Dat zal waarachtig wel waar zijn!
Prof. Miskotte is wel eens heel duidelijk in de ontboezemingen, die hem bij gelegenheid uit de mond vallen, en zoo tussen haakjes terecht komen, alsof het er eigenlijk niet bij hoort.
De kwestie van de kinderdoop zit hem een beetje moeilijk. Welbeschouwd toch weer niet de kinderdoop, want prof. Miskotte neigt er toch het meest toe die te behouden, en hij vindt ook, dat de kinderdoop zo verankerd zit in onze belijdenisgeschriften. Dit schreef hij althans onlangs en wij herinneren ons ook toen weer zo'n zin tussen haakjes, zo iets als voor zover zij nog gelden.
De kinderdoop als zodanig brengt voor hem niet de grootste moeilijkheid, maar dat de door hem zo zeer geëerde meester prof. Barth die afwijst en dat de kerk, de gerefiormeerde belijdenis en de reformatorische traditie dat niet doet. Dat is de moeilijkheid.
Wij kunnen dat begrijpen, want wij hebben ook wel eens moeilijkheden gehad omtrent de kinderdoop en bij ons ging het ook niet over de kinderdoop op zichzelf. Wij geloven echter, dat het bezwaar tegen de kinderdoop als zodanig, behalve dan bij de Dopersen, zeldzaam is. Onze moeilijkheid vond meer oorzaak in de kerkelijke wantoestand en het onheilig gebruik van de kinderdoop, waardoor deze toestand van jaar tot jaar werd verergerd.
Prof. Berkhouwer heeft een goed boek geschreven, en vele mensen hebben zich over de zaak uitgelaten, maar het heeft prof. Miskotte niet kunnen overtuigen dat Barth dwaalt. Dat zal intussen niet gemakkelijk zijn. De vraag is zelfs, of prof. Miskotte wel overtuigd zou willen worden, want als het zoeven genoemde boek zich, zoals prof. Miskotte schrijft, verdiept in allerlei vragen, waarin Barth van de reformatoren afwijkt, dan voegt hij bovengestelde zinsnede daaraan tussen haakjes toe : dat zal waarachtig wel wáár zijn. (Cursivering van ons) . Deze woorden zijn alzo zeer duidelijk Prof. Miskotte stemt niet alleen toe, dat Barth afwijkt van de reformatoren, maar is die afwijkende overtuiging zozeer toegedaan, dat hij het een ander eigenlijk zo min of meer kwalijk neemt, als hij van het tegendeel doet blijken, vooral als hij aan de gereformeerde confessie vasthoudt.
Wij betreuren dat in de eerste plaats voor prof. Miskotte, maar dan ook voor de kerk.
Als het waarachtig wel waar zal zijn, dat de theologie van K. Barth in allerlei vragen van de reformatoren afwijkt, komt hij, die zich zo uitspreekt en deze theologie verdedigt, dan niet in conflict met zijn kerkelijk geweten ? De confessie der kerk kan men toch niet voor een particuliere mening houden, terwijl het volstrekt niet vanzelf spreekt; dat de kerk die afwijkende meningen, die toch altijd nog particuliere inzichten zijn, zou inruilen voor haar reformatorische belijdenis. Het respect voor de kerk en haar belijdenis mag doen verwachten, dat men althans, indien men van oordeel is, dat zij in haar confessie dwaalt, de zaken, waarin zij volgens haar confessie wordt geacht te dwalen, punt voor punt klaar en duidelijk en bij het licht der Heilige Schrift aan de orde stelt.
Dat zou slechts verhelderend kunnen zijn. Wij denken aan de bekende formule: „Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift op de bodem der belijdenisgeschriften".
Ten slotte heefit de kerk haar belijdenis en indien deze niet is naar die enige grond en regel des geloofs, n.l. de Heilige Schrift, welke zij als goddelijke Schriftuur aanvaardt, dan is het een levenskwestie, dat zij daarbij rechtstreeks wordt bepaald dtoor wie daarvan overtuigd meent te zijn.
Wat nu de kinderdoop aangaat, heeft het er alle schijn van, dat de afwijzing van prof. Barth, ook bij degenen, die onder zijn invloed staan, geen algemene instemming vindt, en dat zij niet zozeer overtuigd zijn, dat de kerk dwaalt. Het moge voor hen moeilijk zijn exegetisch tot een beslissing vóór de kinderdoop te komen, het zal waarlijk niet minder moeilijk zijn een getuigenis tegen te vinden. Men beredeneert wel een volgorde: Woord, geloof, doop, of beter ware Woord, belijdenis, doop, en verbindt daarmede feitelijk wedergeboorte en doop, want, wat ander geloof zou men mogen bedoelen dan geloof uit de wedergeboorte ? — Maar is men er dan ?
Het gaat toch niet om de doop van volwassenen of kinderen, maar om de doop van gelovigen of niet- (nog niet) gelovigen. De zaak, waarop het aankomt, is geloof, en waarachtig geloof is een gave Gods, dus uit kracht der wedergeboorte.
Wie persoonlijk geloof als uitgangspunt stelt voor de doop, maakt de doop vast aan persoonlijke wedergeboorte. En dan staat men bij de doop van volwassenen en van kinderen (der gelovigen) voor dezelfde moeilijkheid, dat wij geen kenners der harten zijn en dat het oordeel daarover ons niet is gegeven.
Belijdenis is een zaak van goede trouw, maar wij hebben geen criterium, of zij uit een waar geloof dan uit andere motieven geschiedt. Daarom zou men slechts kunnen spreken van Woord, prediking of onderwijs. (Matth. 28 vers 19), belijdenis, doop.
Wanneer men verder van de doop als zegel, bezegeling, spreekt, dan ziet dat ook volgens de Catechismus op de belofte des Evangelies (Vr. 66). Daaraan wordt niets veranderd, als Paulus zegt, dat wij in de dood des Heeren gedoopt worden, want in Zijn dood ligt de belofite des levens. Dat is ook bij het Heilig Avondmaal zo ; zijnde een gedachtenisviering van Zijn dood. Er is in doop en avondmaal een verzegeling der beloften Gods, die in Christus ja en amen zijn. Indien er dus verband wordt gelegd tussen doop en geloof, geldt dit een geloof in de beloften Gods, die in het lijden en sterven en in de opstanding van Christus vervuld zijn.
Het kan toch geen onrechtmatige toeeigening zijn, dat de kerk zich onder de beloften Gods stelt, waaruit zij leeft, als de apostel Petrus spreekt van ons en onze kinderen en allen die verre zijn, zovelen als de Heere er toe roepen zal. (Hand. 2). De kerk als kerk gelooft in die beloften en wordt in dat geloof verzegeld door de Heilige Geest. De kerk als kerk weet, dat die beloften in Christus ja en amen zijn, zij is daarvan verzekerd in alle waarachtig gelovigen.
Het is toch opmerkelijk, dat de verzegeling des geloofs door de Heilige Schrift niet wordt toegeschreven aan de doop, maar aan de Heilige Geest. (Vgl. Efeze 1 vs. 13 en 4 vs. 30). En als de besnijdenis in Rom. 4 een zegel wordt genoemd (vs. 11), dan volgt in vs. 12 verder: En een vader der besnijdenis dengenen n.l, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onze vader Abraham, hetwelk in de voorhuid was. Voor Abraham was de besnijdenis een zegel des geloofs, voor zijn zaad een zegel der beloften, aan Abraham geschied. Ook hier worden besnijdenis als teken en zegel der beloften en het geloof, dat de voetstappen van Abraham drukt, onderscheiden.
De beloften Gods worden niet toegerekend in de besnijdenis, maar de besnijdenis is een teken en zegel van de beloften, aan Abraham geschied.
Afgezien nog van de vraag, of de doop in de plaats der besnijdenis is gekomen, is er toch deze overeenstemming, dat de doop een teken en zegel van de beloften des Evangelies is en dat dte rechtvaardigmaking niet is door de doop, maar door het geloof.
Zoals de besnijdenis in Israël een draagvlak had in het geloof van Abraham en dergenen, die in zijn voetstappen gingen, zo heeft ook de doop een draagvlak in het geloof van de gemeente.
Dit geldt intussen van de ganse Dienst des Woords, van de prediking, van de Zending en van al het werk, waartoe de kerk geroepen is. Dit alles geschiedt weliswaar op het hoog bevel van de Heere der kerk, doch, hoe zou zij dat bevel gehoorzamen en daarin volharden, indien zij geen geloof had? Zo is dan het geloof, hetwelk belijdt, dat alle beloften Gods in Christus ja en amen zijn, de dragende en stuwende kracht der kerk in de vervulling van haar ganse Dienst.
Zij doet dat, omdat zij gelooft en zij wordt daarin gegterkt en uitgedreven door de Geest van Christus, die het geloof werkt in de harten der Zijnen. De kerk predikt in de bediening van Woord en sacrament en in haar getuigenis uit geloof tot geloof. Zo doopt zij ook uit het geloof in de Drieenige God, die zich in de Christus der Schriften heeft geopenbaard. Zij gelooft, dat Hij Zijn beloftfn naar Zijn Raad vervullen zal aan al de Zijnen.
Uit dat geloof kan zij ook de kinderen dopen en het is ook datzelfde geloof, dat de ouders uitdrijft om hun kinderen ten doop te houden.
Deze handelingen kunnen nimmer getoetst worden op de echtheid des geloofs van de handelende personen, van de Dienaar des Woords en de ouders, of van de dopeling, hij zij volwassen of kind, omdat wij geen ander criterium hebben dan de belijdenis in leer en wandel. Maar daarom kan de kerk hierover niet genoegzaam waken op straffe, dat haar Dienst ontheiligd en ten laatste krachteloos wordt, omdat zij ten laatste de levende kracht en leiding van het waarachtig geloof zou derven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's