Bij een inauguratie over de afscheiding
Enkele gedachten.
„Dat zij overeenkomstig het ambt aller gelovigen, art. 28, zich afscheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn en dus geen gemeenschap meer willen hebben met de Ned. Hervormde Kerk, totdat deze terugkeert tot de waarachtige dienst des Heeren".
Zo luidt o.m. de acte van afscheiding, getekend door leden van de Ulrumse gemeente van ds. Hendrik de Cock.
Aan die zinsnede uit de acte van afscheiding moest ik denken, toen ik in „De Rotterdammer" het verslag las van de inauguratie van prof. J. Hovius bij de aanvaarding van het hoogleraarsambt te Apeldoorn.
De nieuwbenoemde professor sprak over de geschiedeniswaardering bij Hendrik de Cock.
De afscheiding kwarn ter sprake.
Aan het eind werd — volgens „De Rotterdammer" — o.m. nog gewezen op het standpunt van de Chr. Geref. Kerk ten aanzien van de Ned. Herv. Kerk. Hoe dit standpunt werd bepaald, werd in het krantenverslag niet medegedeeld, maar kan ons toch duidelijk zijn, omdat, naar het ons voorkomt, de afgescheiden Kerken nog steeds staan op het bovengenoemde standpunt van de vader der afscheiding, Hendrik de Cock.
Op de geschiedkundige gebeurtenis wil ik nu niet wijzen, daar is genoeg over geschreven, een zeer aanbevelenswaardig boek is o.a. Afscheiding en Doleantie van dr. W. J. de Wilde.
Het zijn maar enkele losse gedachten, die mij bezig hielden, toen ik het inauguratie-verslag las, gedachten, die dus ook los staan van de gehouden rede. Ik dacht aan de kwestie van de schuld der Kerk. De Kerk was omstreeks 1833 in groot verval, een puinhoop, overwoekerd door het onkruid van liberalisme, rationalisme en super-naturalisme.
De breuk der Kerk !
De afgescheidenen verlieten de Kerk, niet — dr. De Wilde wijst daar in zijn boek zeer terecht op — vanwege de gebondenheid der prediking, de vrijheid was hen gelaten, vele Gereformeerde predikanten konden ongemoeid hun Gereformeerde prediking blijven verkondigen, maar vanwege de moeilijkheden, die ontstonden door hun reglementsovertredingen. De afgescheidenen verlieten de Kerk ; waar bleven ze met de schuld der Kerk ?
Zij stelden zich buiten de Kerk en lieten de Kerk met haar schuld aan haarzelve over.
Zij onttrokken zich aan de schuld der kerk, begonnen zelf met een nieuwe lei : nieuw kerkelijk leven : een kerkje naast de Kerk.
Nogmaals : waar bleven ze met de schuld der Kerk, of was deze hun schuld niet ?
De Cock schreef : „Totdat doze wederkeert tot de waarachtige dienst des Heeren".
Jeremia, staande bij de puinhopen van Juda's Kerk en maatschappij, sprak : „Want wij hebben tegen de Heere, onze God, gezondigd, en wij en onze vaaderen, van onze jeugd aan tot op deze dag ; en wij zijn der stem des Heeren onzes Gods, niet gehoorzaam geweest". (Jeremia 3 vers 25).
Typisch verschil van geloofshouding tegenover de kerkelijke breuk :
De Cock : zij . . . . . .
Jeremia : wij . . .. . . . .
Er is nog-meer; naast de schuld ook nog de verantwoordelijkheid. Staande buiten de Kerk, is er ook geen verantwoordelijkheid meer voor de duizende vervreemden van Gods Getuigenis, die wel gedoopt zijn, maar niet meer uit de genade van de doop leven. Ik had enige jaren terug een gesprek met een afgescheiden predikant. Wij spraken over de geweldige taak der Herv. stadspredikanten. Over vele duizenden maar één predikant.
Zijn vraag was : „En gaan al die duizenden ook naar de kerk ? "
De vraag van een zelfgenoegzame, afgescheiden predikant. Mijn antwoord was : „Die zijn niet in duizenden, maar in honderden te tellen, en dat is o.m. uw schuld, gij zijt er uitgetrokken met uw meelevende volgelingen, maar hebt ons met de rest laten zitten !"
De afgescheidenen hebben zich niet alleen aan de schuld, maar ook aan de verantwoording onttrokken, de verantwoording over duizenden, die daar ronddolen als schapen zonder herder, en men trok zichzelf in „zelfgenoegzaamheid terug in een eng kringetje : als wij het maar goed hebben ! Maar voor de vervreemden, die ook nog verlaten werden, blijft het gelden : wat zullen deze ? En thans, hoeveel duizenden, vooral in de grote steden, zakken niet in het nihilisme weg. Wat zou het heerlijk zijn geweest, als alle afgescheidenen in de Kerk waren gebleven, hoeveel meer krachten zouden we dan hebben om de onkerkelijken te bearbeiden ; nu wordt de gehele schare van tienduizenden overgelaten alleen aan de Herv. predikanten met hunne medearbeiders. Het gemis aan verantwoordelijkheid is men later toch enigermate gaan gevoelen en men is ook in de gescheiden Kerken begonnen met Evangelisatiearbeid, als een soort vergoeding voor het machtige werk, dat onaangeroerd alleen aan de Hervormde Kerk werd overgelaten.
Ook dacht ik aan de geloofskracht. Men keek meer naar de Kerk, dan dat men opzag naar de Koning der Kerk.
Verder verwarde men de bestuursoganisatie met Kerk en zag over het hoofd, dat de Kerk toch Kerk blijft, ook al is de bestuursorganisatie onschriftuurlijk, ja, zondig.
Dr. Kuyper ging in 1886 de Kerk uit, die hij vroeger „onze moeder" noemde, en had geen enkele verwachting van de Hervormde Kerk meer ; "deze zou wegzinken in modernisme en liberalisme.
Hoe heeft hij zich vergist.
De geschiedenis leert het ons.
De Kerk is, inplaats van weg te zinken in het ongeloof, meer naar rechts gezwenkt, is weer gaan vragen naar de Belijdenis, naar de Christus der Schriften.
Het starre rationalisme heeft zijn kracht ingeboet, het koude modernisme van de 19de eeuw bestaat hoegenaam niet meer, het hoogmoedige liberalisme, waartegen De Cock vocht, is verdwenen. Vele misstanden van honderd jaar geleden zijn opgeheven ; dat moet ieder neutraal toeschouwer toegeven.
Inplaats van weg te zakken in de modder van het ongeloof, is er meer vraag gekomen naar de Belijdenis, de profetie van dr. Kuyper ten spijt.
Dat bewijst zelfs de houding van de afgescheidenen tegenover onze Kerk, die tegenwoordig veel soepeler is dan jaren geleden, toen men met „Babel" niets te maken wilde hebben.
Wij zeggen niet, dat de Kerk al op het punt is gekomen, waar wij als Gereformeerden haar graag zouden hebben ; o neen, wij zeggen ook niet, dat de Gereformeerde belijdenis overal gehandhaafd wordt in onze Kerk, helaas nog niet, er blijft nog veel critiek over ; maar er is vraag naar de Belijdenis !
Een 50 jaar terug verwees men de Belijdenis naar de rommelkamer der Kerk, als behorende bij de archiefstukken van drie eeuwen oud; thans niet meer. En daarom lijkt ons in de hedendaagse constellatie de houding beter om in onze Kerk, met alle strijd en tegenwerking, haar terug te wijzen en terug te leiden naar haar Belijdenis, dan als een ledig toeschouwer toe te zien en af te wachten of „deze zal terugkeren tot de waarachtige dienst des Heeren".
In prediking gevoelen wij ons met de Chr. Geref. broeders in vele opzichten één : samen staan wij op de grondslag van Woord en Belijdenis. Die eenheid komt uit in de onlangs gesloten eenheid van Zendingsarbeid tussen de Chr. Geref. Kerk en de Geref. Zendingsbond, waar wij ons zeer over verheugen — bij de Toradja's bestaat de kerkelijke kwestie gelukkig niet ! — Maar wij vinden het jammer, dat de gescheiden broeders met ons op het kerkelijk erf niet samen optrekken, in kerkelijk opzicht staan we tegenover elkaar. Wij kunnen ons niet onttrekken aan de schuld van en de verantwoordelijkheid voor onze ganse Kerk en geloven, dat de Koning der Kerk voor haar nog een weg ten goede heeft.
Hoe werkt Gods Geest onder de prediking niet in vele Hervormde gemeenten door wedergeboorte en bekering !
En als God de Kerk nog niet verlaten heeft, mogen wij haar dan wèl verlaten ?
Maar wij staan nog in de strijd voor ons Gereformeerd beginsel, welke nog altijd de grondslag der Kerk is.
Hoe graag hadden wij in die strijd niet gezien de hulptroepen der afgescheiden Geref. broeders.
Wat zouden wij als vertegenwoordigers van de gescheurde Gereformeerde gezindte samen niet een invloed ten goede voor onze Kerk kunnen uitoefenen als we gezamenlijk optrokken.
Niet alleen voor onze Kerk, maar ook voor ons volk, dat kerkelijk zo gedeeld ligt.
Schuld, verantwoording, geloof, drie punten, waarom wij ons nog steeds tegen elke scheiding keren en de gemeenschap der Hervormde Kerk zoeken.
Ook de leiding van onze Kerk zoeke eens meer contact met de gescheiden Gereformeerde Kerken! Dit waren zo mijn gedachten, toen ik het verslag van de inauguratie van prof. Hovius las.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's