MEDITATIE
Strijden om in te gaan
Strijdt om in te gaan door de enge poort. Lucas 13 vers 24a.
Zalig worden gaat niet zo gemakkelijk, als wel eens wordt gedacht en voorgesteld. 't Kost inspanning, 't Gaat met strijd gepaard.
Niet om de verwerving der zaligheid behoeft gestreden te worden. Zij is voor zondaren verworven door de Heere Jezus Christus. Die strijd is door Hem volstreden. Door Hem alléén. Geen schepsel heeft Hem daarin bijgestaan. Geen schepsel kan, behoeft daaraan iets toe te doen. Worden wij zalig, dan is dat slechts de vrucht van Zijn volbracht verlossingswerk.
Het deel krijgen aan de zaligheid, door Christus verworven, gaat echter niet zonder strijd. Er zijn allerlei weerstanden te overwinnen. En de sterkste weerstanden zitten bij onszelf. In 't eigen hart.
Wij willen van nature niet zalig worden. Gelukzoekers zijn we wél, Godzoekers niet. En zalig worden is: hersteld worden in Gods gemeenschap. Dat laatste willen we niet. De mens is van nature een vijand van, God. Hij wil van Hem niet weten. Geen nood, wij redden 't zonder God! Dat is zijn leus.
Daarom heeft de Heilige Geest in Zijn toepassend, zaligmakend werk, met eerbied gezegd, zo'n moeite met een mens. Niet 't minst met de godsdienstige mens. Wat een overredingskracht moet de Geest van God aanwenden om een zondaar tot Jezus te leiden!
Om zalig te worden behoeft ge u slechts aan Jezus over te geven, wordt gezegd. Slechts. . . . ! Alsof de mens dat zo maar doet: zich als een verloren zondaar aan Jezus overgeven! Alsof hij zijn verlorenheid bekennen wil!
Aan een bekeerde neger werd eens gevraagd, of hij zelf ook iets gedaan had bij het goddelijk werk van zijn bekering. Ja, ik heb tegengewerkt, was zijn antwoord. Zó doen we: God, de Heere tegenwerken. De hele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk, zegt de Heere.
Dat zijn zo enige weerstanden, die bij de mens te overwinnen zijn. Inderdaad : zalig worden kost strijd. Strijd van Gods zijde. Ook strijd van onze zijde.
Over dat laatste spreekt de tekst, die hierboven staat. Strijdt om in te gaan door de enge poort! zo roept de Heere Jezus Zijn discipelen toe.
De zaligheid wordt hier voorgesteld onder het beeld van een huis. Toegang tot dat huis geeft een poort of deur. Er is dus toegang, maar de poort is nauw. 't Kost inspanning om er door te komen.
Hoe zou het komen; dat de toegang tot het Vaderhuis zo nauw is? Is God, de Heere, zo enghartig, dat Hij slechts weinigen in Zijn huis wil toelaten ? Dit te denken, zou Godonterend zijn. Er is grote ruimte in het Vaderhart en in het Vaderhuis. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen, zegt Jezus bij een andere gelegenheid. Heel anders dus dan bij de moderne woningbouw, waarbij met het geringe materiaal gewoekerd moet. Dáár weinig kamers. In het huis des Vaders vele woningen. En de Heere wil, dat Zijn huis vol worde. (Luc. 14 vers 23). Ook onze tekst zegt niet, dat het huis eng is. Alleen de poort is eng.
Strijden om in te gaan, wil dus niet zeggen, dat wij God, Die eigenlijk onze zaligheid niet wil, bewegen moeten, ons genadig te zijn en ons een plaats in 't Vaderhuis te geven. Deze gedachte is zuiver heidens. Ook de heiden probeert zijn goden door zijn gebeden en tranen gunstig te stemmen. Ik denk aan de Babylonische boetpsalmen, waarin ontroerende tonen beluisterd worden van schuldbelijdenis en smeekgebed.
Wij behoeven de Heere niet gunstig te stemmen. Dat kunnen wij trouwens niet. God is ons, zondaren, in Christus genadig. Door onze tranen en gebeden veranderen we Zijn gezindheid niet. In ons is niets, wat welgevallen heeft in Zijn oog. Zelfs mijn tranen en gebeden, keren schuldig tot mij weer !
Men spreekt wel eens van gebédsstrijd. En men denkt daarbij aan Jacobs worsteling te Pniël. Maar vergeten wij niet, dat Jacob daar niet van zijn kant met de Heere streed. Een Man worstelde met hèm, zo lezen we. De Heere kwam Jacobs zonden in gedachtenis brengen en hem van zonde overtuigen.
Als er van gebédsstrijd gesproken mag worden, is het veel meer een strijden tegen onszelf. Tegen alles wat scheiding maakt tussen de Heere en tussen, ons hart. Om zo het aangezicht des Heeren te zoeken in ons gebed en ons neer te buigen voor Zijn genadetroon.
Nog eens: niet het Vaderhuis is eng. Alleen de poort. Hoe 't komt ? Als het niet aan God ligt, ligt het wel aan ons. Wij willen met het onze door de poort. En voor het onze is in het Vaderhuis géén plaats.
Onder het onze is hier te verstaan : onze van God vervreemde en afkerige natuur. Die natuur wordt gekenmerkt door twee dingen : door ongerechtigheid en eigengerechtigheid. Van beide moeten we bekeerd. De oude natuur moet de dood in. We moeten nieuwe mensen worden. Anders kunnen we niet zalig wordten. Hetzelfde dus wat de Heere Jezus bedoelde, toen Hij zei: tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.
Nu is zalig worden zo moeilijk, omdat wij de wedergeboorte niet willen. Wij willen onzelf, onze oude natuur handhaven. We zouden met onze zonden de hemel willen binnengaan. Of, als het niet met onze zonden is, dan met onze deugden. En voor beide is in het Koninkrijk der hemelen geen plaats. „In haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt". En elders lezen we, dat onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. Ook daarvoor dus geen plaats.
Als nu de Heere zegt, dat wij ons bekeren moeten, rijst er verzet bij ons. We geven onze zonden niet op. En zeker onze eigengerechtigheid niet. Vandaar de strijd om in te gaan door de enge poort. Het is een strijd tegen onszelf.
Zeker, ook een strijd tegen de duivel en de wereld. Satan tracht ons buiten de hemel te houden. En ook de wereld doet daartoe haar best. Maar onze gevaarlijkste vijand zijn . . . . . we zelf. Is onze oude natuur. Ze is de verrader binnen de vesting. De vijfde colonne.
Uit onszelf strijden we deze strijd niet. Wie neemt de wapens op tegen zichzelf ? Alleen door een wonder aanvaarden we de strijd. Door een wonder van Gods genade. Door de overredende kracht van des Heeren Geest. Grijpt die Geest ons in het hart, dan gaan we ons bekeren. Dan gaan we strijden om in te gaan door de enge poort.
Weten we echter wèl: de Heilige Geest werkt niet aan ons hart buiten het Woord om. Steeds maakt 'Hij van het Woord gebruik. Door dat Woord vermaant en waarschuwt Hij ons. Dat doet Hij ook door het woord van onze tekst : Strijdt om in te gaan door de enge poort.
Velen kennen dit woord. Ze geven ook de noodzakelijkheid van de strijd toe. Maar het strijden zèif stellen ze uit. Ze leven onbekommerd buiten de genade voort. Ze menen, dat ze zich aan het eind van hun leven, op hun sterfbed liggend, nog wel kunnen bekeren. Dan, op het laatste ogenblik, zouden ze zich door de nauwe poort willen heenwringen.
Een fatale vergissing! Hoe ernstig waarschuwt Jezus hen en ons : Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen! Wanneer zou dat zijn? Hier in dit leven reeds ? Zodat de oorzaak toch bij God zou liggen ? Neen, „nadat de Heere des huizes zal opgestaan zijn en de deur zal gesloten hebben".
Eens wordt de enge poort, die nu nog openstaat, gesloten. Gesloten als de Heere zal opgestaan zijn in de avondstond, zoals ook wij de deuren van ons huis des avonds grendelen.
De avondstond, waarin de Heer van 't Vaderhuis de poort toesluit, is in de eerste plaats de avondstond der wereld. De dag der zaligheid is dan voorbij. Het heden der genade opgelost in het eeuwig heden. Maar geldt het ook niet van de avondstond van 's mensen leven hier op aarde, wanneer de levenszon ter kimme neigt ? Wanneer zij ondergaat ?
Ook dan wordt voor de mens de poort van het Vaderhuis, die in zijn leven openstond, gesloten. Velen zullen dan beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, doe ons open! Maar de Heere zal antwoorden en tot hen zeggen: Ik ken u niet, vanwaar gij zijt! Ontzettend, dit te moeten horen! Verschrikkelijk: de anderen binnen, wij buiten!
O, stellen we dan de strijd niet uit! Zo spoedig kan het met ons gedaan zijn. En dan is het te laat. Voor goed te laat.
Hier in dit leven moet gestreden om de enge poort in te gaan. Gestreden tot de laatste harteklop. Want aan de strijd komt nooit een eind. De bekering duurt ons leven lang. Niemand, die hier kan zeggen : ik ben er! Onze drie doodsvijanden houden niet op, ons aan te vechten.
Sommigen hebben zulk een eigenaardige voorstelling van de zekerheid van 't heil. Zij menen, dat wanneer men de zekerheid deelachtig is, men boven alle strijd en moeite is verheven.
Blijft na de eerste bekering onze oude natuur ons dan niet bij ? Zijn Satan en wereld dan soms uitgeschakeld? Ik zou het liever willen omkeren en zeggen : wanneer we bekeerd zijn, begint de strijd eerst recht. Voordien weet een mens van geen (geestelijke) strijd.
Zekerheid van het heil bestaat. De vaste wetenschap, dat we eenmaal binnen zullen gaan in het Vaderhuis. Maar zolang we ons hier op aarde bevinden, zijn we er nog niet. We zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop.
Hier wandelen we nog door geloof, niet door aanschouwen. En geloven is strijden. Aan alle kanten wordt het geloof aangevochten. Het geloof is zeker van Gods Woord, van Zijn beloften, die in Jezus' Christus ja en amen zijn.
Maar wat een ongeloof in 't zelfde hart, waarin het geloof Woont! Wat een twijfel, door Satan er in gestrooid!
Zalig de mens, die niet in Satans woord gelooft, maar in Gods Woord. Die, hoe z'n hart hem ook verklaagt, de waarheid vasthoudt: God is meerder dan mijn hart.
Zwaar kan de strijd soms zijn. Nederlaag op nederlaag kan ons deel zijn. Soms rijst de bange vraag : zal ik er wel ooit komen ? Maar temidden van alle strijd blijft de vrede met God door God de Heere zelf bewaard. Ook helpt de Heere strijden. Ons staat een sterke Held terzij, Die God ons heeft verkoren. En door Hem mogen wij eenmaal méér dan overwinnaars zijn.
Ja, Jezus Christus, Hij is onze steun en hoop. Hoe heerlijk, dat wij niet in eigen kracht behoeven te strijden! Was dit het geval, dan was de strijd bij voorbaat reeds verloren.
Christus schenkt ons kracht. En wat een troost, dat Hij de zwaarste strijd voor ons volstreed! Hij stierf voor onze ongerechtighederi. Hij overwon de duivel en de dood. Zo heeft Hij ons de poort van het Vaderhuis, door onze zonde eens gesloten, weer geopend.
Hij is ons voorgegaan. En waar Hij is, zal ook Zijn dienaar zijn.
Door Hem slechts zullen wij ingaan. Niet dank zij onze strijd. Door Hem, door Hem alleen, om 't eeuwig welbehagen.
Jezus, help strijden ! Gij, Koning des Levens ! Zie mij omringd door gevaren en nood. Bij mij is zwakheid en onwil daarnevens ; Groot zijn de machten van hel en van dood Staat Gij, mijn God, mij niet reddend ter zijde. Waar vind ik moed dan en waapnen ten strijde ?
Jezus, help strijden ! Een zondig begeren kampt in mijn lichaam met 's Hoogsten gebod ; Wil door uw Geest mij vernieuwen, bekeren. Wil mij vervullen met liefde tot God ; Leer door Uw dood mij de zonde verwinnen. Leid in Uw paden mijn lusten en zinnen.
Jezus, help strijden ! Van U komt 't verwinnen ; Schenk mij de kroon, waarnaar 'k smachtend verlang 'k Zal, brengt G' aan 't einde de rustplaats mij binnen Eeuwig U danken met jubelgezang ; Daar ruist der zaligen lied allerwege : Van U alleen komt verlossing en zege !
(Den Ham)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's