HET HUWELIJK
Calvijn noemt het huwelijk een scheppingsorde, welke door God na de val werd bevestigd. Dit is een schone visie met een rijke inhoud. Het huwelijk is alzo voor de gevallen mens een teken van Gods genade, Gemene gratie ? In het algemeen gezien, ja. Deze genadedaad gaat tot allen uit en allen, die uit onze eerste voorouders geboren zijn, genieten het levenslicht uit die genadedaad. Het welbehagen Gods is de genadebron van het menselijk bestaan, ondanks de zonde en het oordeel, dat over ons kwam. Oordeel en genade.
De Heere heeft gewild, dat het menselijk geslacht langs de weg des huwelijks de aardbodem zou vervullen. Hij heeft gewild, dat het menselijk geslacht in al zijn leden zou voortkomen en dat zij allen, een iegelijk naar zijn plaats en bestemming, zouden verschijnen in dit leven.
Reeds daaruit mogen wij verstaan, dat de bevestiging van de scheppingsorde niet de enige genadedaad Gods is, die tot de gevallen mens in het algemeen is uitgegaan. Immers in dit verband heeft het ook zijn betekenis, dat God de aarde om des mensen wil heeft vervloekt. Wat zou de gevallen mens op een aarde, die Gode geheiligd bleef ? Hij zou geen plek vinden voor zijn voet. Want, hoe zou een Gode heilige aarde de zondaar dragen en hem spijze verschaffen ? En waarmede zou die mens de hem toegemeten dagen van zijn aardse bestaan bezig zijn, die zijn goddelijke roeping weigerde te volbrengen en, daartoe ganselijk onbekwaam was geworden?
Wanneer wij deze vragen indenken, kunnen wij verstaan, welk een genade er is gelegen in het goddelijk oordeel, zodat hij in het zweet zijns aanschijns zijn brood zou eten. De aarde zou hem niet meer als een paradijskind! zijn leeftocht bieden in de uitgezochte spijze, welke God hem had toegewezen. Neen, zij zou hem doornen en distelen voortbrengen. Alleen door noeste arbeid zou hij zich het noodzakelijke voedsel kunnen verwerven. De oeconomie van alle dag zou voortaan al zijn krachten vragen. In het aardse leven zou hij opgaan, die zijn hemelse roeping had verworpen en verloochend.
De genade is echter daarmede nog niet ten einde. Immers in de genadebeschikking Gods om het huwelijk te bevestigen ligt besloten, dat Hij voor de gevallen mens nog een saamleving wilde mogelijk maken. Het huwelijk toch brengt een saamleving mede, onderstelt een saamleving. Het gezin is de cel der maatschappij, zo zegt men. In het gezin is alles aanwezig, wat men in de saamleving vindt, d.w.z. dezelfde verhoudingen, gezag en gehoorzaamheid, met elkander arbeiden, elkander leren kennen en verdragen, enz.
Het was dus niet genoeg, dat de mens tot zijn onderhoud de aarde zou bewerken, hij had ook nodig een zekere mate van verstand om de aarde te kunnen bewerken en om in de saamleving zekere orde te bestellen. Indien God de mens in zijn verdorven staat had overgegeven, zou hij zijn omgekomen. Daarom merkt Calvijn terecht op, dat de Heere de mens gaven des verstands heeft.gegeven in Zijn algemene genade, opdat een samenleving mogelijk zou zijn. En wij mogen er nog aan toevoegen, dat de Heere God zelf een verborgen Leermeester is geweest, die de mens vindingen en ontdekkingen schonk in de zware strijd des levens. (Vgl. Jesaia 28:26.)
Ten slotte heeft Hij, omdat de mens een teugel nodig had, niet alleen het werk der Wet in zijn geweten betoond, maar der Overheid de zwaardmacht toebetrouwd.
Wij rekenen al deze dingen tot de gemene gratie, omdat het ganse mensdom daaruit leeft en daarvan de vruchten plukt, ook als dit niet, of althans niet ten volle wordt verstaan en gewaardeerd. Enig besef daarvan bewijst zich zelfs bij de heidenen, zij het ook in allerlei afgoderij en in hun mythologie.
Wij rekenen dit alles tot de algemene genade, wegens de algemene strekking. En hoewel de moderne mens, niet 't minst onder het licht der bijzondere openbaring deze algemene gaven tot buitengewone rijkdom van zijn aardse leven heeft aangewend, is hij er verre vandaan zijn Schepper en Gever van al deze gaven in erkentenis te houden. Integendeel, hij schrijft zich zelf toe, wat hij Gode alleen heeft te danken en verkeert de zegen Gods in een vloek vanwege het misbruik, dat hij er van maakt. Schrik vervult hem, als hij er bii wordt bepaald, hoe zijn machtige vindingen worden aangewend tot verderfelijke wapenen, die de saamleving der volkeren bedreigen met dood en ondergang. Terwijl de geschiedenis der mensheid een klaar getuigenis geeft van deze dingen, waarvan God ons door Zijn Woord onderricht, dringt de mens deze waarheid tegen en weigert in zijn verdorven natuur de gaven Gods te erkennen.
Waartoe deze genadebeschikkingen Gods aan een verloren mensheid ? Welke mag toch de grond zijn van die genadegaven? Waarom die mensheid, die de machtigste gaven Gods slechts tot zelfmoord schijnt te bereiden, dit alles geschonken ? Zij weet er geen weg mede. Zij doet er kwaad mee.
Eèn ding kan duidelijk zijn. De eeuwige God heeft een goddelijk plan met de wereld, waartegen de overste dezer wererld en alle machten der duisternis ten slotte niets vermogen. Duidelijk is ook, dat Hij de gaven der gemene gratie niet schenkt om de verloren mensheid uit aardse leven te schenken, als ware dit het enige doel. Doch achter dit alles ligt de verborgenheid der goddelijke verkiezing. Heeft Christus niet gesproken van degenen, die Hem van de Vader gegeven zijn? Getuigt de Heilige Schrift niet van het eeuwig welbehagen, van de uitverkorenen van vóór de grondlegging der wereld, tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil tot prijs der heerlijkheid Zijner genade? (Efeze 1 vers 3 vv.).
Zo heeft de God en Vader van onze Heere Jezus Christus zich een gemeente uitverkoren in Christus de Geliefde van vóór de grondlegging der wereld.
Dat kan ons licht geven over de gemene gratie. De Heilige Schrift maakt trouwens zomin onderscheid tussen algemene en bijzondere genade als tussen algemene en bijzondere openbaring. Niettemin is er grond om deze theologisch te onderscheiden, mits wij niet vergeten, dat beide in het éne grote genadebestel Gods begrepen zijn.
De gemeente des Heeren, de Kerk met een grote K, van vóór de grondlegging der wereld verkoren, lag in de schoot der mensheid verborgen en met de verloren mensheid waren ook zij verloren, die een voorwerp waren van Zijn eeuwig welbehagen. Verloren en verzondigd, onder de vloek Gods lag ook de Bruid van de hemelse Bruidegom, de Geliefde.
Om Zijnentwil zou zij door Gods genade voortkomen als een gemeente zonder vlek en zonder rimpel. Om Zijnentwil zou de mensheid baar voortbrengen in het zondige vlees, opdat Hij haar zou opwekken in de nieuwigheid des levens. Om Zijnentwil werd de orde des huwelijks bebestigd en een saamleving door de genade Gods mogelijk gemaakt. Het huwelijk bevestigd als een afschaduwing en verborgenheid ziende op die hemelse gemeenschap, op de mystieke unie met de Christus Gods en der mensen. Vandaar de zegen des huwelijks, waarvan het formulier spreekt, dat God Zijn genade de gehuwden wil bewijzen, ook als zij dat niet verwachten. God kent de Zijnen tot in verre geslachten. Hij ziet op Zijn uitverkorenen in de Geliefde.
Groot is de zegen van de gehuwde staat, als wij op deze dingen zien mogen en in die vreze Gods erkennen.
Om der wille van Zijn Christus, dat is ook om der wille van Zijn gerneente, van Zijn Kerk met een grote K.
Zo kunnen wij heel het leven zien in het licht van de door God bevestigde scheppingsorde des huwelijks en — wat daaraan eerst zin en betekenis geeft, — van de verborgenheid des huwelijks, van de zin van het huwelijk in het licht der genade in Christus de Heere.
Maar dan wordt ook duidelijk, hoezeer in de ontheiliging van het huwelijk een openbaring der goddeloosheid moet worden gezien, en welk een taak daar niet alleen ligt voor de kerk om voor de heiligheid des huwelijks op te komen en tegen de ontheiliging te strijden, maar ook voor de overheid.
Ook voor de overheid. Immers geheel de saamleving verschijnt in het licht van de zin des huwelijks als Gods ordonnantie. Alle maatschappelijke en staatkundige vragen krijgen een ander aanzien in het licht der genade Gods. Daarom kunnen wij het niet eens zijn met degenen, die afwijzend staan tegenover het Christelijk pogen om in staat en maatschappij te streven naar een Christelijke levensorde in gehoorzaamheid aan de Wet Gods.
Overheid en maatschappij hebben een goddelijke roeping om te waken over de heiligheid des huwelijks, over een geordende saamleving naar Gods gebod, en zorg te dragen, dat een iegelijk uit zijn arbeid kan leven.
Wij erkennen volmondig, dat de overheden naar inzicht en verstand maatregelen mogen nemen, zoals in de omstandigheden nodig zijn, mits de norm van Gods Wet niet wordt vergeten, waaraan een iegelijk schuldig is zich te houden. En wij houden het daarvoor, dat een Overheid, die deze dingen voor ogen houdt; het volk ten zegen is en ook haar roeping ten aanzien der kerk vervult. Want daarin is de voornaamste bescherming der kerk, dat zij zich alzo een dienaresse Gods betoont.
En niemand, die bij de Heilige Schrift leeft uit een waarachtig geloof, kan de roeping van zich werpen om in het leven van gezin, maatschappij en staat, daarvoor op te komen. Dat stelt uitteraard een antithese met degenen, die dit alles niet willen erkennen en van geen antithese willen weten.
Daarover een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's