SCHRIFTGEZAG
De Heilige Schrift, zoals die daar ligt, Gods Woord. Dat is voor velen een bezwaarlijke belijdenis en toch, zo is het volgens onze belijdenis. Ja, het is de grondslag der belijdenis. Het is een menselijk boek. Er is een menselijke kant aan. De menselijke factor. Deze en dergelijke opmerkingen kan men vernemen, alsof daarin het bedenkelijke schuilt, waardoor de Schrift eigenlijk niet, althans niet geheel, of slechts onder zeker beding Gods Woord kan worden genoemd.
Genoemde bezwaren hangen samen met de gedachte, dat God toch zo verheven is boven al het menselijke en door geen mensenwoord kan worden omvat. Het menselijke is zo geheel anders, zo schepselmatig onderscheiden van de eeuwige God, zo needrig en onwaardig, zo gans en al ontoereikend.
Het zou dan ook aan de leer ener mechanische inspiratie te danken of te wijten zijn, dat men zo aan de Bijbel als Gods Woord wil vasthouden. De reformatoren hebben zulk een inspiratie-leer niet genoemd en zouden dit zo letterlijk niet hebben genomen, stonden althans veel vrijer tegenover de Schrift.
Juist is, dat de leer ener mechanische inspiratie bij de reformatoren niet wordt gevonden. Wij laten thans in het midden, waar die is ontstaan. Bij Calvijn zeker niet. Calvijn heeft noch een mechanische, noch een organisdhe inspiratie geleerd. Hij had geen behoefte aan zulk een leer en stelde zich evenmin de vraag, hoe wij ons de inspiratie der Schrift hebben te denken, dan wel, hoe wij in het wonder der schepping kunnen indringen. Hoe toch zou onze menselijke geest de wonderen Gods kunnen analyseren ? Al te zeer waarschuwt hij zijn mede-Christenen om niet curieuselijk te willen doorzoeken wat ons verstand te boven gaat.
Een inspiratieleer zou ons — ook indien het mogelijk ware in de verborgenheid der inspiratie in te dringen - slechts een rationele grond bieden, waarop wij ons Schriftgeloof zouden oprichten.
Het geloof heeft geen behoefte aan zulke rationele gronden en Calvijn theologiseert uit het geloof. Hij staat in het geloof en gaat van de werkelijkheid van het geloof uit. Zoals de wetenschap van de feiten uitgaat, zo gaat hij van de feiten des geloofs uit. Zijn Schrifttheologie is gefundteerd in het feit, dat Christus' Kerk de Heilige Schrift niet maar voor Gods Woord houdt, maar dat zij zich door de Heilige Geest Gods Woord bewijst te zijn. De Heilige Geest getuigt in onze harten, dat het zo is. Een ander Christelijk geloof is er niet dan zulk een, dat door dit getuigenis wordt gedragen en daarom de Schrift als grond en regel des geloofis omhelst.
De Heilige Schrift Gods Woord krachtens het getuigenis des Heiligen Geestes, is maar niet een mogelijk aanvechtbare belijdenis, maar belijdenis aangaande het grondleggende geloofsfeit, waaruit de Kerk van Christus leeft.
Verklaring ? Wat wil men verklaring van dit feit ? Het geloof proeft dit, zoals de smaak het bittere bitter en het zoete zoet proeft.
Dat feit wordt niet veranderd in de loop der tijden, want dezelfde Geest, die het geloof werkt, werkt ook in de profeten, n.l. de Geest van Christus, die in hen was. Geen Schriftcritiek, geen leer van inspiratie of speculatie over openbaring kan iets af of toe doen van het geloof, dat God werkt.
Calvijn zou in onze tijd geenszins anders leren dan toen, maar hij zou volharden bij de leer der apostelen en profeten krachtens het getuigenis des Heiligen Geestes, waardoor hij zich verbonden wist in gemeenschap met de kerk der eeuwen aan de levende Ohristus.
Die kerk mag in onze tijd min of meer bedekt zijn en schuil gaan in het gewoel der menigte, maar zij leeft nog uit datzelfde geloof. Daarom mogen allen, die zich bekommeren om de openbaring der kerk en van haar nood gewagen, wel bedenken, dat de nood van die kerk, die uit het Woord geboren wordt, nooit zó groot is, of de trouw van de God des Woords is onuitsprekelijk groter om Zijn goddelijke barmhartigheid te bewijzen.
Het waarachtig geloof wordt gekenmerkt door een kinderlijk eenvoudig Schriftgeloof, hetwelk het Evangelie als eén hemelse leer en kracht Gods tot zaligheid leert verstaan.
De kerk des Heeren wordt niet gebouwd door redeneringen of theologische speculaties, die ons altijd weer verstrikken in het rationalisme, zelfs als men dit poogt te bestrijden. De kerk plaatst ons voor een geestelijke werkelijkheid, voor de werkelijkheid der Godsopenbaring, de werkelijkheid der Heilige Schrift, de werkelijkheid der heilsfeiten en de werkelijkheid van de goddelijke majesteit en kracht der genadte, zoals die door het geloof worden gekend en ervaren, en zonder hetwelk de verwachting des mensen ijdel is.
Daarom zal de kerk van Christus haar geloof in het Woord Gods niet prijsgeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's