De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GODS WOORD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GODS WOORD

7 minuten leestijd

Wij belijden, dat dit Woord Gods niet is gezonden noch voortgebracht door de wil des mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben het geschreven, gelijk de H. Petrus zegt. (Art. III der Ned. Geloofsbelijdenis).

Met dit beroep op de apostel vangt de belijdenis aan, als zij de Heilige Schrift aan de orde heeft gesteld. Wij wijzen daar nogmaals op, omdat aan de reformatorische belijdenis aangaande dit uiterst fundamentele stuk des geloofs in onze dagen wordt getornd. Er zijn toch theologen, die Gods Woord en het geschreven Woord, de Heilige Schrift, uitéén rukken. Het geschreven Woord, zoals dat daar ligt, zou niet Gods Woord zijn. Wel zou Gods Woord er achter staan. Zonder een openbarende daad Gods zou de Heilige Schrift niet tot stand gekomen zijn. Maar tussen die openbarende daad, het spreken Gods, en het Woord, zoals dit in de Heilige Schrift gestalte verkreeg, ligt een scheidingslijn, tussen openbaring en getuigenis, tussen het goddelijke en het menselijke. De Heilige Schrift zou dus eigenlijk een menselijk boek zijn.

Aangezien wij echter geen ander getuigenis aangaande de goddelijke dingen hebben, en hoewel men volstrekt goddelijk gezag aan dat getuigenis ontzegt, hanteert men het toch in zijn theologische beschouwingen en bewijsvoeringen als gezaghebbend en heeft men er onder zekere restrictie geen bezwaar tegen van Gods Woord te spreken.

Op zich zelf kan men dat als een zaak van persoonlijke overtuiging of inzicht la­ten voor wat het is. Maar men achte het toch niet onschuldig ten aanzien van de Dienst des Woords en het kerkelijk leven. Een iegelijk toch kan begrijpen, dat deze waardering van het Schriftwoord een andere is dan die der gemeente. Vandaar dan ook, dat men theologen als boven bedoeld, veelal hoort optreden tegen wat zij noemen wettische opvattingen, letterknechten, etc. Dat heeft inderdaad nog niets uit te staan met het apostolisch vermaan, dat de Schrift geestelijk moet worden verstaan, maar het maakt de banden met het geschreven Woord los en opent de deur voor allerlei willekeur in geestelijke en zedelijke vragen.

Het geloof der gemeente houdt vast aan de oude belijdenis aangaande de Heilige Schrift en zolang zij een levende gemeente van Christus is, zal zij daaraan blijven vasthouden, omdat zij uit het Woord leeft en door de Heilige Geest in dat geloof wordt bevestigd. Wij spreken van het geloof d'er gemeente, en niet van de theologie der gemeente. Deze kan er mede samen hangen, maar theologie is nog wat andters dan geloof. Het waarachtig geloof laat zich dan ook geen theologie opdringen, welke op zulk een fundamenteel stuk met het leven des geloofs in strijd is.

Dat weet men trouwens wel. Vandaar het pogen om zijn afwijkende inzichten te verdedigen als goed reformatorisch ; althans zich op uitdrukkingen van reformatoren te beroepen, als zouden deze in dezelfde geest gedacht hebben. Er is iets onwaardigs in onder dekking van orthodox klinkende uitdrukkingen een andere leer te brengen dan welke de gemeente daarin overeenkomstig haar confessie wil beluisteren.

En zou men nu heus menen, dat enige theoloog op het stuk van het Schriftgeloof de levende kerk er toe zou kunnen bewegen het gezag van apostelen en profeten in te ruilen voor het zijne ? Petrus betuigt, dat de Geest van Christus in de profeten was. En dezelfde Geest, die dat aan Petrus heeft geopenbaard, getuigt ook in degenen, die van Christus zijn. Er kunnen vele meesters zijn, maar de opperste Leidsman en Voleinder des geloofs is Christus, die gezegd heeft: Eén is uw Meester, en alzo bij de Zijnen wordt gekend door de onderrichting van Zijn Geest.

Het is dan ook niet zonder oorzaak, dat de confessie boven aangehaald zich beroept op het woord van de apostel, die niet naliet de gemeente telkens weer te bepalen bij het profetische Woord. En het geloof der reformatoren aangaande de Heilige Schrift wordt wel onwederlegbaar gedemonstreerd in deze tekst. „Niet gezonden, noch voortgebracht door de wil des mensen". Niet gezonden. Het gaat alzo over het gezonden Woord, over het Woord, dat in de wereld gegeven is, het Woord, dat in de Heilige Schrift voor ons ligt. Van dat Woord wordt getuigd, dat het niet is gezonden, noch voortgebracht door de wil des mensen. Die uitdrukking „niet door de wil des mensen", herinnert ons aan een andere: „niet door de wil des mans". Deze laatste ziet op dte geboorte van Christus, op de vleeswording des Woords, op de ontvangenis van de Heilige Geest. Zo is het duidelijk, dat Petrus de zending en het ontstaan van de Heilige Schrifit ontrukt aan enige menselijke oorsprong en enig en alleen toeschrijft aan de Heilige Geest. Van een menselijk boek in die zin is dus geen sprake. De Heilige Schrift is menselijke gestalte, omdat zij voor de mens bestemd is. God wil zich aan de mens openbaren. En het lijdt ook geen twijfel dat Petrus het profetische Woord op het oog heeft, dat hem als geschreven Woord bekend was; over het Woord, zoals dat in de synagoge uit de rollen werd gelezen, waaruit hij de Meester had zien ïezen, die hem ook de Schrift geopend had. Het gaat over het overgeleverde Woord, in zijn menselijke gestalte en niet over een ander woord, een Woord in menselijke spraak weliswaar, maar daarom niet minder een goddelijk Woord.

God de Heere is toch ook de Schepper van de mens, de Schepper van zijn taal en redevermogen, en was het niet des mensen hoogste voorrecht en bestemming in de kennis van zijn Schepper het leven te hebben ? Zo moet dan ook de gave der taalreeds in het welbehagen Gods om zich aan de mens bekend te maken, met hem te spreken en gemeenschap te willen hebben, besloten zijn als een voertuig Zijner openbaring en een orgaan tot Zijn dienst.

Daarom kan ook de uitbeelding dier goddelijke sprake in letters en tekenen aan de werking, kracht en heerlijkheid van het Woord niets afdoen. De taal is wat anders dan letters en tekens, al wordt zij ook daarin uitgedrukt. Taal is als zodanig onder de mensen mededeling, openbaring en verklaring; Taal is ook meer dan woord en zin. Taal is leven, levensvertolking en gemeenschapsoefening. Letters en tekens zijn op zich zelf niets, maar zij roepen een wereld van voorstellingen, aandoeningen en gevoelens wakker, welke overeenkomt met de wereld van voorstellingen, aandoeningen en gevoelens, waaraan zij expressie geven. Zo is reeds de taal onder de mensen in zekere zin scheppend, oproepend een bepaalde compositie in het bewustzijn van de andere.

En zou dan de Schepper van de menselijke taal zich daarvan niet bedienen kunnen om de ziel van de mens te vervullen van de goddelijke dingen ? Zijn Woord toch is op goddelijke wijze scheppende kracht. Dat Woord is Geest en leven.

Nu, zal men zeggen, dan is er toch wel een onderscheid tussen het spreken Gods tot de profeten en het geschreven Woord. Dit laatste geeft dan slechts een beeld van het Woord in letters en tekens. Dat is ook zo. Waneer iemand ons een brief schrijft, geeft hij ook een beeld in letters en tekens van wat hij zeggen wil. Dan echter zeggen wij niet, dat zijn slechts letters en tekens, omdat de zaak, waarover het gaat, wordt aangeraakt. Letters en tekens zijn slechts hulpmiddelen, die het woord van de schrijver rechtstreeks overbrengen en werkzaam maken in onze ziel. Dit betreft aardse zaken en nochtans kan zulk een woord alleen maar werken voorzover hetgeen in de schrijver leeft, resoneert in het gemoed van de lezer.

Zo kan ook het profetische Woord, dat in geschreven gestalte tot ons komt, slechts als Godssprake worden verstaan, indien en voorzover er gemeenschap met de goddelijke dingen is. Daarom bewijst het Woord zijn goddelijke kracht juist daar, waar het Zijn wederbarende en herscheppende kracht openbaart en zich zelf als Gods Woord aandient. En zelfs ook daar, waar God Zijn Woord doet gepaard gaan met een zekere illuminatie van Zijn Geest, zodat er een niet te ontkennen besef is, dat het profetische woord Gods Woord is en zijn goddelijke kracht in de wereld bewijst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

GODS WOORD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's