diaconalia
Op het terrein van de armenverzorging ontmoeten wij verschillende instellingen, verenigingen en stichtingen, welke elk op hun wijze voor hun bepaalde kring van behoeftigen werkzaam. De Armenwet 1912, waarin de wetgever de armenzorg in het algemeen in grote lijnen heeft geregeld, onderscheidt de genoemde instellingen enz. in vier groepen, n.l. in kerkelijke-, burgerlijke-, particuliere- en gemengde instellingen. Onder hen neemt de kerkelijke armenzorg, dat is dus de diaconie, een wel heel bijzondere, een eigen plaats in. In de Armenwet is neergelegd het beginsel van subsidiariteit, d.w.z. dat in geval van noodzakelijke hulpverlening in de eerste plaats de Kerk (diaconie) wordt geroepen en de burgerlijke armenverzorging, d.i. het Burgerlijk Armbestuur, thans algemeen Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon of Dienst voor Sociale Zaken éeheten, eerst in de tweede plaats optreedt. Tot het verlenen van hulp mag de burgerlijke armenverzorging niet overgaan vooraleer vanwege de Kerk schriftelijk is verklaard, dat door haar niet wordt geholpen. Haar taak is derhalve een aanvullende. Daaraan doet niets af de omstandigheid, dat in de practijk de burgerlijke armenzorg in geldgetallen uitgedrukt een groter terrein bestrijkt dan de diaconiën.
Nu is het merkwaardig, dat van de zijde van hen, die menen dat ook op het terrein van de diaconie een nieuwe koers moet worden gegaan, dit wordt aangegrepen om aan te bevelen, dat de diaconie zich zal ontdoen van haar periodieke ondersteuningen, omdat deze in verhouding tot het geheel maar weinig meer te betekenen hebben. Men wijst er dan op, dat in 1940 door de burgerlijke armenzorg ƒ 15.— per hoofd der bevolking werd uitgegeven aan ondersteuning tegenover ƒ 3.— door kerkelijke en particuliere instellingen tezamen. Dit gevoegd bij de invoering op 1 October 1.1. van de Wet noodvoorziening ouden van dagen, maakt het stellig verantwoord, zo meent men althans, dat de diaconie ophoudt met de gewone bedeling (geen sympathiek woord, doch ik gebruik het slechts om duidelijk de bedoeling aan te geven) en deze aan de Overheid overlaat, waardoor een belangrijk bedrag zou be schikbaar komen voor allerlei ander werk, dat tot dusver achterwege bleef en van grootser allure wordt geacht. Men denkt daarbij aan de bouw van ziekenhuizen, van rusthuizen en van kindertehuizen, kinderzorg, gezinszorg, wijkverpleging, opleiding van gejzinsverzorgsters, sociale werkers, enz.
Deze gedachte moet naar mijn oordeel principieel worden verworpen, omdat zij niet minder betekent dan een miskenning van de betekenis en van de voornaamste taak (persoonlijke dienst) van de diaconie. Zij onderschat te enenmale de geestelijke betekenis van de gewone gezinsondersteuning, de gezinshulp, welke eeuwenlang het hoofdbestanddeel van het werk onzer diaconieën is geweest. Men gaat voorbij aan hetgeen in Jac. 1 vers 27 wordt gezegd, n.l. dat de zuivere en onbevlekte Godsdienst voor God en de Vader is zichzelven onbesmet bewaren van de wereld en het bezoeken van wezen en wedur wen in hun.verdrukking. Deze van God gewilde persoonlijke hulp wenst men overboord te werpen en de betrokkenen over te laten aan de burgerlijke armenzorg, welke niet anders kan zijn dan een massabedeling zonder meer, ook al mag worden aangenomen, dat de betreffende ambtenaren hen op de meest humane wijze zullen tegemoet treden. Het is mij volmaakt onbegrijpelijk, dat men van al de bovengenoemde desiderata meer verwacht voor het Koninkrijk Gods, dan van het eenvoudige diaconale werk overeenkomstig Zijn Woord.
Bovendien is het ook zakelijk gezien voor de overdracht van de regelmatig terugkerende bedélende armenzorg geen enkele reden aanwezig. Integendeel. Indien door maatregelen van de Staat velen die tot dusver werden ondersteund deze ondersteuning niet meer of niet meer geheel noodig hebben zal de diaconie in staat worden gesteld haar werkterrein te verruimen of m.a.w. haar grenzen wijder te trekken. Immers zal er dan per ondersteunde minder nodig zijn. Er wordt in deze dagen zo menigmaal gesproken over de taak van onze Hervormde Kerk met betrekking tot de herkerstening van ons volk. Welnu, op welke wijze zou daaraan krachtiger worden medegewerkt dan door het op groter schaal ondersteunen van hen die in het verleden om financiële redenen door de Kerk naar de burgerlijke armenzorg moesten worden verwezen. De diaconieën zijn in het algemeen nog niet eens toe aan hen die volgens het reglement onder haar bearbeiding behoren te vallen. Het ontbreken van de nodige middelen noopte in vele gevallen om of van ondersteuning af te zien of deze in samenwerking met de burgerlijke armenzorg te ondernemen. Zolang dit nog het geval is meen ik, dat eventueel vrijkomende gelden (men is daarover in sommige kringen naar mijn gevoelen wel wat al te optimistisch) niet voor andere hoezeer ook nuttige doeleinden mogen worden aangewend.
Het wijzen op de verhouding in geld uitgedrukt tussen de Kerkelijke- en de Overheidsarmenzorg heeft geen waarde, tenzij men zich op het standpunt stelt, dat al hetgeen tot dusver door de Overheid werd verricht door de Kerk had moeten zijn gedaan. Dit past geheel in de lijn van hen die in deze tijd steeds maar weer roepen : de Kerk, de Kerk en nog eens de Kerk, alles moet van de Kerk uitgaan. Maar voor wie als wij van oordeel zijn, dat het diaconale terrein door 's Heeren Woord is afgebakend, zegt deze verhouding niets. Het terrein van de burgerlijke armenzorg is helaas nu eenmaal belangrijk groter dan dat van de diaconie omdat zovelen onder ons volk niet meer willen weten van God en Zijn dienst. Men schrijft en spreekt over onze Hervormde Kerk alsof zij het overgrootste deel van ons volk zou omvatten. De uitkomsten van de dit jaar gehouden Volkstelling werden tot dusver nog niet gepubliceerd doch het zou niet verwonderen dat deze aantoonden dat de Kerk toch eigenlijk maar een kleine groep geworden is. En dan geven deze cijfers nog slechts de uitwendige toestand aan en zeggen niets — kunnen dat ook niet — omtrent het werkelijke kerkelijke leven. In dit licht bezien is het tegenover elkander stellen van de ondersteuningsbedragen met het doel daarmede aan te tonen, dat de diaconie haar taak niet meer aan kan, bepaald onjuist omdat dit geen gelijkwaardige grootheden kunnen worden geacht. De aangehaalde cijfers vestigen voor de buitenstaander een geheel verkeerde indruk.
In een volgende artikel hopen wij hierop nader terug te komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's