Bond van Ned. Herv. Mannenverenigingen
op Gereformeerde grondslag
't Was wel zeer verblijdend, zoveel belangstelling te ontmoeten voor het werk van de Mannenverenigingen, toen Zaterdag 25 Oct. j.l. afgevaardigden en belangstellenden uit alle oorden van het land, zelfs met autobussen, waren samengekomen ter Algemene Vergadering in Utrecht.
De vergadering kenmerkte zich door saamhorigheid en eensgezindheid in een tijd van verwarring en verdeeldheid. Velen zijn daarvan getuig geweest en zij, die, om welke redenen dan ook, niet aanwezig waren, hebben heel veel gemist. Ziende op al deze dingen, dan is er reden tot verootmoediging en dankerkentenis voor den Heere, die alles wèl gemaakt heeft en ons deed binden aan het beginsel naar Schrift en Belijdenis. ......Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden, vergeet ze niet. 't is God, die z' u bewees. Met het zingen van Psalm 103 vers 1, waarna gebed en het lezen van 2 Thess. 2, opende de Bondsvoorzitter, de heer M. Noteboom, de vergadering. Spreker begon een hartelijk welkom toe te roepen aan allen, die gevolg hadden gegeven aan de uitnodiging voor deze vergadering, en gaf daarna een kort resumé van al hetgeen in de afgelopen maanden door de Bond was geschied. Hieruit bleek de grote zegen, welke de Heere had geschonken, doch hoe groter de zegeningen, des te groter ook de verantwoordelijkheid ! Uit alles blijkt, dat de komst van de antichrist toeneemt: de grenzen worden uitgewist, de kerk opent haar deuren, naar de wereld ; men bouwt in de breedte en niet in die diepte ; dogmen worden ondergraven en door menselijke vonden ondervangen. Bij dit alles is de leuze : op de bodem der belijdenisschriften. Een bange vrees vervult ons hart bij de gedachte aan de komende Kerkorde. Spreker oppert de wens, dat de Heere heden, een zegen geve, om bemoedigend huiswaarts te keren. Vervolgens dankt de voorzitter ds. J. van der Haar, voor diens bereidwilligheid om een referaat te houden op deze vergadering.
Hierna verkreeg de secretaris gelegenheid tot het uitbrengen van zijn verslag, waaruit bleek, dat het aantal aangesloten Mannenverenigingen sedert de heroprichting van de Bond met 100% was toegenomen met een totaal van 1531 persoonsleden.
Uit het verslag van de penningmeester bleek, dat de inkomsten gedurende een zestal jaren weinig betekenend zijn geweest. Gelukkig konden de gemaakte kosten worden gedekt uit het aanwezige batig slot, doch de penningmeester deed een ernstig beroep up de afdelings-penningmeesters, om zo spoedg mogelijk de verschuldigde contributie over 1947 te voldoen. Beide verslagen werden hierna vastgesteld en goedgekeurd.
De heren W. van Harten te Capelle, P. Noorlander te Krimpen a. d. Lek en W. Noorlander te Krimpen a. d. IJssel, werden aangewezen als leden van de commissie tot onderzoek van de boeken.
De referent voor deze vergadering, ds. J. van der Haar, van Kamperveen, kreeg hierna het woord.
Het behoeft geen verwondering, door heel de discussie der achter ons liggende maanden, dat men wordt bezig gehouden met de belangrijke vraag over de komende Kerkorde. Bij sommigen zal het onderwerp van heden geen instemming genieten. Immers, we moeten maar afwachten en ons niet instellen op die dingen, dat is gemis aan vertrouwen voor de toekomst. Zulke opposanten zullen misschien wel aanwezig zijn — aldus spreker — doch voor ons is de vraag te belangrijk. We zullen echter de nieuwe Kerkorde niet mogen verordelen, alvorens „de dag der Kerkorde daar is". Zaak is echter, dat we ons bezinnen op de vragen en de problemen, waarvoor wil ons gesteld zien. Het gelaat der Kerk zal straks door de nieuwe Kerkorde worden beheerst. Zullen Schrift en Belijdenis er die plaats innemen, welke aan haar toekomen ? De Kerk is geheel aan orde en tucht ontwend, zij is meermalen het toonbeeld van een grenzeloze wanorde. In elk lichaam is orde, zo ook in de Kerk. Een Kerkorde heeft niets te maken met de reglementen van verenigingen, de Kerk is geen N.V., de Kerk is niet naamloos, maar is de Kerk van Christus, waar tucht haar ordenend werk moet verrichten. God is een God van orde, daarom ook orde in de Kerk.
Spreker kan zich aansluiten bij de dissertatie van dr. Bronkhorst. In de Schrift worden wel terdege richtlijnen getrokken voor een gedegen Kerkorde, en hij weerlegt de mening van de nota (blz. 10) der commissie, als zou uit het N. Testament niet een bepaalde Kerkorde zijn af te lezen. Dit is een groot gevaar en het is allermnist Gereformeerd. Juist wèl wijst de H. Schrift beginselen aan en niet alleen gedachten, beginselen, waardoor een goede Schriftuurlijke Kerkorde wel te onderscheiden is tegen een. ónschriftuurlijke. Kerkorde en Belijdenis moeten rusten op Schrift en Belijdenis. Matth. 16—18 zeggen ons veel in dit verband, daar wordt het fundament gelegd : op deze Petra als het enige. De orde zal moeten zijn naar het onfeilbaar Woord van God, anders zal het zijn, dat zij geen dageraad zal hebben. Primair is echter, dat ook de Ned. Hervormde Kerk moet gaan leven naar het Woord van haar Koning.
Dikwijls wordt gezegd, we moeten niet vergeten, dat de D.K.O. mensenwerk is, dit betekent toch niet iets minderwaardigs ? Een overdreven nadruk wordt soms gelegd op het menselijk karakter. We stellen de D.K.O. niet op één lijn met de Bijbel, doch dit is geen minachting. Het is betreurenswaardig, dat de Synode niet op de D.K.O. is ingegaan. Waarom heeft de Synode, die beweert te staan op grond van Schrift en Belijdenis, niet meer waardij voor de D.K.O. en daardoor de continuïteit laat varen ? Vele predikanten hebben hierop gewezen. De D.K.O. stemde in met Schrift en Belijdenis en was daaraan gebonden ; thans is het geheel anders, ondanks de befaamde formule : in gehoorzaamheid aan de H. Schrift en op de bodem der Belijdenis. Het is nu niet een waarlijk leven uit Schrift en Belijdenis, maar de stemverhouding in de diverse classes is hoofdzaak. Vrijzinnigen, Ethischen, Barthianen, en ondanks dat alles, zijn er geen richtingen meer ! De aangenomen werkorde overkoepelt wel de richtingen, doch heft ze niét op. Dit komt o.m. tot uiting in het pluriforme karakter der commissie voor de Kerkorde, alles is daarin vertegenwoordigd. Dr. Gravemeijer heeft geduchte critiek op de Formulieren van Enigheid. Van een binding aan Schrift en Belijdenis, zoals Dordt dit deed, willen onze Kerk en de Synode niet weten. Ten aanzien van de Volkskerkgedachte merkt spreker op, dat er weer, evenals voorheen, plaats moet zijn voor meer dan één Belijdenis overeenkomstig persoonlijk inzicht of groepsgeloof. Elke stem wordt vrijgelaten, doch hierdoor wordt de stem der waarheid onderdrukt. Spreker hoopt niet, dat we straks krijgen een Christus belijdende Volkskerk, Het volk belijdt nu eenmaal Christus niet. We vrezen echter, dat gepoogd zal worden de Volkskerkgedachte te handhaven. Op deze wijze zal het belijdend deel worden belet samen te komen in een Schriftuurlijk Kerkverband. Daarom is nodig reformatie, een Kerk, waar het Woord van Christus gezag heeft en daar niet tegenin gesproken mag wor den. Algemeen voelt men, dat de tegenwoordige toestand leidt tot een chaos. Velen komen bijeen in Evangelisatie, de verschillende groepen worden tevreden gesteld. De schuldvraag wordt gemeden en te midden van de ontzettend grote afval gaat de scheiding steeds voort. Ondanks allerlei wind van leer, wil men Volkskerk blijven. Dit zal blijken te zijn een fata morgana. Niet ieder mag ten Avondmaal gaan — zo gaat spreker verder. — Nodig is het geloven met het hart en het belijden met de mond, doch ook leertucht moet er komen, hetgeen sinds de laatste eeuw geheel zoek is. Geweerd moet worden, wat niet is naar Gods Woord, doch hiervan wil men niets weten. Neen, leertucht voor allen zal niet terug komen. De tucht mag niet zijn een stok om te slaan, maar een staf om te gaan, zo heet het dan ; doch in de oude Kerkorde is van leer- en levenstucht genoeg sprake. God geve, dat hiernaar weder worde geleefd. Dit valt evenwel te betwijfelen. Zal men de Drie Formulieren van Enigheid niet alleen als ruggesteun, doch als grondslag aanvaarden ? Een wonder Gods kan alleen een waarachtige reformatie brengen. Spreker dringt er op aan, de inhoud van de D.K.O. te bestuderen en geeft hiervan een overzicht, alsmede van de reglementen en merkt daarbij op, dat thans het presbyteriale karakter der Kerk steeds meer wordt uitgehold, waarvoor dan in de plaats komt de Synodaal-episcopale vorm.
Ds. Van der Haar heeft vervolgens veel critiek op de beroeping van mannen als prof. Banning tot predikant in algemene dienst en de drang naar de ambtelijke positie der vrouw. De Synode wenst geen kerkelijke zaken te behandelen, doch spreekt zich wèl uit over de radio, Indonesië, vakbeweging, enz. Vele andere dingen, o.a. de Paascollecte, worden ons van boven opgelegd, waarom we thans Synodaal geregeerd worden. Dit alles is strijdig met Schrift en Belijdenis. Er is echter meer, waardoor het aangezicht der Kerk verandert : W.I.K.A.'s en het blad der Hervormde Kerk. Bij dit alles vrezen wij met beving. Hoe zal het straks gaan met de gezangen, liturgie enz. ? Onze roeping is, trouw te blijven aan de Kerk der Hervorming en daarin te strijden voor de handhaving van de H. Schrift en de Belijdenis. Dit moet ook naar buiten uitgedragen worden.
Met een krachtig opwekkend woord besloot ds. Van der Haar zijn referaat.
Een groot aantal afgevaardigden maakte gebruik van de gelegenheid tot het stellen van vragen, die door de referent op zakelijke en bevredigende wijze werden beantwoord.
Het bestuur, bestaande uit de heren M. Noteboom te Hilversum, W. F. van Dijk te Zwolle, J. Aalbers te Krimpen a. d. IJssel, ds. P. Bouw te Woudenberg, ds. P. J. F. Lamens te Elspeet en ds. A. Vroegindeweij te Veenendaal, werd in zijn geheel herkozen.
Ds. P. J. F. Lamens, van Elspeet, sprak vervolgens een slotwoord. Het was spreker in velerlei opzicht aangenaam, heden tegenwoordig te zijn. Deze vergadering spreekt van liefde voor de oude Kerk en voor de Waarheid. Voor dit alles zij God op het hoogst verheerlijkt. We zitten , — vervolgde spreker — in een woestijn, in ballingschap en de vijand trekt op tegen de levende Christus. Spreker dacht aan de geschiedenis, vermeld in Exodus 17, n.l. de strijd tussen Israël en Amalek. Daar ontstond een geweldige strijd. Mozes was biddende op de berg, met opgeheven handen naar de troon des hemels om Gods hulp af te smeken. Hierin zien we het beeld van onze Kerk. Voor ons is het daarbij niet voldoende om lid van de Bond te zijn ; wij moeten deel worden van het geestelijk Israël, Godvrezende mannen moeten er in ons midden, in onze Kerk zijn. Aärons en Hurs tot steun. De Heere is machtig Amalek te verslaan. Laat er daarom een smeken om getrouwmakende genade zijn om daaruit te getuigen en te spreken. Spreker wekt op om Gods Woord te onderzoeken, doch bovenal dat Woord biddend na te gaan. Zij onze bede : Doorgond en ken mij, dan zal er ook strijd komen tegen alles wat zich indringt. De zaak is niet verloren, want berust in handen van de levende God. Wij zijn klein in getal in deze geweldige strijd, doch de God van de Hemel zal het ons doen gelukken en krachten geven. In eigen krachten zal het niet kunnen. Mogen wij daarom verwaardigd worden bedelaars en worstelaars te worden aan de troon der genade, dan zullen wij niet beschaamd worden. Van nature is onze hand tegen de Heere. Dat wij dan niet gevoegd worden bij Amalek, dat verdelgd zal worden, doch van Hem al onze hulp en verwachting zij !
Na het zingen van Psalm 42 vers 3 en 5, ging ds. A. Vroegindeweij, van Veenendaal, voor in dankgebed, waarna deze zeer goed geslaagde vergadering werd gesloten.
(Zwolle)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's