GELOOF en BELIJDENIS
„Wij geloven met het hart en belijden met de mond" zo vangen de artikelen onzer belijdenis aan. Geloven met het hart. Daar is reeds dadelijk de mystiek des geloofs aan het woord. De belijdenis gaat over het geloof als inwendige verborgenheid, over de innerlijke betrekking met de dingen, die des Geestes Gods zijn. Als in het belijden met de mond vertolking wordt gegeven aan wat in het hart ook van de ander leeft, vallen de harten bijeen, verenigd in de gemeenschap van hetzelfde leven.
Zo is de belijdenis van Guido de Brés belijdenis der kerk geworden. Dat was het. Zo gevoelde men het ook. Guido de Brés bedoelde het een belijdenis der kerk op te stellen. Dat was ook niet zijn opdracht. Van een opdracht was geen sprake. Hij schreef, opdat de koning zou weten, wat er in dat volk van de „nieuwe leer" omging. En wat hij schreef, resoneerde in de harten van velen. Dat was hem trouwens niet onbekend. Vandaar het meervoud : wij geloven. Hij gaf vertolking aan wat er leefde in de harten zijner medegenoten des geloofs.
Geloof is dan ook maar niet een subjectief inzicht omtrent godsdienstige vragen, In die zin spreken wij dikwijls van geloof in de dagelijkse omgang des levens! Dan staat geloven tegenover weten. Wij hebben geen zekerheid ten aanzien van een zaak, en dan zeggen wij: ik denk, of ik geloof, dat het zo en zo is. Het ligt voor de hand, dat men uit dezelfde twijfel ook ten aanzien van godsdienstige aangelegenheden kan zeggen, ik denk, ik geloof. Dat alles heeft echter niets te maken met het geloof der kerk. Dit geloof toch draagt de zekerheid in zichzelf.
Wij hebben van doen met een objectieve werkelijkheid. Daarom spreekt de Schrift van het geloof, dat de heiligen is overgeleverd. (Judas). Het gaat niet over een geloof, maar over het geloof. Dat klinkt nog door in het kerkelijk spraakgebruik. Wij zeggen : die man gelooft. Zó kan men het woord in bovenaangehaalde alledaagse zin niet gebruiken. Een mens gelooft, of hij gelooft niet.
Dat betekent niet alleen, dat het geloof betrekking heeft op een objectieve geestelijke werkelijkheid, maar het geloof is daarbij inbegrepen, zijnde een gave Gods en een kracht uit die geestelijke werkelijkheid. Dit sluit niet uit, dat het geloof kan worden bestreden, en dat het met ongelovigheid heeft te worstelen, maar dat doet aan het geloof niet af. Het kan ook zo zijn, dat het geloofl toeneemt in kracht en standvastigheid, maar dan zijn wij meer bij de gelovige dan bij het geloof.
Als de theologen over de trappen des geloofs handelen, spreken zij over de gelovige mens, over het geloof, zo men wil, in zijn subjectieve gestalte. En iedere persoonlijke belijdenis op zeker punt des geloofs is niet anders dan een weergave van die subjectieve gesteldheid des geloofs.
Dat kan alles zeer verschillend zijn ten aanzien van het geloof, d.w.z. als verschillende personen zich ten aanzien van enig stuk des geloofs uitspreken, kan dat in kracht en scherpte, in inhoud en beleving uit elkander lopen, maar inzoverre dat alles betrekking heeft op het geloof, dat de heiligen is overgeleverd, zal dat getuigenis toch altijd een centrale, gemeenschappelijke eenheid en enigheid betreffen.
Zo kan het zijn, dat de gereformeerden van verschillende confessie die enigheid des geloofs beseffen, en ook dat verschillende belijdenisgeschriften: Ned. Geloofsbelijdenis, Catechismus, Leerregelen als de drie Formulieren van Enigheid, werden aanvaard. Men gevoelde, dat zij uit een en hetzelfde geloof waren ontsproten.
Daarin openbaart zich nu juist het geloof.
Wij spraken van de gereformeerden. Maar. hoe is nu de verhouding tot de Luthersen, en dan bedoelen wij de Luthersen uit de tijd der reformatie? Er zijn nog al verschilpunten in het Lutherse en het Gereformeerde belijden van toen.
Zouden de Gereformeerden de Lutherse kerk niet als kerk hebben beschouwd ? Zonder twijfel. Dathenus heeft de Lutherse belijdenis ondertekend, omdat het dezelfde religie was. Het gemeenschappelijk geloof overspande dus de confessionele verschilpunten tussen Gereformeerden en Luthersen.
Wij willen echter niet ontkennen, dat in menig opzicht de distantie tussen Gereformeerden en Lutheranen van thans groter is geworden en de vraag rijst, in hoeverre Lutheranen en Gereformeerden van hun eigen belijdenis zijn afgeweken. En als dat aan een of aan beide zijden het geval is, dan zijn zij daarmede dus ook verder verwijderd van het geloof. Bij vele zich nog Gereformeerd noemenden en bij vele Lutheranen is dat zonder enige twijfel het geval.
Het is uit dien hoofde, dat de Gereformeerden, die voor hun belijdenis opkomen, grote reserves hebben ten aanzien van de oecumenische beweging van thans. Deze beweging heeft een geheel eigen karakter aangenomen en vertegenwoordigt een eigen richting. Zij is daarvan zó overtuigd en weet zich zover verwijderd van deze Gereformeerden, dat de oecumenische beweging van Anglicanen, Lutheranen en Grieksch-orthodöxen meer verwachting koestert dan van deze Gereformeerden.
Een oecumenische beweging kan tenslotte alleen betekenis hebben als kerkelijke beweging, indien zij staat in het geloof, dat de heiligen is overgeleverd. En ten slotte zal iedere kerkformatie, die daaraan deel wil nemen, zich op dit punt hebben te verantwoorden, zo voor haar eigen leven als voor de wereldkerk. Dat geloof toch zal alleen haar kracht en de gemeenschappelijke belijdenis des geloofs zal het draagvlak van haar arbeid moeten zijn, Wij gaan daarop thans niet in, maar denken toch aan de apostolische geloofsbelijdenis als oecumenische confessie van het geloof, waarvan de Gereformeerde belijdenis een nadere uitwerking is.
De kerkelijke confessie wil trouwens niet anders zijn dan de gemeenschappelijke belijdenis van het geloof, dat de heiligen is overgeleverd. Het geloof zet ons in de kerk der eeuwen. Het geloof oefent gemeenschap met de kerk der eeuwen. In het geloof wordt Gods welbehagen in de mens gekend. In het geloof komen Godsopenbaring en het leven der kerk tezaam. Evenals in de schepping het Woord Gods uitgaat en leven en gestalte geeft aan de dingen, zo gaat het openbarende Woord uit tot de mens, levenwekkend en gestalte aannemende in het leven der kerk. Daarom wordt het gelooft niet door de mensen, maar door de hemelse leer bepaald.
De subjectieve (onderwerpelijke) gestalte des geloofs, zal zich daarom hebben te gronden op en te reguleren naar die hemelse leer en naar het leven des geloofs, dat ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld. Immers in de Heilige Schrift wordt ons ook de kerk des Heeren in haar worsteling en strijd, in haar geloof en overwinning voorgesteld. De Heilige Geest laat daar ook de kerk aan het woord komen. De Godsopenbaring gaat tot de kerk uit, maar gaat ook door de kerk heen. Daarom zal de kerk der eeuwen bij de Heilige Schrift leven, gelijk zij uit het Woord geboren wordt. Daarom ook vindt zij haar beeld in de kerk, welke ons in de Schrift wordt voorgehouden, en zij heeft de gemeenschap des geloofs met die kerk te zoeken.
Wanneer wij nu de kerkelijke confessie ter hand nemen, dan kan deze slechts uitdrukking geven aan het geloof van een vergadering van Christgelovigen, die de gemeenschap met de kerk des Heeren gevoelen en als zodanig de gestalte der kerk aannemen, zich als kerk in de wereld openbaren en krachtens hun geloof delen in de waardigheid en de autoriteit, welke God aan Zijn kerk schenkt.
Enig gezelschap kan zich ook de pretentie aanmatigen van een kerk te zijn, maar alleen de gemeenschap met de kerk des Heeren en met, het geloof, dat de heiligen is overgeleverd, kan zulk een vergadering tegen valse pretentie en aanmatiging behoeden. Daarom zal zulk een vergadering door haar belijdenis hebben te demonstreren, dat zij wortelt in het geloof der ware kerk, dat naar de Schriften is.
Indien zij in dat geloof staat, is zij ook de ware kerk. heeft zij de autoriteit der ware kerk en staat zij als de getuige van Christus in deze wereld en heeft zij de roeping in dat geloof te volharden en het Woord te bewaren. Daarin juist ligt de drang om te belijden en ten dele wordt haar belijdenis bepaald door het conflict met de geest der wereld binnen en buiten haar vergadering. Telkens wordt zij door het conflict tot bezinning geroepen. Zij wordt teruggeworpen op het Woord, teruggeworpen op haar geloof, dat de wereld overwint, en aangespoord om te verstaan, welke de mening des Geestes is. Zo gaat de kerk op aarde een weg van strijd en zegepraal. Haar belijdenis draagt daarvan de kenmerken. Er is beweging in haar belijden door de eeuwen heen. Daarom kan men spreken van een weg van haar belijden. Die weg echter blijft, zo zij zeker zal gaan, altijd de weg van het geloof der ware kerk. Daarin nu blijft zij zichzelf gelijk en onderhoudt ook de gemeenschap met de kerk der eeuwen in de volharding bij haar belijdenis, die naar de Schriften is. Immers daarin komt het waarachtig geloof tot openbaring.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's