De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NOG EENS ANTITHESE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOG EENS ANTITHESE

7 minuten leestijd

In een vorig artikel over de antithese wezen wij er op, dat deze niet kan worden ontkend in het licht der feiten. Practisch zal dat ook niemand doen. Zelfs degenen, die van geen antithese willen weten, gebruiken telkens weer uitdrukkingen, waaruit blijkt, dat de fieiten zich niet laten negeren.

Ook zij spreken van buitenkerkelijken, van ontkerstening, en voegen een gemeenzaam wij en ons in, als zij gewagen van de roeping dter kerk en hun verantwoordelijkheid om aan haar vervulling deel te nemen. Er zijn er, die tot de kerk behoren en die er niet meer toe behoren, zij onderscheiden een „Christelijke" wereld, zij het dan tussen „van" de wereld. Zij roepen een iegelijk in de kerk op tot de arbeid der inwendige zending, het werk onder de buitenkerkelijken niet het minst.

Klaarblijkelijk komt dit op uit een theorie, een beschouwing, die de feiten niet wil aanvaarden of anders wil stellen. In de grond der zaak dus zet zich beschouwing tegen beschouwing en schijnt hier ook een kwestie van methode in het geding te zijn.

Bij nader inzien kan ook blijken, dat die beschouwingen teruggaan op controversen of tegenstrijdigheden in de diepte van het dogmatisch, om niet te zeggen theologisch denken. Daarom is de zaak niet zo eenvoudig en zeker niet onschuldig. Aanvankelijk schijnt de critiek zich te richten tegen de antithese-politiek van de Christelijke partijen, doch ook deze had haar grond niet slechts in de politieke situatie, waarin Groen zijn „tegen de revolutie het Evangelie" stelde. Ook bij Groen en zijn navolgers kwam de antithese op uit zijn geloofsovertuiging. De staatkundige antithese nam het op tegen de doorwerking van de invloed der revolutie in het volksleven. In de taal van heden zou men kunnen zeggen : tegen de ontkerstening van het openbare leven.

Van een kerstening van het maatschappelijke en staatkundige leven kan uiteraard eerst sprake zijn als er een kerk is. Naarmate de kerk in kracht en uitbreiding toeneemt in het volksleven, kan dit laatste daarvan de vitale kracht ondervinden. De geschiedenis der Christelijke aera zag een Christelijk Europa oprijzen uit het voormalige heidendom. De reformatie gaf daaraan in menig opzicht een ander aspect en zelfs niet slechts een ander aspect. Edoch, zelfs in ons land, dat overwegend de gereformeerde religie aanhing, bleef een officiële band tussen kerk en staat, hoewel van gans andere aard dan volgens de middeleeuwse leer. In de wortel der zaak was het een geestelijk verband in de wordingsgeschiedenis van de nationale zelfstandigheid en de reformatorische kerk. Vandaar, dat men met recht kan spreken van de Christelijke grondslagen van ons volksleven. Heeft niet de geschiedschrijver met recht kunnen schrijven : „Naarmate het Calvinistisch hart des volks minder klopte, werd Nederland allengs een staat van de tweede rang". (Fruin).

Wij kunnen in dit artikel niet alle argumenten aanvoeren, die verklaren kunnen, hoe ons volk allengs afgleed en open stond voor de revolutionaire denkbeelden, die in het staatkundig leven van Europa en ook van ons land zo grote verandiering hebben teweeggebracht. Op één ding echter mag wel gewezen, omdat het zo vaak aan de aandacht van velen ontsnapt. De invloed der reformatie op de staatkundige denkbeelden, inzonderheid de invloed van Calvijn, die zich veel meer dan Luther rekenschap van deze dingen heeft gegeven, heeft bij lange na niet zodanig doorgewerkt op het fundamenteel staatkundig denken, als men geneigd is te onderstellen. Integendeel, het staatkundig denken heeft zich gebaseerd op natuurrechtelijke beschouwingen, welke haar verwantschap met het humanisme niet zouden verloochenen. De invloed der reformatie was dan ook een geestelijke, welke haar kracht in de saamleving en in de traditie deed gelden, maar met het verval van het kerkelijk leven terugweek en plaats maakte voor de humanistische geest, die de denkbeelden van de tijd volgde.

Zo kwam de innerlijke controvers tussen de maatschappelijke en staatkundige denkbeelden, die in de moderne wereld om de heerschappij worstelen en die, waartoe de grondleggendte beschouwingen van Calvijn zouden voeren, aan de dag bij hen, die uit de gereformeerde religie leefden. Zij zagen de gevaren van de doorwerking der revolutionaire beginselen en wat stond hun anders te doen dan een beroep op het Christelijk volksgeweten? Waar anders kon dit beroep een klankbodem hebben dan bij degenen, die uit geloof en traditie aan de belijdenis der vaderen waren trouw gebleven ? De antithese, die nooit ontbroken heeft in ons volksleven, had zich op alle levensterrein reeds al te duidelijk afgetekend. De behoefte aan een positief Christelijke staatkunde was geboren. De strijd moest ingezet.

De antithese wortelt trouwens diep in het geestelijk leven, zoals dat in een gevallen mensheid onder de genade Gods is. Maakt de Heilige Schrift niet onderscheid tussen goddelozen en degenen, die God vrezen? Kent zij geen Gode vijandige wereldmacht? Zegt Christus niet, dat de overste der wereld niets aan Hem heeft ? Dat Hij voor de wereld niet bidt? Predikt Hij, dat wij de geboden Gods niet zullen betrachten ? Leert Hij niet, dat zelfs de nakomelingschap van Abraham kinderen des duivels en het ware zaad Abrahams telt? Spreekt Hij niet rnet onderscheiding van degenen, die Hem van de Vader gegeven zijn?

En waaraan worden de Zijnen in de wereld gekend dan hierin, dat Zijn schapen Zijn stem horen en Zijne geboden bewaren ?

Zullen wij nog meer voorbeelden aanhalen uit de profeten en de apostelen, die zelfs in Israël de antithese stellen. Heeft God geen vijandschap gezet tussen het zaad der slang en het zaad der vrouw?

Ja, maar, wij inensen dan! Wij mensen, zondaren als alle anderen, wij hebben geen recht om te oordelen. Wij hebben geen recht om scheiding te maken tussen godvrezenden en goddelozen. Wij moeten geen schotjes en partijen oprichten. Arrogantie en eigengerechtigheid. Wat spreken wij, mensen, van gezag en van recht ? Wat van een Christelijke levenshouding, van Christelijke partij. Christelijke organisatie, staatkunde en wat al meer ? Alsof wij het hebben, wij het zijn, de waarheid bij ons is.

Dan mogen wij ons weer niet aanmatigen, wat de profeten en apostelen was gegeven, terwijl men in ander opzicht ook zulk een onderscheiding niet zo zwaar tilt. En toch blijken dezelfde bestrijders van de antithese de feiten niet te kunnen weerstaan. Zij spreken van een volkskerk, waar in feite geen volkskerk meer is. Zij verdedigen die op grond van de traditie. De kerk moet weer volkskerk worden ! Welnu, stel dat zulks wederom mocht geschieden door Gods genade. Zal dan het ganse leven niet een ander aanzien vertolnen, wederom gekerstend zijn ? Ook in die gedachtengang komt dan de antithese naar voren tussen de toestand van thans en van dan.

Men moet zich toch een zeker ideaal voorstellen van zulk een gekerstende saamleving. Dat moet toch anders zijn dan thans het geval is, en men moet toch een voorstelling hebben van middelen en wegen, die men in Gods weg zich voorstelt te mogen en geroepen te zijn aan te wenden.

De vraag is nu, of zulk een ideaal, of die middelen en wegen, verantwoord zijn in het licht der Heilige Schrift. Het zou niet onmogelijk zijn, dat in dit verband controversen aan de dag zouden treden tussen de gereformeerde religie en inzichten van hedendaagse Christenen, die op een innerlijk geestelijk conflict wezen en van een geheel verschillende Schriftwaardering uitgaan. Er is aanleiding om dat te vrezen, omdat men in zekere kring zo geneigd is het gereformeerd Schriftgeloof en de geloofsgehoorzaamheid als wettisch te veroordelen. En toch kan men ook symptomen waarnemen bij dezulken, dat zij practisch meer geneigd zijn en uitgedreven worden tot dat veroordeelde standpunt, dan hun theoretisch uitgangspunt zou doen verwachten. Het waarachtig geloof vindt de antithese in eigen leven en buigt onder het juk van Christus.

Dan is er nóg wat. Christus Koning, zo roept men. Christus heeft recht op allen, zo heet het. Christus de Heere! Is men wel altijd gedachtig, dat Christus Heere en Koning dezer wereld is als Middelaar der verzoening ? Zo kan Zijn Koningschap alleen gekend en erkend worden van uit het werk der verzoening, van uit de betrokkenheid tot Zijn lichaam uit kracht der wedergeboorte. Wie zegt Evangelie, zegt kracht Gods tot zaligheid.

Maar voor alle mensen geldt het gebod : „Vreest God en onderhoudt Zijn geboden". Zonder dat gaat een saamleving te gronde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

NOG EENS ANTITHESE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's