MEDITATIE
De Plaatsbekleder
Jesaja 53 vers 6b en 7. doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen; als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt.
De Heere Heere roept in de oude dag op om uit te zien naar de Verlosser. Telkens lezen we : „Ziet!''
Ziet, een maagd zal zwanger worden en een Zoon baren; ziet Mijn knecht; ziet, een Koning zal regeren. Dit is de roep voor het volk: „Ziet uit naar de Beloofde".
Daar moeten alle ogen heen. De verwachtirig moet uitgaan. Ach, wat kwam daar weinig van. God sprak, Zijn boodschap werd voortgedragen. In de gedachten was er een stem, welke door klonk van uit de mond der hoog ouden, die het zelf hadden gehoord. Dat alles verklonk steeds bij de massa, zo vóór de zondvloed, zo er na.
Voor het woord Gods was er geen open oor, geen ontsloten hart. Dat bleef ook onder het geslacht van Abraham. In de nieuwe dag zullen ze nog zeggen, dat ze Abraham's geslacht zijn. Ze waren het alleen vleselijk, niet geestelijk. Dat heeft Jezus hen goed aangezegd. Zijn woord was immers zelfs : „Gij zijt uit de vader de duivel". Altijd is de aard van de mens, dat hij doof is voor het Woord Gods, dat hij de boodschap des Allerhoogsten niet wil aanvaarden. De mens is de mens van de gevallen natuur. Hij kan niet anders dan immer weer het voetspoor volgen zijner eerste voorouders. Zij luisterden niet naar Gods stem; de nazaten doen het evenmin. Neen, het haperde niet aan de sprake Gods.
Wat was dat Woord machtig. De moederbelofte met haar : „Ik zal". En zo gaat het immers in de beloften steeds door. Het Woord Gods is zo beslist sprekend als maar mogelijk is. De Heere spreekt daarin met besliste stem. Hoe heeft Jesaja al niet mogen getuigen: „Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst". Hij had het volk moeten aanzeggen, hoe melaats het was van de hoofdschedel af tot de voetzool toe; hoe krom en verdraaid inwendig. Hij heeft ernstig moeten roepen tot bekering en hij heefit mogen prediken hoe er dan volkomen vergeving kon verkregen. Denkt maar aan : „Al waren uw zonden als scharlaken, al waren ze rood als karmozijn, ze zoudten worden wit als sneeuw, als witte wol". Hij mocht in het zoeven aangehaalde vers van Jesaja 9 zo sterk mogelijk op de fontein van dat heil wijzen. En toch, ze hoorden niet. Ze verstonden het geenszins. Jesaja roept uit: „Wie heeft onze prediking geloofd en aan wie is de arm des Heeren geopenbaard ? 'En is het niet des Heeren ontroerende aanklacht : „Mijn volk heeft twee boosheden gedaan. Mij, de springader des levenden waters hebben zij verlaten om zichzelve bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden". Ach, het horendedoof zijn is de jammer der eeuwen. Neen, nooit zal het anders wezen dan dat moet worden erkend, dat de Heere zelf het hart opende, opdat er achtnemen mocht zijn.
Zij het zo nu bijzonder voor het eerst of bij vernieuwing in het opgaan naar Bethlehem's kribbe. Waarbij de roep uitgaat, dat geboren is de Zaligmaker, Die volkomen verlost degenen, die door Hem tot God gaan, en dat we er dan op zien mogen met het geopende oog van Jesaja. Dan beleven we met de hand op onze tekst het machtigst Evangelie. Voor een der doden gegrepenen, door, en in een dierbare Borg.
Ja, ge hoort hier het machtigst Evangelie. Boven alle menselijk begrip gaat ze uit. Nee, we zullen het nooit kunnen doorgronden en het ook nimmer ten volle uitzeggen. Hier voelen we het tekort komen van alle menselijke stem, hoe bespraakt die ook zij. Denken we het ons toch eens goed in. Jesaja heeft als schier niemand de poel van ongerechtigheid des voiks gepeild. Jeremia heeft in zijn klaagliederen een hele reeks van plagen, welke over hem kwamen. Jesaja zou een nog heel wat langer lijst van de ongerechtigheden des volks kunnen geven. Hij heeft in dat opzicht wel diep moeten graven. Inderdaad, hij heeft verstaan, hoe de zonden ten hemel geklommen waren, hoe de ongerechtigheden een centenaarsgewicht bedroegen. Hij moest zich wel afvragen: „Is er voor zulk een volk nog enige hoop mogelijk ? " En dan krijgt hij daar voor zijn geestelijk oog een Man, verzocht in krankheid zó zwaar, dat een iegelijk het hoofd moest afwenden. Er was geen smartelijk lijden te ontmoeten, hetwelk hij niet over die man gekomen zag. Al de plagen Gods, welke er vanwege de zonde kunnen doorgemaakt, zag hij als een aaneengeregen reeks op Hem.
Jesaja zelf moet wel ten zeerste ontzet zijn, blikkend op de verschijning van die Man. Hij huivert, want voor zijn oog gaan de straffen des Heeren voorbij, zoals God ze hen heeft gezegd over de onderscheidene zonden, de vele ongerechtigheden des volks. Hij moet tot zichzelf zeggen : „O, al die straffen zijn op de Ene gevallen". En dan heeft hij juist in die ogenblikken aangevoeld, hoe daar de gerechtigheid des Heeren Heeren spreekt over aller ongerechtigheid. Ook de zijnen. Zoals hij eenmaal, staande tegenover het driewerf heilig der serafijnen, toen moest uitroepen : ,,Wee mij, ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is". Zo staat hij hier nu voor dezelfde heilige God bij het gezicht op die Man, zo vol van smarten. Daarom roept hij uit: „Voorwaar, Hij is voor onze overtredingen verbrijzeld, om onze ongerechtigheden is Hij gewond''. En dan ziet hij al de plagen, welke over de een en de ander naar Gods gerechtigheid moeten komen, op die Ene zijn gevallen. Zo zegt hij: „De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen".
En, lezer en lezeres, ge kunt verstaan, dat hier het Evangelie van het Evangelie in de Kerstnacht door Gods hemelgezanten de wereld ingedragen, reeds uit de dag der oude bedeling ons tegen klinkt. Dat is het, wat het Kindeke van Bethlehem zou bewerkstelligen. Hij zou de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht dragen, opdat allen, die Hem zouden mogen aannemen, roemen konden: „Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
Wij hebben nu evenwel goed te bedenken, dat dit kostelijk Evangelie maar niet zó de blijdschap van ons allen kan zijn. Helaas is er en wordt er aldus maar al te veel geleraard. Van de kansel wordt dan gezegd, dat de hoorders dit nu maar geloven moeten. Of nog erger, er wordt beweerd : „Gemeente, dit is nu de boodschap, welke ons aller zaligheid oproept". Het volk, dat zijn Bijbel verstaat en vooral, dat zichzelf kent, voor het aangezicht des Heeren, heeft heel goed begrepen, dat het daarin met valse lering te doen had, dat het profeten waren, niet van God gezonden. Daarom heeft het zich van die prediking afgewend en heeft gebeden en geworsteld om leraars, die het Woord Gods recht mochten snijden. Zo heeft het zich om de zogenaamde Gereformeerde Waarheid geschaard in de kerk en in aller roeping in het midden der wereld. Dit is trouwens, in wat Jesaja zelf van Godswege prediken moet, sprekend genoeg. Heeft hij niet op moeten roepen tot belijden en laten van de zonde, om daarachter pas de volle vergeving van God te beloven. De Heere, Jehova, roept immers Zijn volk van de oude dag nadrukkelijk toe : „Alleen, ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere uw God overtreden hebt; dan zal ik Mijn toorn niet in eeuwigheid bewaren; dan zal Ik goedgunstig zijn".
Dat is dus, wat gij en ik moeten kennen. We zullen zondaar voor God moeten zijn, om waarlijk hoop te koesteren. Troost te erlangen. Ja, blijdschap te smaken achter het Evangelie van het Kerstfeest. Ja, dat Evangelie is eigenlijk alleen Evangelie voor een ten dode gegrepene. Van achteren zullen we allen, zij het dan iedereen op zijn wijs, moeten kunnen zingen :
„Gij hebt, o Heer, in 't doodlijkst tijdsgewricht, Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen, Mijn voet geschraagd ; dies zal ik voor Gods ogen Steeds wandelen in 't vrolijk levenslicht".
Zo moeten we naar mijn mening inkomen in wat Jesaja in onze tekst zegt: „Als dezelve geëist werd". Daar zegt ons het Woord Gods zo diep ernstig, dat de ongerechtigheid van allen door God geëist wordt. We denken hier onwillekeurig aan Gods Woord bij de profeet Nahum: „Een wreker is de Heere, een wreker zeer grimmig ; Hij kan de schuldige geenszins onschuldig houden". Daarom moeten we allen meer of minder verstaan, wat eisen Gods gerechtigheid doet. Onze ongerechtigheden moeten eerst op ons aanlopen. Wij moeten eerst de ongerechtige man, de ongerechtige vrouw, in één woord de ongerechtige mens, jong of oud, voor God worden. En daarom klemt hier in de opgang naar het Kerstfeest zo ernstig de vraag, of wij reeds aan God oprecht onze zonden bekenden, of wij geen kwaad, dat in ons werd gevonden, verborgen. Eerst als wij daar iets van verstaan kan het zijn, dat het ons inderdaad de kostelijkste blijde boodschap wordt, dat de Heere ons aller zonden op Zijn Christus heeft doen aanlopen.
Zó kan het voor ons gaan leven, wat Jesaja hier reeds als de Evangelist van het Oude Verbond mag prediken, namelijk Jezus Christus onder al onze ongerechtigheden, opdat ze van ons zouden worden weggenomen.
Hij voor ons, dat is in onze plaats in de bezoldiging der zonde, opdat wij voor Gods rechterstoel worden vrijgesproken.
Bij de Psalmist zegt God: ,,Ik heb hulpe besteld bij een Held". Wat een held wordt hier de Christus Gods getekend. Al de plagen der zonde heeft Hij toch vrijwillig op Zich genomen. Daaronder was hij gelijk een lam, dat ter slachting wordt geleid, was hij stom als het schaap voor 't aangezicht zijner scheerders. En nu is het en blijft het voor een ieder de grote vraag : „Deed Hij dat voor mij ? "
Nog eens, dan zullen wij eens Gode de eer moeten geven in de waarachtige belijdenis onzer zonden en ongerechtigheden. Zolang ook bij ons God niet aan Zijn recht is gekomen, tot zolang kan Zijn genade van de plaatsbekleder ons deel niet zijn. Dit wordt door het Gereformeerd Protestantisme terecht zo sterk mogelijk vastgehouden, maar dan wordt het evenzeer met de hand op Gods Woord zo beslist mogelijk toegeroepen, dat het ellendig volk, door schuldbesef getroffen en verslagen, met vrijmoedigheid toevlucht mag zoeken in het zoenverdienend lijden en sterven van de opgestane en verheerlijkte Christus. Niet tevergeefs zal daar worden aangeklopt. Hij zelf heeft immers gezegd : „Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven". Werd er maar meer om gebeden. Wij zullen toch allen eenmaal sterven en daarna het oordeel. In dat oordeel zal het met alle kracht worden gehoord, hoe klemmend de eisen van Gods gerechtigheid zijn. In de uren van dat oordeel zullen alle onze ongerechtigheden ten sterkste van ons worden geëist.
En wie zal dan bestaan ? Van 's mensen zijde zal het immers wezen te komen als in een verterend vuur. Voor wie dit in het leven ontmoet, hoe dan ook begrepen, kan en zal de boodschap van Jesaja troost brengen. Ze zullen tot zichzelf mogen zeggen : „Dan kan het nog voor mij". Aan eigen zijde moesten ze de hoop opgeven, maar achter het Evangelie van Jesaja mogen ze begrijpen, dat ze nog op genade mogen pleiten.
Hoe zalig wordt het dan voor dezulken reeds hier, wanneer het oog hunner ziel verlicht wordt om het met Jesaja te zien: „Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt".
Dan schouwt het oog evenals dat van Jesaja, de Man der Smarten, op Wie alle plagen vanwege de ongerechtigheid van het Adam's kind gevallen zijn tot in de vleekdood van het kruis. Ja, tot in de lange hellenacht toe. Dan wordt het gezien, hoe die Man van Smarten de eisen van Gods gerechtigheid over Zich liet komen, opdat ze weggenomen zouden worden van de; ziel der nooddruftigen. Nog eens : dat wordt bij het beleven zaligheid der ziele reeds hier. O, hoe bang werd het, toen de ongerechtigheid geëist werd. Het oog, geopend voor de overname daarvan door Christus, klaart alle donker op. Het kan daar van binnen jubelen :
„Keer, mijne ziel, tot uwe ruste weder. Gij zijt verlost. God heeft u welgedaan".
Ja, welgelukzalig het volk, hetwelk dat geklank kent. Och, dat wij er niet doof voor blijven. Want dan is er geen Verlosser. Werd ons hart voor deze dingen geopend en leerden we zonde en genade, ongerechtigheid en vergeving voor onze ziel beleven. Dan leren we God danken voor zijn onuitsprekelijke genade, ons in de overgave van Zijn Zoon geschonken. Hoe dierbaar wordt ons dan die Borg. Hoe lief krijgen wij dan God. En dit zal in het zenith komen, wanneer wij eenmaal verschijnen voor God. Daar zal eerst ten volle worden begrepen wat eisen Gods gerechtigheid doet. Daar ook pas ten volle beleefd het plaatsbekledende van het Lam, dat geslacht is, zoals Het dan voortreedt als de Voorspraak, die zegt: „Ik heb verzoening voor deze gevonden".
Dat geeft zingensstof tot eer van God en het Lam, Zo wordt het eeuwig zingen van Gods goedertierenheid. Amen.
(De Bilt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's