Twee hoogleraren contra Groen
In een vorig artikel heb ik „de Gereformeerde Kerk" van 12 Dec. 1946 geciteerd en daar weergegeven de beschuldiging, die door prof. Van Niftrik aan het adres van Groen werd geuit. Hem werd daar ten laste gelegd, dat hij generlei wijziging der Belijdenis zou willen en daarom op dit punt niet gereformeerd zou zjjn. Prof. Van Niftrik beroept zich daarbij op dr. Noordmans en de la Saussayse Sr. Het is echter interessant te ontdekken dat deze beschuldiging nog veel ouder is en bijna zijn eeuw feest kan vieren. Niemand minder dan prof. Scholten heeft in November 1848 reeds een gelijksoortige beschuldiging aan het adres van Groen uitgesproken. Het moge enige verbazing wekken, dat op deze wijze de vader van het modernisme en een der kampvechters voor de leer van Karl Barth voor deze zaak in éen schuitje varen, maar dat zijn nu eenmaal van die ondeugende grapjes, die de kerkgeschiedenis ons levert. In elk geval geeft dit ons dit voordeel, dat wij Groen de gelegenheid kunnen geven zichzelf te verdedigen, want Groen heeft deze beschuldiging van prof. Scholten niet zonder tegenspreken aan zich voorbij laten gaan.
De beschuldiging van prof. Scholten is te vinden in de voorrede van zijn boek „De leer der Hervormde Kerk", verschenen in 1848. Hij schrijft daarin ten aanzien van de kwestie, die ons hier bezighoudt, het volgende:
. . . . . als of het zo zeker ware, dat de kerk in 1848 dezelfde uitdrukking des geloofs in alles zou begeren, als twee eeuwen vroeger in 1619. Aan de mogelijkheid echter daarvan kon de heer Groen niet denken, omdat hij op een Rooms-kerkelijk standpunt staande, aan de gereformeerde kerk, ook wanneer zij op de meest wettige wijze mocht vertegenwoordigd zijn, niet het recht toekent iets anders als waarheid aan te nemen, dan vroeger in het Formulier stond uitgedrukt. „Elk nieuw formulier" — zegt hij — „is begonnen, niet met omverwerping, maar met aanneming en bevestiging van hetgeen vroeger beslist was". Een nieuw formulier zou dus slechts de nadere verklaring, niet de verwerping van enig vroeger aangenomen leerstuk mogen bevatten. Dit nu is, gelijk men weet, het Rooms-katholieke standpunt. De onfeilbare kerk kan wel het vroeger uitgesprokene nader ontwikkelen, maar nimmer iets herroepen. De gereformeerde kerk erkent echter zulk een onfeilbare kerk niet. Het gevolg daarvan was, dat zij, inplaats van te bevestigen, zoals de heer Groen verzekert, wat op de vroegere conciliën beslist was, integendeel begonnen is met in hare formulieren te verwerpen, o.a. de beeldendienst, die op het 7de concilium oecumenicum te Nicaea in 787 was goedgekeurd ; de leer der transsubstantiatie, die door de kerk op het 4de Lateraan-concilie in 1215 was bebestigd ; en daarentegen de leer der onvoonwaardelijke voorbeschikking in 1566 vast te stellen en in 1619 te bevestigen, niettegenstaande deze op de kerkvergadering te Chiersy in 853 verworpen was. De gereformeerde kerk stelt dus de mogelijkheid, dat het formulier naar Gods Woord veranderd worde. De Dordtse Synode deed overeenkomstig dit beginsel de eed en beloofde de leer te zullen veranderen, indien zij strijdig werd bevonden met Gods Heilig Woord. De heer Groen van P. kent echter aan de kerk dat recht niet toe, en plaatst zich daarmede wederrechtelijk op het Rooms-katholieke standpunt".
Ziedaar de beschuldiging van prof. Scholten aan het adres van Groen.
De aandachtige lezer zal opgemerkt hebben, dat deze in wezen niet verschilt van de beschuldiging, door prof. Van Niftrik geuit. We kunnen er misschien dit van zeggen, dat prof. Scholten deze nog wel zo scherp heeft geformuleerd.
Groen heeft niet nagelaten de pen op te nemen om zich tegen deze beschuldiging te verzetten. In vorige artikelen heb ik reeds een en andermaal enige uitlatingen van Groen aangewezen, waaruit kon blijken, dat de beschuldiging niet op goede grond is geschied. Groen gaf zijn verdediging uit in een brochure, die tot titel voert: Repliek aan dr. J. H. Scholten, hoogleraar te Leiden. Deze brochure is echter niet anders dan een overdruk van een gedeelte van het 8ste hoofdstuk van zijn boek Grondwetherziening en Eensgezindheid, getiteld Kerkelijk Staatsrecht, geschreven in Aug. 1849, blz. 404 tot 451.
Groen schrijf daar (blz. 423 en volg.) te zijner verdediging dit neer :
Doch ik wens ook te bewijzen dat ik ten onrechte door de Hoogleeraar (Scholten) onder de Roomsgezinden geteld word.
De verdenking rust hierop, dat ik van een onveranderlijke Kerkleer gewag maak. Het feit erken ik. Is de gevolgtrekking juist ? Aan geen uitwendige Kerk is de onfeilbaarheid verknocht ; maar, zolang ik lidmaat ener kerk ben, geef ik te kennen dat zij, naar mijn inzien, in de hoofdzaak niet gefeild heeft; dat zij, in waarheid, een tak is der éne algemene christelijke, heilige en onfeilbare kerk.
De onfeilbare kerk. Gevaarlijke uitdrukking, niet waar ? De hoogleeraar mijnenthalve bekommerd, meent dat ik blijkbaar van de Protestantse begintselen afwijk. Ik ben dankbaar voor zijn belangstelling ; doch wij bevinden ons in een toestand van weerkerige bezorgdheid. Hij vreest, dat ik bijna Rooms ben ; ik vrees dat hij, in meer opzichten, en bepaaldelijk op dit punt, met de dwaling der Kerk van Rome de Christelijke waarheid verwerpt.
Zie hier wat ik bedoel. De dwaling ten aanzien van de onfeilbaarheid der kerk is, naar mij toeschijnt, deze : dat de roomsgezinde aan de uitwendigheden van het Pausdom de belofte des H. Geestes verbindt, en dus aan elke beslissing der Pauser lijke kerk onvoorwaardelijk geloof hecht, aan elk bevel dezer kerk onvoorwaardelijke gehoorzaamheid bewijst. Waarheid daarentegen, en een voor de christen dierbare en troostrijke waarheid is het, dat er een gemeente des Heeren bestaat die, overeenkomstig zijne toezegging, door de H. Geest in alle waarheid geleid wordt.
Volgens de hoogleeraar,
,,erkent de gereformeerde kerk zulk een onfeilbare kerk (die wel het vroeger uitgesprokene nader ontwikkelen, maar nimmer iets herroepen kan) niet".
Erkent ze zulk een onfeilbare kerk niet ? Toch is het een, in de meest hoge en heilige zin van het woord, onfeilbare kerk, waarvan Art. 27 der (Geloofsbelijdenis gewaagt:
„die geweest is van de beginne der wereld af, en zal wezen tot aan het einde toe ;
. . . . . . niet gelegen, gebonden of bepaald in enige plaats, of aan zekere personen, maar verspreid en verstrooid door de gehele wereld, nochtans samengevoegd en verenigd met hart en wil, in énen zelven Geest, door de kracht des geloofs".
Deze „heilige vergadering der ware Christgelovigen wordt geregeerd door des Heeren Woord en Geest.
Algemeenheid der belofte van de gave des Heiligen Geestes aan een iegelijk die gelooft, onvoorwaardelijk gezag van de Heilige Schrift, zijn tegen de Roomse Kerk door de hervorming, als grondtrekken van het Evangelisch geloof, gehandhaafd ; en, vermits ik die steeds op de voorgrond gesteld heb, had ik misschien, althans in dit opzicht, niet tegem de aanklacht slechts, maar zelfs tegen het vermoeden van Crypto-romanisme veilig behoren te zijn.
In een volgend artikel vervolgen we de verdedigng van Groen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's