GENADE
„Vanwaar die angstige verwordenheid, die ons allemaal op zijn tijd moedeloos kan maken en ons ook kan doen grijpen naar de zotste dingen, om nog maar ingang te vinden in de wereld. Dat is voor ons de achtergrond van een theologische problematiek, die maar niet mee kan komen met de zegswijze : het Woord moet het doen, het Woord alleen".
Ziedaar een passage uit een artikel van dr. W. Aalders in het Weekblad der Ned. Hervormdle Kerk, dd. 11 Oct. j.l. Hij is er niet gerust op. Is het misschien niet het duidelijkst, zo vraagt hij, om tot dat probleem door te stoten, om er over te spreken wat eigenlijk genade is ? „Is van genade, van het werk van de Heilige Geest alles gezegd met de begrippen acte, woord, daad? Er wordt door zeer velen tegenwoordig voetstoots van uit gegaan. Ik denk aan Noordmans, aan Lekkerkerker, aan Van Niftrik, aan De Wilde, aan de „Waagschaal-groep"' en zo velen meer. De invloed van Karl Barth is hier zeker niet vreemd aan". (Tot zover de schrijver).
Hoewel hij zich zeer voorzichtig over Calvijn uitspreekt, vreest hij klaarblijkelijk toch, dat zijn theologische invloed op zijn nazaten te rationeel bepaald, te spiritualistisch gericht is geworden. Hij vraagt zich af, of wellicht de nieuwe theologie niet te eenzijdig is in haar opvatting der genade. Hij noemt in dit verband de woorden: gratia habitualis en gratia infusa, al zijn daaraan gevaren verbonden.
Volkomen terecht is de voorzichtigheid jegens Calvijn en de onderstelling, dat het element, waarop hij schijnt te doelen in de theologie van Calvijn gemist zou worden, kan bij nader onderzoek wel eens onjuist blijken te zijn. Anderzijds kan Calvijn's strijd tegen Osiander duidelijk aantonen, dat hij niets wilde weten van een instorting van de essentiële gerechtigheid van Christus in de wedergeborene. De Christen wordt nooit een miniatuur Christus. Dit sluit echter allerminst de vernieuwende werking van de Heilige Geest in de Christen uit, als een herscheppende werkelijkheid, waaraan de afsterving van de oude mens gepaard gaat. Calijn leert zeker niet een bekering, die in het noëtische opgaat en niet méér zou geven. Dit wordt wel duidelijk in het derde boek der Institutie, waar hij over het geloof handelt. Integendeel, hij erkent, dat er een geloof is dat in leer en leven als twee druppels, water op het waarachtig geloof lijkt en het toch niet is. Er kan een illuminerende werking van de Heilige Geest zijn, die toch niet uit de kracht der wedergeboorte opkomt. De geestelijke mens is een andere dan de psychische, hoezeer deze laatste gaven des Heiligen Geestes kan ontvangen, die buiten de wedergeboorte omgaan. Calvijn leert dus een daadwerkelijke wedergeboorte door een herscheppende en inwonende kracht des Heiligen Geestes, waaruit ook de ware pietas (vroomheid, godsvrucht), geboren wordt. Als dit het meerdere is, dat dr. Aalders zoekt, kan hij dat bij Calvijn vinden.
En wat nu de uitdrukking: „het Woord alleen" betreft. Zeker, dat is zo, maar het Woord is niet zonder de Geest. Vandaar, dat Christus Zijn kerk regeert door Zijn Woord, maar dat betekent bij Calvijn door Zijn Woord en Geest. Dat gaat zover, dat men bij de lezing van Calvijn's Institutie telkens kan opmerken, dat hij de woorden: Heilige Schrift en Heilige Geest dooreen gebruikt en dikwijls in diezelfde zin, omdat hij. Schrifttheoloog is. Het laat zich verder ook daardoor verklaren, dat de gaven des Heiligen Geestes ons door en uit de Christus toekomen, wijl de Heilige Geest is de Geest van Christus, die leert, dat de Heilige Geest het uit het Zijne nemen zal. Zo komen ons de gaven der wedergeboorte en des geloofs uit de Middelaar toe. Hij zelf is het, die Zijn gemeente door Zijn Woord en Geest vergadert. Het Woord is dus nooit zonder de Geest, en Christus zelf als de hoogste Profeet en Leraar en de overste Leidsman des geloofs vergadert Zijn gemeente, door de dienst des Woords. Dit alles neemt niet weg, dat Calvijn gekeerd , was tegen de Roomse leer der genade. Dat zat om te beginnen reeds vast op de Roomse anthropologie, die een tweezijdig, karakter draagt. In het licht dier anthropologie moest aan de genade een werking worden toegeschreven, welke terugbracht datgene, wat met het donum superadditum was verloren gegaan. Dit toch had het karakter van een boven natuur. Het verliezen daarvan liet nog een natuurlijke mens na, die als zodanig goed was.
De reformatoren hebben tegelijk met de dubbele anthropologie ook de dubbele moraal van de Roomse leer verworpen. Luther en Calvijn hebben onderling wel een verschillende voorstelling van de mens in zijn rechte staat, maar zij, erkennen geen donum superadditum. De naar Gods Beeld geschapen mens viel en, werd in zijn ganse natuur verdorven. Uitvoerig handelt Calvijn over die verdorven staat. De gevallen mens kon fijn bestemming niet bereiken, zijnde onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. De genade Gods heft de mens op uit zijn gevallen staat door de toerekening ener nieuwe gerechtigheid, de gerechtigheid Gods in Christus Jezus. Als zodanig is deze gerechtigheid dus niet de gerechtigheid van de mens. Hij wordt hem door genade toegerekend, als hadde hij al de gehoorzaamheid volbracht, welke Christus volbracht heeft. De gerechtigheid is dus een vreemde (forens).
Hoe zal de mens dat weten? Hoe zal hij weten, dat hem die gerechtigheid van Christus toegeprekendi wordt ? Wat in Christus is, moet ook in ons komen. Vandaar de grote nadruk op de inwoning (inhabitatio) van de Heilige Geest. Het is die zelfde Geest, die de zondaar niet alleen ontdekt aan de gruwel der zonde en het oordeel Gods, waaronder hij verkeert, maar het is ook die Geest, die het geloof werkt in de toerekening der gerechtigheid. In zichzelve verloren, in Christus gerechtvaardigd. Dezelfde mens, de persoon, het ik, dat zich onder de heerschappij der zonde wist, weet zich door het geloof gerechtvaardigd in Christus. De heerschappij der zonde is gebroken: Dat betekent niet, dat de zondaar geen zondaar blijft, als zou hij niet meer zondigen. Maar het betekent wèl, dat hij tegen de zonde staat. Dezelfde mens, die voorheen zelfs geen besef bad van de heerschappij der zonde, zodat hij zich zelfs kon beroemen op zijn vroomheid en goede werken, onderschrijft zijn oordeel, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Het geloof is echter niet werkeloos, het gaat niet op in een aannemen van in Christus gerechtvaardigd te zijn, maar het is een kracht Gods. Niet vergeefs spreekt de Heilige Schrift van wedergeboorte. De wedergeborene is dezelfde persoon, de zondaar, die voorheen deze dingen niet verstond. In hem is een nieuw leven begonnen. Dank zij de kracht der genade, richt hij zich nu tegen de zonde. Hij vangt een strijd aan tegen de zonde en treedt in een nieuwe werkelijkheid in : simul justus, simul peccator (tegelijk zondaar en rechtvaardig). De apostel Paulus tekent deze toestand op een merkwaardige wijze: De zonde heerst niet meer over hem. Hij doet de zonde niet meer, maar de zonde, die in hem woont. Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. (Rom. 7 vers 17 v.). En de apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief : Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven en de waarheid is in ons niet. (1 vers 3). In die zelfde brief schrijft hij : Een iegelijk, die uit God gehoren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. (3 vers 9).
Zo doet dan de wedergeborene de zonde niet, maar (zoals Paulus zegt) de zonde, die in hem, dat is in zijn vlees, woont.
Zo hebben de reformatoren het ook verstaan. De genade ontsteekt niet alleen een nieuw licht in de ziel, maar wekt ook een nieuw leven. De inwoning des Heiligen Geestes is niet krachteloos of zonder vrucht, maar de genade Gods voert de herschapen mens naar zijn bestemming. „Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen". (Efeze 2 vers 10).
De mens is in zijn val een mens gebleven, zij 't ook, dat hij een verdorven mens is geworden, en ook in de wedergeboorte blijft hij een mens, maar dan een, in wie het nieuwe leven een aanvang heeft genomen. Hoewel hij dezelfde mens is, is er door de kracht der genade een verandering ingetreden, welke over al zijn willen, gevoelen, denken en handelen gaat. Het Woord Gods neemt heerschappij over hem en zo regeert Christus de Zijnen door Zijn Woord en Geest.
Hoe Christus de wereld regeert, wordt ons alzo niet geopenbaard. Door Hem regeren de vorsten, zegt de Schrift. Maar hoe Hij Zijn kerk regeert door Zijn Woord en Geest, wordt in het leven der Zijnen openbaar. Dat was de kracht der reformatie. Calvijn was Schrifttheoloog, omdat hij uit de Schrift het leven der kerk leerde verstaan, gelijk hij het ook in eigen boezem kende. Daarom wilde hij van niets anders weten dan van het Woord, dat alleen, grond en richtsnoer des geloofs kan zijn. Daarom schrijft Calvijn van het leven des geloofs onder de titel: van het Christelijke leven. Dat is zijn ethiek.
De verwording van het kerkelijk leven schuilt dan ook in geen andere oorzaak dan in de vervreemding van het ware leven der kerk, dat een schuilhoek ging zoeken in het piëtisme en ook daar slechts een armoedig bestaan vond.
Wij beweren volstrekt niet, dat allen, die zich gereformeerd noemen, dat leven kennen. Integendeel, er is een belijden met de mond, waar het geloven des harten ontbreekt. Maar wij houden ons overtuigd, dat onze gereformeerde belijdenisgeschriften uit dit leven der kerk zijn opgekomen en dat zij, die in dat leven mogen delen, het in de gereformeerde belijdenis terugvinden.
Als er van correctie sprake is in het artikel van dr. A., dan zijn wij geenszins, van mening, dat de theologie van Calvijn op het door hem in het geding gebrachte stuk in aanmerking komt. Ook niet het sacrament als „zichtbare" Woord, zoals hij het uitdrukt. Het „zichtbare" Woord is niet minder Woord. Het ontleent zijn kracht aan Hem, die het instelde. En de genadewerking van het sacrament is niet minder werking van de Heilige Geest, die het uit de Christus neemt. Het habituele, dat dr. A. zoekt, ligt in de inwoning des Geestes in de harten en niet in het sacrament. Prediking en sacrament kunnen dan ook niet in een dialectische verhoudling worden gesteld, zoals de schrijver zich wil voorstellen, zodat het actuele in de prediking en het habituele in het sacrament zou zijn. Het gaat over Woord en sacrament. De prediking draagt de genade niet over en het sacrament draagt de genade niet over. Christus zelf is de overste Leidsman, en Voleinder des geloofs. Hij is het, die woning maakt bij de Zijnen. Hij is het, die de genade schenkt. „Ik wil', dat waar Ik ben, ook degenen zijn, die Gij Mij gegeven - hebt". Hem is alle macht gegeven, in de hemel en op de aarde. Hij en Hij alleen is de Middelaar. Daarom het Woord alleen.
„De werking des Geestes is er voor het geloof in het Woord als waarheid en werkelijkheid, met het accent op de waarheid. En het is er in het sacrament als waarheid en werkelijkheid, met het accent op de werkelijkheid". Zo schrijft dr. A. Daarin is dus een neiging om de werkelijkheid van de werking des Geestes in het sacrament te incorporeren. Dit kan niet juist zijn. De werking des Geestes wordt openbaar in het gehoor des Woords en in het gebruik der sacramenten. Wanneer wij zeggen, dat Woord en sacrament genademiddelen zijn, dan betekent het niet, dat die middelen de genade instrumenteel overdragen, maar dat Christus de Middelaar door de prediking des Woords en de bediening der sacramenten Zijn genade aan de Zijnen wil schenken.
Terecht wijst ook dr. Lekkerkerker (Weekblad Herv. Kerk 25 Oct.) er op, dat het schema van dr. A. op Calvijn niet past. Evenzeer zijn wij van oordeel met dr. Lekkerkerker, dat dr. A. geen recht doet aan de historie. Het rationalisme komt werkelijk niet uit Geneve. Dr. L. wijst ook op de plaats, welke de wedergeboorte in de Gereformeerde theologie inneemt, maar wil over het leven niet al te veel gesproken hebben.
Wij laten zijn beschouwing voor het ogenblik rusten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's