COLLECTE-PLAN
Ds. Wesseldijk geeft een beschouwing over het collecte-plan (Weekblad der Hervormde Kerk, dd. 8 Nov. j.l), dat ons aanleiding geeft tot enkele opmerkingen.
Hoezeer de schrijver ons voorstelt, dat men decentralisatie zoekt, het collecte-plan kan de indruk niet wegnemen, dat men financieel op centralisatie bedacht is.
Tot op zekere hoogte is dat geboden. Er zijn algemene kerkelijke zorgen en belangen, die de steun van de ganse kerk behoeven en verdienen. Dat zal men in onze kringen gaarne beamen. Die belangen behoeven zelfs niet direct de kerkregering en administratie te betreffen, hoewel men daaraan onmiddellijk denkt. Wij denken b.v. aan de varende gemeente, de zeelieden en de schippers. Wie enigermate op de hoogte is, zal het toejuichen, dat er voor de geestelijke verzorging van deze mannen (en gezinnen) door de kerk wordt gedaan, wat mogelijk is. Het is nodig, dat in de ligplaatsen langs de kanalen en rivieren, waar de schippers langer of korter vertoeven (denk vooral ook aan vorstperioden als er niet gevaren kan worden, een kerkgebouw en een predikant is. Het is vooral nodig in streken, waar geen protestanten wonen of waar de naastbijzijnde kerk op grote afstand ligt. Wie zou niet willen medewerken door een collecte daarvoor, af te zonderen. Zo is er b.v. behoefte aan een kerkgebouw te Maasbracht, waar men de diensten voor de schippers in een bioscoopgebouw houdt, omdat er geen kerk is. Er ware meer te noemen van deze aard.
Dergelijke werken mogen op de steun der gemeenten rekenen en deze zullen niet achterblijven, indien zij weten, waarover het gaat. Alleen men zal dan ook willen weten, in welke geest en op welke grondslag dat geschiedt. Want, indien daarvoor geen animo is, kan dat slechts opkomen uit gebrek aan kennis van de belangen of gebrek aan vertrouwen.
Ds. Wesseldijk brengt de gerezen bezwaren terug tot twee rubrieken : 1. de Waarheidsvraag; 2. vrees voor ambtenarij, centralisatie, goede besteding. Wij delen deze bezwaren ook. 1e. reeds, omdat de zo origineel kerkelijke weg van collecte voor bepaalde doeleinden vooral niet moet worden ingeruild tegen een soort belastingsysteem. Wat het eerste punt aangaat, hetwelk het zwaarste weegt, merkt ds. W. op, dat de Synode zich steeds op het standpunt heeft geplaatst, dat beslissingen betreffende de belijdenis eerst gnomen kunnen worden, door een Synode, die onder een nieuwe kerkorde bijeengeroepen zou worden.
Formeel schijnt dat wel verdedigbaar, want zij is nog niet van de reglementenkerk af. Toch kan het standpunt, der Synode alleen zin hebben ten aanzien van beslissingen in dan aan de orde zijnde vragen of verschilpunten, die om beslissing vragen. Practisch echter kan niemand ontkennen dat iedere handeling der Synode nu, onder de huidige omstandigheden, evenzeer beslissingen inhoudt betreffende de belijdenis Kerkelijk handelen kan daaraan nu eenmaal nooit ontkomen, of men zich daarvan bewust is of niet. Niemand ook kan het met goed recht de Synode, die staat op de grondslag: gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift op de bodem der belijdienisgeschriften, euvel duiden, als zij zich aan de belijdenis houdt. Daarom deed zij verstandig, als zij zich aan de belijdenis der kerk hield. Immers, als zij zou menen, dat niet te kunnen doen, zou zij reeds een beslissing genomen hebben, die hoogst bedenkelijk zou zijn. Overigens willen wij wel in aanmerking nemen, dat de Generale Synode telkens voor een overladen agendum wordt gesteld, dat zijn voorbereiding vindt in verschillende instanties, welke allerlei arbeid hebben aangegrepen, het uitgebreide apparaat in de top der kerk, waarover ds. W. in zijn artikel ook spreekt als iets, wat in de practijk blijkt te ver van de gemeenten af 'te staan.
Het een hangt met het ander saam. Practische en principiële bezwaren grijpen in elkander. Maar hoe het ook zij, uit dit artikel van ds. W. wordt tevens duidelijk, dat er aanleiding is voor de bezwaren, die uit de kerk opkomen. Het gezag ener Generale Synode moet daaronder lijden, terwijl het juist van zo groot belang zou zijn, dat dit gezag op goede grond werd gevestigd. Daarmede hangt onmiddellijk samen de door ds. W. uitgesproken gedachte, dat het gezag en de verantwoordelijkheid der lagere ambtelijke vergaderingen tot zijn recht moet komen. De Generale Synode had haar taak van voorbereiding meer in die geest kunnen opvatten. Het presbyteriaal karakter der kerkorde is toch doelstelling. Wat heeft de Synode verhinderd zich op deze taak eens nader te bezinnen ? Dezerzijds en ook door het Hoofdbestuur is daarop meer dan eens gewezen en voortdurend is ook de aandacht gevestigd op het gevaar van de topzwaarte. Vandaar ook, dat wij opkomen tegen zovele raden en commissies, en met name tegen het streven om die parmanent te maken.
Men zal dan ook moeten afzien van de doorvoering ener financiële centralisatie, die op een soort belasting-systeem zou gaan lijken. Gemeenten, classes en provinciale synoden moeten in de eerste plaats zelf verzorgen, wat op hun terrein moet en kan gedaan worden. Het ligt voor de hand, dat zij daarbij genoodzaakt zullen worden naar bevoegde krachten uit te zien, die het werk doen, dat de ambtelijke vergadering daaraan opdraagt.
Daarbenevens zullen er algemene zorgen en belangen over blijven, die de Generale Synode heeft te behartigen met steun van de gehele kerk. Wij noemden boven reeds de varende gemeente. Maar een zaak als de Noord-Oost-Polder zou b. v. allereerst kunnen worden opgedragen aan de classes (provincies), die daarmede onmiddellijk door hun ligging van dpen hebben. Deze zouden, indien het werk te veel wordt, een beroep via de Synode op de gehele kerk kunnen doen.
Kerk en Ziekenzorg b.v. moet in de eerste plaats als een taak der diaconiën worden gezien, en zo ware er meer te noemen, dat veel meer gedecentraliseerd kan geregeld worden. De gemeenten moeten niet alleen weten, waarvoor het geld wordt gevraagd, maar moeten ook de verantwoordelijkheid dragen en kunnen dragen voor het werk, waarvoor men het vraagt. Dat kan alleen, als men dichter bij het werk en het werk dichter bij de grondvergaderingen staat.
De verschillende raden en commissies hebben thans reeds geruime tijd gestudeerd en gewerkt. Zou het nu geen aanbeveling verdienen, als de Synode van deze organen rapporten inwon, waarin de resultaten van hun onderzoek zo bondig mogelijk waren opgenomen en vooral ook hun desiderata. Dan zou de Synode kunnen overwegen, in hoeverre de grondvergaderingen en provinciale synoden, die daarbij bijzonder belang hebben, een taak kunnen vinden. Op die wijze zou men meer recht doen aan de presbyterialë kerkorde, de topzwaarte overwinnen, verschillende raden en commissies ontbinden, terwijl de ontdekte krachten in classes en provincies bij de arbeid konden worden verbonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's