De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MYSTIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MYSTIEK

9 minuten leestijd

De theologische discussie onzer dagen wordt gekenmerkt door een zoeken naar waarheid en door vrees enerzijds voor rationalisme, anderzijds voor mysticisme. Daarin is inderdaad gelijkenis met de reformatie. Calvijn en Luther hebben beiden met kracht gestreden tegen de geestdrijvers in hun dagen, anderzijds stonden zij tegenover de scolastiek, en men behoeft slechts de Institutie van Calvijn ter hand te nemen om spoedig onder de indruk te komen van zijii afkeer van alle speculatie. Niet curieuselijk onderzoeken datgene, wat ons niet geopenbaard is, is de telkens weerkerende waarschuwing van de Schrifttheoloog, die willen, voelen en denken zoekt te onderwerpen aan het Woord, een halt toeroepende aan de nieuwsgierige geest.

Niettemin spreekt Calvijn altijd weer over de leer, n.l de leer der apostelen en profeten, de hemelse doctrina. Dat is dan ook geen doctrinair standpunt, al handelt hij over de kennis van God en de zelfkennis. Want ook die kennis is Schriftuurlijk bedoeld, als leven. Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt. (Joh. 17 vs. 3). Van een rationalistisch Christendom is bij hem geen sprake. Integendeel onderscheidt Calvijn steeds weer tussen de ware kennis van God en de dingen, die in de hersenen der philosofen rondzweven.

Maar Calvijn is er zich ook van bewust, dat de gevallen mens, desondanks mens is gebleven, en hij veracht de gaven van verstand, wil en gevoel niet, welke God de mens ook in zijn verloren staat schenkt. En zo vergeet hij ook niet, dat God Zijn welbehagen in Christus aan mensen, ja, aan goddeloze mensen bewijst. Het is een mens, die door Zijn Geest wordt wedergeboren tot een nieuw leven en dit nieuwe leven werpt zijn licht over zijn kennen, gevoelen, willen en handelen, geeft verlichting des verstands en wekt een nieuwe genegenheid om Hem voortaan te leven, een nieuwe gehoorzaamheid en een ernstig voornemen om niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods te leven. (Vgl. Cat, Vr. 114).

De zielefuncties worden niet werkeloos of verworpen, maar dienstbaar gemaakt aan het leven der genade. (Cat. Vr. 115). Ook verstand, wil en gevoel, worden Gode geheiligd. Dat wil niet zeggen, dat het alles heilig is en dat de wedergeborene niet meer zondigt. Dat leren dezelfde vragen uit de Catechismus wel anders. (Vgl. Ned. Geloofsbelijdenis, art. 24. Leerreg. I. 16; V. 1—5). Paulus spreekt zeer omstandig over deze dingen in Rom. 7.

Men zij daarom voorzichtig en spreke niet te haastig van rationalisme, hoewel de geschiedenis aantoont, dat ook de theologie kan blootstaan aan rationalistische verwording. Wat rationeel aandoet, behoeft echter nog niet rationalistisch te zijn en wanneer er sprake is van de leer, behoeft dat nog geen doctrinaire aanmatiging te zijn. De hemelse leer des geloofs kan zelfs niet verstaan worden zonder het licht des Heiligen Geestes en het leven, dat Hij wekt. De menselijke rede is dan ook geen bron van Godskennis en van de dingen, die des Geestes Gods zijn. (Vgl. 1 Cor. 2 vs. 14). Aangezien ook de wedergeborene mens een zondaar blijft, die zonder de genade Gods niet leven kan, noch enige vrucht der bekering kan voortbrengen, kan hij ook zelfs in de leer dwalen. Wanneer wij dus over de leer spreken, is het goed, de hemelse leer voor ogen te houden en geen menselijke leer met haar gelijk te stellen, tenzij deze klaar en duidelijk met de leer der apostelen en profeten overeenkomt, waartoe ook onze belijdenis vermaant.

Zoals gezegd, is er ook vrees voor mysticisme. In zoverre terecht. Woord en Geest moeten niet worden gescheiden, niet losgemaakt of afzonderlijk gesteld, want de Geest is de Geest van Christus, die ook in de profeten was. (1 Petrus 1 vs. 11). Als het geloof is door het Woord, sluit dat geenszins de Geest uit, want dezelfde Geest, die de profeten heeft gedreven, leert ook de profeten verstaan. Christus zegt: Wij zullen woning bij hen maken, terwijl de apostel zegt : Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont ? (1 Cor. 3 vs. 16).

Zo is ook het horen des Woords een genadewerking van de Heilige Geest tot geloof. Het geloof is een gave Gods. Horen is dan ook in deze zin meer dan door het oor opnemen. Het is reeds een levensteken en een werkzaam worden met de dingen des Geestes. Dr. Lekkerkerker spreekt in zijn artikel (van 25 Oct.) naast het horen van een mystiek-reeds-willen-hebben.

Daarin komt een vrees voor mysticisme naar voren, waartoe aanleiding kan zijn. Wij denken aan de Doperse neigingen, waartegen ds. Woelderink te velde trekt. En toch willen wij daartegen een waarschuwend woord richten, opdat men ook hier met het badwater het kind niet uitwerpt. Wij verenigen ons gaarne in de strijd tegen mysticisme en geestdrijverij. Daarin is een losmaken van Woord en Geest, hetwelk ons door de Heilige Schrift niet geleerd wordt, zodat ook de tucht des Woords wordt veracht.

Anderzijds wordt de inwoning des Heilige Geestes door de Schrift nadrukkelijk geleerd, alsook Zijn levenwekkende en verlichtende werking. De mystieke unie met Christus is geen uitvinding van geestdrijvers. Maar, wat kan men dan bedoelen met het mystiek-reeds-willen-hebben ?

Schriftuurlijk gezien, kan dat slechts één zin hebben: n.l. het mystiek (d.w.z. in het geloof) deel hebben aan het nieuwe leven in Christus, deel hebben aan Zijn lijden en sterven, aan de kracht van Zijn opstanding, aan de gemeenschap Zijns lichaams.

Dat betekent geenszins een verstandelijk doordringen van de grote werken Gods. Ook in het z.g.n. natuurlijke leven is dat niet het geval. Wij leven het aardse leven mede en wij zijn ons er van bewust deel te hebben aan het leven en aan de gemeenschap der mensen. In velerlei relatiën wordt ons dat openbaar. Wij ervaren het leven, en verstaan er iets van, maar naarmate wij dieper trachten in te dingen in de verborgenheden, wordt het ons klaarder, dat wij tot het wezen der dingen niet vermogen door te dringen en vergeefs zoeken het leven te doorgronden.

Zo kunnen wij ook het geestelijke leven niet doorgronden, ofschoon het openbaar wordt in het deelgenootschap der genade. Het deel hebben aan het leven van Gods gemeente gaat niet buiten de mens om. Hij wordt daarbij betrokken met geheel zijn persoon en met zijn verstand, zijn ziel en al zijn kracht. Die betrokkenheid is zo centraal, dat ook het aardse leven in geestelijk licht wordt gezien. God wordt als Schepper en Verlosser gekend, de Gever van alle leven en de Vader van alle licht. Het geloof is maar niet een aannemen, niet een geloven, dat wij geloven, maar een kracht Gods in ons leven en een levende betrekking met God in Christus Jezus.

Niet een mystiek-reeds-willen-hebben van iets dat men niet hebben kan, of van iets dat niet geoorloofd is te hebben, maar leven. Van hebben kunnen wij ook in dit aardse leven niet dan zeer betrekkelijk spreken, omdat wij het leven niet in ons zelven hebben. Niemand leeft zichzelven en niemand sterft zichzelven. Wij hebben dit aardse leven niet, want wij leven ook het aardse leven bij de gratie Gods, maar wij leven het — op onze wijze, naar onze gedachten, of in het besef onzer vergankelijkheid en dankbare erkentenis uit de hand Gods.

Weliswaar zijn wij gewoon in dit aardse leven ons vele dingen toe te eigenen. Wij schrijven onze naam er op. Maar wij weten, dat wij toch maar zeer betrekkelijk iets het onze kunnen noemen en dat wij bovendien nog slechts rentmeesters zijn Over hetgeen ons is toebetrouwd.

En wat de geestelijke gaven betreft, ook hier geldt, wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt, en zo gij het ontvangen hebt, wat roemt gij ? Van hebben dus geen sprake. De toegerekende gerechtigheid is niet ónze gerechtigheid, maar Gods gerechtigheid. De toerekening is een daad Gods. Die toerekening blijft echter voor Gods kinderen niet verborgen. Zij worden daarbij betrokken door de Geest van Christus in een nieuwe levensrelatie, zoals die openbaar wordt in het geloof, zo duidelijk, dat de apostel uitroept: „Ik leef, maar niet meer ik, Christus leeft in mij". (Gal. 2 : 20).

De wedergeboorte is werkelijk een herboren worden, een nieuw leven met nieuwe levensopenbaring en nieuwe levenskracht uit een onvergankelijk zaad : n.l. het levende Woord Gods.

Mystiek-willen-hebben of - reeds-willen-hebben drukt een greep uit op iets, wat men niet heeft of nog niet heefjt. De vrees van dr. L. kan dus deze zijn, dat er gevaar is zich iets toe te eigenen, wat men niet kan of mag hebben met betrekking tot de geestelijke dingen. Wellicht bedoelt hij niet, wat de theologen op het oog hebben met toeëigenend geloof. Het komt ons voor, dat hij de distantie tussen God en het schepsel op het oog heeft.

Alle hebben in het geestelijke leven der kinderen Gods is dan ook slechts een delen in de verborgenheid van de gemeenschap met Christus en uit de aard der zaak mystiek. Zegt de Catechismus niet: Christus door een waarachtig geloof ingeplant zijn? En zou de wedergeborene daarvan geen besef hebben, die gemeenschap niet smaken ? Zou hij, die Christus is ingelijfd, geen levenssap ontvangen uit de Boom des levens ? En zegt Christus niet zelf, die in Mij geloofit, heeft het eeuwige leven ? (Joh. 6 vers 47).

Men zij dus ook aan deze kant er op bedacht, dat men uit vrees voor mysticisme, het waarachtige leven der kerk niet miskent. Wij hebben vóór alles het leven der kerk zuiver te stellen, zoals wij dat in de leer der apostelen en profeten vinden, om vandaar uit de strijd aan te binden tegen alle dwaling, ook die van geestdrijverij en rationahsme.

In hoeverre de leden der kerk in dit mystieke leven van de gemeente van Christus delen, in welke graad of trap des geloofs zij delen in dat leven, is niet aan ons te beoordelen. Het leven des geloofs is leven, het wordt geboren, groeit en vertoont een grote mate van verscheidenheid. Het laat zich geen menselijk schema opleggen. Doch de Heilige Geest, die de kerk der eeuwen heeft geleid in het geloof, dat de heiligen is overgeleverd, onderwijst ook de kerk van vandaag in de weg Gods, die haar wordt voorgesteld in Zijn Woord. Daarom kan ons de belijdenis der kerk aangaande deze weg niet onverschillig zijn, die ons ook op de Heilige Schrift als grond en regel des geloofs wijst.

Zo wordt ons ook het geloof, dat de heiligen is overgeleverd, als een objectieve werkelijkheid voorgesteld, waarnaar wij ons persoonlijk geloof hebben te reguleren. En naar die regel heeft zich ook het ker­kelijk leven te voegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MYSTIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's