Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
78)
"Dat Hij wederkomt. Hij alleen weet, wanneer het daarvoor de tijd is. Wil je wat eten en drinken, dan mag je in mijn tuin komen, want dit is mijn erf". „Neen, dat gaat niet. Ik dank u wel voor uw vriendelijkheid. Goeden dag !"
En Samuel ging verder.
„Wij vervloeken en bestelen Israël niet, — wij wachten mét hen", riep de man hem nog vriendelijk na. „Je hadt gerust bij mij kunnen blijven, wij houden van Israël om der wille van die Ene, die ook een Jood was".
Dit woord deed Samuel onbeschrijfelijk geed. Wat sprak deze Goj anders dan die vorigen deden. Dezen zou hij zijn vertrouwen wel hebben durven schenken, maar nog beklemde de boosheid om die ander te zeer zijn hart. Dus ging hij door, keek schuw naar de grond en lette niet eens op de weg, die hij koos.
O ja, die prediker had ook dit nog gezegd, dat Israël voor de wereld niets meer was dan een waarteken. Precies zoals de profeet dat had gezegd : „Ik zal deze stad zetten tot een aanfluiting ; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al hare plagen". Deze woorden kwamen hem nu telkens weer in de zin. —
Totdat eindelijk een lichte glans hem noodzaakte om de ogen op te slaan, en de zee zich voor hem uitbreidde. De hoge dadelpalmen aan het strand verhieven zich slank en donker boven de glinstering van het water.
Een ogenblik stond hij verrast stil. Toen werd het hem wat ruimer om de borst, zijn neusvleugels zetten uit, terwijl ze de frisse zeewind inzogen en alle ellende van de hartstocht was nu weer van zijn gezicht verdwenen. Nu genoot hij zo zuiver de troost, die de Schepper voor alle mensen zonder onderscheid bestemd heeft en waarbij niemand wordt voorgetrokken of achtergesteld. Ijlings liep hij nu 't strand langs en kwam aan de Keizerskade, en bij de aanlegsteiger, die de Turkse regering heeft laten aanleggen bii gelegenheid van de aankomst van de Duitse Keizer. Hier liep hij op en neer en liet hij zijn blik in de onmetelijke verten weiden. En het was alsof hij hier de smart weer te boven kwam, die hem tevoren geheel in beslag had genomen.
Nu kwam hem ook de opdracht van zijn pleegmoeder te binnen. Neen, nu nóg eens op deze dag het heiligste van zijn hart aan andere mensen over te geven en daarover te gaan strijden, — dát was hem totaal onmogelijk, want of het een, of het ander zou dan toch moeten gebeuren, indien tenminste de waarnemingen van Mannia en de blinde op die namiddag juist waren geweest. Hij kon niet nog eens over de Messias gaan strijden vandaag, tegen wie wat voor nieuwe verkeerdheid ! En toch wou hij thuis met advies van Sinaï de schriften der profeten nog eens gaan doorzoeken, om de paatsen te vinden, die de Christelijke prediker aanleiding hadden gegeven tot zijn verkeerd begrip. Deze had hem immers aanvankelijk vertrouwen en zelfs genegenheid ingeboezemd. Misschien zou hij hem later nog eens om een onderhoud kunnen verzoeken en hem dan van zijn dwaling kunnen overtuigen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's