven, die een samenleving mogelijk maken, om de erkenning van de Overheid als Cods dienaresse, om de handhaving van Gods geboden. Die erkenning wordt, in de kerk geboren.
Zo wordt een andere antithese openbaar dan die van een terrein der algemene en bijzondere genade: de antithese tussen erkenning en ontkenning, tussen geloof en ongeloof. En deze antithese is dezelfde als die tussen kerk en wereld, een antithese, die ook Christendom en humanisme scheidt.
Deze antithese involveert echter nog niet zonder meer verwerping van het humanisme. Maar het Christendom heeft een eigen waardering van het humanisme, hoewel het zijn grondslag en streven moet af wijzen. Het humanisme bouwt op de mens en uit de mens, alsof hij inderdaad op en voor zichzelf wat zou zijn. Dat is slechts zelfmisleiding, doch 't Christendom waardeert de gaven der algemene genade. Vandaar dit het imoet strijden tegen de geest van het humanisme, als tegen de geest der wereld. Daarentegen erkent het het goede en schone, hetwelk aan de saamleving ten goede kan komen, bevorderlijk kan zijn tot algemeen welzijn en bovenal tot een stil en gerust leven in alle godzaligheid, opdat God worde geëerd.
Immers aangezien de genade Gods de gevallen mens gaven des verstands schenkt in de dingen van deze wereld, kan ook de niet-Christelijke Overheid nuttige en verstandige maatregelen nemen. Worden de kinderen dezer eeuw niet voorzichtiger genoemd dan de kinderen des lichts ? En zo niet, hoe zou de wereld in stand zijn gebleven. Het heeft de Heere behaagt de volkeren en natiën veeltijds door de hand van heidenen en ongelovigen te regeren. Dit wil echter niet zeggen, dat de volkeren niet geleden hebbeji onder gruwelijke tyrannic en dat de Heere de heersers en machtigen niet als een tuchtroede heeft gebruikt. Het getuigenis der profeten is daaromtrent niet onzeker en heeft ook in onze dagen wat te zeggen.
Het wil ook niet zeggen, dat de gelovige machthebbers door een Christelijk bewind iets zouden kunnen toebrengen aan de heerlijkheid Gods, alsof zij de wijsheid en verantwoordelijkheid konden dragen zonder Zijn genade. Maar het wil wèl zeggen, dat het een zegen voor het volk afwerpt, als het wordt geregeerd door een Overheid, die de Heere vreest, en het volk gewent aan de gehoorzaamheid, welke wij schuldig zijn te brengen. Een zegen reeds daarin, dat zulk een Overheid ook de grenzen van haar gezag zal in acht nemen, welke God heeft gesteld, daardoor tegelijk het recht handhaaft en de vrijheid beschermt, welke het voor een iegelijk mogelijk maakt in zijn staat en conditie uit zijn arbeid te leven.
Alleen zo kunnen de gaven der algemene genade dienstbaar worden gemaakt aan het publieke welzijn en bevorderlijk voor de bloei van het kerkelijk leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's