De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet.

FEUILLETON

4 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

79)

Door dit voornemen kreeg hij opluchting. Hij keek nu naar het werk aan de haven, zag Arabische bootslieden een klein vaartuig klaar maken en toen wegzeilen, en stond een hele tijd bij een zo juist aangekomen vissersboot, die in met water gevulde bakken mooie, vreemde vissen aanvoerde en door kooplieden en handelaars als het ware belegerd werd. Toen hij na een poosje opkeek, ontdekte hij plotseling Fanuël Lemberger, in gezelschap van 'n andere jonge man, met wie hij in een druk gesprek was. Maar die andere had in zijn voorkomen iets verwilderds, iets ruws, hij zag er smerig uit en zijn kleren waren haast vodden, — iemand uit Noord-Europa leek het hem, misschien een aan lager wal geraakte zeeman. Krachtens ongeschreven zielekennis, die, net als de vrijmetselarij, haar kentekens schijnt te hebben, zou Fanuël deze kameraad zeker ergens hebben gevonden. Samuel schrikte er wel van, maar hij verwonderde zich tegelijk over zichzelf, dat zijn boosheid tegen Fanuël weer bijna verdwenen was, om de veel diepere gramschap over wat hij zo pas had beleefd. Zelfs zijn vrees was verbleekt en hij ging ook niet opzij, toen de breedgeschouderde jonge man op hem toetrad met de vraag, hoe hij zijn tijd doorbracht, en vervolgens al slenterend met hem samen over de planken van de steiger liep. Een christelijke lijkstoet met klein gevolg kwam op korte afstand langs hen ; een kruis werd vooruit gedragen. Fanuël keek de stoet nijdig na, en zei bits ; ,,Voor mijn part waren het er tien of honderd van dat gespuis !" Er was iets in Samuel, dat zich een kort ogenblik verheugde, dat hij bij Fanuël hoorde ; dat was zeker het Joodse bloed. En toch antwoordde hij : „Hoe kan jij dat zeggen ; wij hebben met hen toch één Schepper gemeen !"

Maar meer spraken zij niet.

Samuel wenste alleen te zijn, en hij ging dezelfde weg, die hij gekomen was, terug, en liep nog eens langs de kleine kapel, die nu geheel door mensen verlaten was. Hij zocht naar een of ander teken, waaraan te zien zou zijn bij wat voor kerkgemeenschap zij behoorde. Boven de deur las hij 't woord : „Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven". Lang staarde hij op deze geheimzinnige woorden en hij ontdekte steeds meer de schoonheid en de eenvoudige verhevenheid er van. Zij grepen hem in zijn hart. Hoe was het dan toch mogelijk, dat die prediker daar binnen zo heel anders sprak ? Die had hem waarlijk géén rust gegeven. Waar zouden die heerlijke woorden wel vandaan komen ? Best mogelijk, dat de Jeschua dezer mensen, die gekruisigde Galileër, ze zelf gesproken had.

Maar verder verried dat huis niets. Hij ging voort en liep daarover te tobben.

Ja zeker, iets groots en nieuws, iets innerlijks zou hier te lande toch moeten komen. Iets van nieuwe liefde en nieuwe gehoorzaamheid. Maar hoe ?

Ach, als de triomf van de laster eens ophield, die nu al eeuwen-door zijn volk had getroffen, als die ellende van elkaar slechtmaken in angst, list en minachting eens een einde nam, dan, o dan kwam zeker het beter worden vanzelf !

Hij ging naar de begraafplaats van de Joodse gemeente, om der wille van Rea en Mandel, en zocht de grafheuvel van de kleine Schimmel, zuiverde die van het onkruid en plantte er een handvol geplukte bloemen op. Toen eindelijk bespeurde hij honger bij zichzelf en ging hij aan een bosrand zitten, terwijl hij de meegebrachte boterhammen verslond. Eindelijk liet ook de vermoeidheid, door de lange voetreis en al de aandoeningen van die dag veroorzaakt, zich gelden. De zon zou al spoedig ondergaan, lang zou dat niet meer duren. Langzaam ging hij nu weer naar de oude herberg toe, voorbij het huis van de bruiloft. Ook nu was daar niets van een feest te zien. Het jonge echtpaar, nog in feesttooi, stond in de tuin en genoot van de aanblik van een bed met rozen.

De avondpatrouille van de gendarmes trok al door de straten. De onbeheerde honden werden bij het vallen van de avond brutaler ; het was heus niet kwaad geweest, om nu een stok mee te nemen.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's