MEDITATIE
Een troostvolle verzekering en een rijke nodiging
Al wat Mij de Vader geeft zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Johannes 6 vers 37.
Bovenstaand Schriftwoord verplaatst ons in de geest naar Kapernaüm, een stad, die door de evangelisten meermalen genoemd wordt. Zij was gelegen in het gebied van Galilea, aan het schone meer van Genésareth. Om de vijandschap der Joden te ontgaan, was Jezus uit Judea haar deze landstreek vertrokken. En eerst leek het, alsof Zijn arbeid hier rijke vrucht zou afwerpen. Immers, een schare van vijfduizend volgde Hem, en op wonderlijke wijze werd zij door Jezus gespijzigd aan de Oostelijke over van 't meer. Door dat wonder der spijziging ontvlamt de geestdrift der menigte, die deze profeet koning wil maken ! Zulk een hulde begeert echter de Heiland niet. Want Hij weet: zij volgen Hem om de wonderlijke dingen, die zij gezien hadden, maar niet, omdat die wonderen als tekenen hen hadden overtuigd, dat Hij waarlijk de Messias was. Wanneer de schare Jezus de volgende dag in Kapernaüm weer opzoekt, spreekt Hij dat openlijk uit en verwijt Hij hun hun ongeloof. Door het ongeloof van velen mislukt Zijn werk echter niet. Er zullen er komen! Hoort wat Hij zegt: „Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen".
Er is hier dus sprake van : komen tot Jezus. Dat is tot zaligheid volstrekt noodzakelijk. Zonder dat is er geen behoud en geen vrede! Echter : niet alle komen tot Jezus is het ware komen. Hoevelen kwamen tijdens Zijn aardse rondgang niet tot Hem, om Zijn woorden te horen en Zijn wonderen te zien. Maar al spoedig keerden zij terug, toen hun bleek dat Hij hun eigenwillige begeerten niet wilde bevredigen ! Het ware komen is echter zo geheel anders, 't Is niet maar een zoeken van Hem om de broden, maar als het brood, als het brood des levens, 't Is een naderen tot Hem in het besef van Zijn onmisbaarheid, een hongeren en dorsten naar Zijn gerechtigheid. En juist dat ware komen wordt bij de mens van nature gemist; Van nature toch zijn wij blind voor de diepe afgrond onzer verlorenheid, waarin wij onszelf geworpen hebben, en daarom komt het ook niet in ons op tot Christus om genade te vluchten. Wij zijn strafwaardigen, liggend onder het vonnis des doods, maar van nature verontrust ons dat niet. Neen, nooit zullen wij tot Jezus komen, tenzij de Vader ons aan Hem geeft en ons tot Hem trekt! Op dat werk, des Vaders wijst ook ons tekstwoord, als Jezus hier zegt: „Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen".
Ziet, daar is niet alleen een geven door de Vader van de Zoon aan deze wereld, en een geven van Zichzelf bij de Zoon, maar daar is ook een geven van mensen door de Vader aan Christus. Zonder dit laatste toch zou heel het plan Gods tot verlossing tenslotte nog zonder vrucht zijn gebleven. Geen hand zou Christus als de gave des Vaders hebben aangenomen. Want van nature zijn wij vijanden Gods en hebben wij de duisternis liever dan het licht. De gronddwaling van alle remonstrantisme, in welke nuancering het ook wordt voorgedragen, is, dat het deze waarheid openlijk of practisch lochent. Het neemt in de grond der zaak 's mensen verlorenheid niet volstrekt. Daarom leert het ook dat de Vader door het geven van Christus de mogelijkheid tot verlossing gesteld heeft, terwijl het dan aan de mens zou zijn overgelaten, van die mogelijkheid al dan niet gebruik te maken. Maar de Schrift leert ons hier wel iets geheel anders. De Vader, die met geven begon, is ook met geven voortgegaan. Hij geeft ook mensen aan de Zoon om Hem in dankbare verwondering als Zaligmaker te aanbidden. Al wat Mij de Vader geeft, zo zegt Christus' Zelf, zal tot Mij komen.
Let wèl: er staat niet: „allen die", maar : „al wat Mij de Vader geeft". Jezus ziet de gegevenen des Vaders als één geheel. Zij zijn tesamen Zijn volk. Zijn bruid, Zijn kudde. Zijn lichaam. En laat 't ook uw aan dacht niet ontgaan dat er staat: „al wat Mij de Vader gééft". 't Gaat dus over een werk, dat de Vader nu doet, waarmee Hij bezig was tijdens Jezus' omwandeling op aarde, maar dat tevens doorgaat tot het einde der dagen!
Wat ligt daarin een rijke troost voor het geldof. Onze dagen tonen een toenemende afval. De ontkerstening heeft afmetingen aangenomen, die men tevoren niet kende. Maar hoe bemoedigend is nu dit woord van Christus, bij alle verwarring en beroering binnen en buiten de kerk: „Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen". Neen, het werk Gods zal niet verijdeld worden! De opbouw van Jeruzalem gaat voort, het getal van haar inwoners zal vol worden. God Zelf staat in voor Zijn eigen werk, en daarom kan de kerk blijmoedig voortgaan met de prediking van het evangelie, dat middel, waardoor het geven en trekken des Vaders plaats heeft, want zij heeft de verzekering dat haar arbeid, ondanks alle tegenstand, niet ijdel, zal zijn in den Heere! En zo brengt dit Schriftwoord de kerk er niet toe om maar lijdelijk toe te zien, neen, het spoort haar juist aan tot de hoogste activiteit! Van alle kant zullen zij komen, en vormen één gemeente, uit alle volken en talen; één kudde onder één Herder!
En als ge nu vraagt, waarin dat geven des Vaders eigenlijk bestaat, welnu, waarin anders dan in het toebrengen van zondaren tot Jezus, en wel door de werking van de Heilige Geest. Die Geest overtuigt van zonde en schuld, maar ontsluit ook het zielsoog voor de volheid van Gods genade in Christus. De Heilige Geest doet eigen armoede en verlorenheid kennen, en leert zo ook de noodzakelijkheid verstaan van Christus als de éne fontein tegen alle zonde en onreinheid. En diezelfde Geest geeft de krachteloze ook voeten om tot Christus te gaan, en handen om Hem met al Zijn weldaden aan te nemen. Neen, wie geen rechte zelfkennis heef't, gewerkt door de Heilige Geest, heeft ook geen ware behoefte aan Jezus. Wie niet komt als een in zichzelf verlorene en gans veroordeelde, komt bij Hem niet in waarheid uit. Als zulk een gans veroordeelde kwam de hoofdman van Kapernaüm, toen hij beleed : „Heere, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen". En zo kwam ook de moordenaar aan het kruis, die zijn smeking deed uitgaan tot Jezus. Ja, waarlijk : „al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen!" Zij komen en blijven niet weg, want er is een overtuiging des Geestes in de ziel, dat er bij niemand anders uitkomst is te vinden dan bij Jezus! Zij komen, neen, niet met hun deugden, maar met hun zonden. Zij komen om door Hem gered, door Zijn bloed gerechtvaardigd te worden! Welnu, gij, die in Jezus roemt, zijt ge zó tot Hem gekomen ? Werd uw komen geboren uit de nood van uw ziel ? Dan alleen draagt uw komen het stempel van de leiding en het werk des Geestes. Wie niet kwam in 't besef van eigen onwaardigheid, die vreze! Hij zal ervaren dat een roemen in Jezus met de lippen alleen niet genoeg is! Wanneer uw komen daarentegen geboren werd uit een levendig besef van uw ellende en nood, laat dan ook niets u weerhouden om Hem aan te roepen en daarin te volharden, evenals de Kananese. Heb dan zulk een indruk van Zijn wondere goedheid en liefdevolle ontferming jegens ellendigen, dat het- u is, alsof Jezus voor u alléén is! Want Zijn Naam is Jezus, dat wil zeggen: die een gebonden en dóór de nood in de engte gedreven volk in de ruimte stelt. Hij nodigt u Zelf zo lieflijk en zegt: „Toon Mij uw gedaante, en laat Mij uw stem horen!" Geen ziel, hoe diep ook gezonken, of Jezus kan en wil haar verlossen. Zoek dan niet langer naar enige grond in uzelf, maar werp het alles van u, om Hem te mogen gewinnen. Hij wacht om genadig te zijn, om de volheid van Zijn schatten te leggen in ledige handen. Want Hij verzekert het hier Zelf : „en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen!"
Misschien vraagt ge of deze verzekering niet in strijd is met het verband van ons tekstwoord. De schare kwam immers tot Hem en toch wilde Jezus haar hulde niet aanvaarden! Zeker, maar deze mensen kwamen ook niet in de ware zin van het woord. Zij zochten Hem om de broden, maar niet als het brood des levens. En voor dezulken houdt Jezus Zich doof. Wanneer daar echter een hart uit de nood tot Hem schreit, geldt ten volle Zijn woord: „Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen".
„Geenszins", wat is dat een moedgevend woord vóór alle verslagen en kleinmoedige harten! Neen, de Heere wijst ze geenszins af. Geenszins, al klaagt alles u aan. Geenszins, al is de berg van uw schuld hemelhoog. Wanneer ge komt met de belijdenis uwer ongerechtigheden, dan staat Jezus daar met uitgeslagen armen, en reeds van verre hoort ge Zijn vriendelijke stem : geenszins! Hoe rijk en ruim is de nodiging, die ge hier van Zijn lippen beluistert. Wanneer ge dan ook op dit nodigend woord geen acht geefit, wordt gij uitgesloten, niet omdat Gód u uitsluit, maar omdat ge uzèlf uitsluit! En zeg nu niet: maar ik kan toch uit mijzelf niet komen, dan moet ik toch door de Vader aan de Zoon gegeven worden! Ziet, zo probeert menigeen zich te verschuilen achter de belijdenis van eigen onmacht. Zeker, 't is waar: het ware komen is alleen vrucht van het geven des Vaders. Maar ge blijft verantwoordelijk voor uw niet-komen, dat getuigt van uw onwil en vijandschap tegenover de genade Gods! Schuif dus niet de oorzaak van uw ongeloof van u af op. God. Dat zal ons immers niets baten, maar juist te dieper doen wegzinken in de oorden des doods. Maak veeleer heden nog ernst met Gods heilig bevel : „Bekeer u, en geloof het evangelie!" Ja, wanneer ge daarmee ernst maakt, heilige ernst, dan zult ge uw eigen machteloosheid leren kennen, niet als een dood stuk belijdenis, maar als een levende realiteit. Als echter in de diepte der zelfkennis al onze heerlijkheid in machteloosheid vergaat, wordt de Heere alleen groot! In zulke machtelozen verheerlijkt Hij dan Zijn almacht. Aan dezulken vervult Christus Zijn woord: „Al wat Mij de Vader geefit zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen!"
Welk een onzegbaar voorrecht werd ons deel, wanneer wij tot Hem leerden komen om Hem aan te nemen door het geloof. Want dan werden wij in die weg ervan verzekerd, dat ook wij door dte Vader aan de Zoon gegeven zijn! Dan ontvingen wij de rijkste schatten: vergeving der zonden, vrede en blijdschap dóór de Heilige Geest. En dat alles niet om enige verdienste of waardigheid onzerzijds, maar uit louter genade. Dat uw leven dan ook een leesbare brief zij van Christus. Straks ontvangt ge de volle erfenis, die in de hemelen voor u bewaard wordt. Dan zullen alle verlosten de Drieënige God eeuwig danken voor Zijn verlossing en zeggen : „Lof zij de Vader, en de Zoon, en de Heilige Geest!"
(Zeist)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's