MEDITATIE
DE BELOOFDE PROFEET
Een Profeet uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de Heere uw God verwekken: naar Hem zult gij horen! Deuteronomium 18 vers 15.
I. Mozes voor Christus. II. Mozes naast Christus. III. Mozes achter Christus.
I. Mozes voor Christus.
Zo er ooit een aandachtige schare geweest is om de prediker te beluisteren, dan zal dat voorzeker de schare geweest zijn, welke in het Overjordaanse land gelegerd, uit de tenten is opgetogen naar de plek, waar Mozes zijn stem verhief om hun des Heeren Woord te vertolken en tevens zijn afscheidswoord te spreken.
En zo er ooit een prediker geweest is, die zijn gehoor wist te boeien en gewichtige waarheden vertolkte, dan was het zeker de zoon van Amram en Jochebeth, die aan Farao's hof onderwezen was in al de wijsheid en kennis der Egyptenaren. Nog enkele dagen, en het volk zou zijn wens verkrijgen en over de Jordaan trekken, in het land, dat de Heere hun beloofd had; zij zouden de tenten oprollen en in vaste steden wonen, hun zwerven zou voorbij, de rust aangebroken zijn. Reikhalzend ziet het volk naar de bergen in 't verschiet; naar de welige akkers en vette weiden; naar wijnstok en palmbomen, wat voor hen het meeste waarde had, na een zo lange en moeilijke tocht.
Maar voor Mozes is er iets van groter belang. Hij zou zelf niet in Kanaan ingaan, en op dat land, hetwelk de Heere beloofd had, zou hij zijn voet niet zetten; de rust lag voor hem niet aan de overzijde van de Jordaan, maar wachtte hem daarboven, waar geen zonde en smart meer is.
Nog maar enkele malen zou de zon achter bergtoppen zinken, en nog weinige keren zou het morgenrood het manna beschijnen, waarmede hij genadig gevoed werd, en dan zou hij van het eeuwige Manna genieten, dat in de hemel gegeven wordt. Dan zou hij zijn in het oord der zaligheid, dat hemelse Kanaan der rust, waar zijn God is, die met hem sprak op de berg. Dan zou hij diens aangezicht aanschouwen en verzadigd worden met Zijn beeld. Daar zou hij aanschouwen Hem, die het Beeld des Vaders is, die dit volk geleid had door de woestijn en die in zijn plaats zou komen op aarde om onwetenden te onderwijzen en door Zijn Geest te verlichten. O, hoe tintelt het oog van de oud geworden en toch nog zo jeugdige grijsaard. Honderd en twintig jaren klom de zon boven hem op en daalde zij achter hem neder. Maar Mozes bleef dezelfde. Zijn oog werd niet donker en zijn kracht was niet vergaan. Met jeugdige ijver verricht hij zijn taak, en met een vuur der jonkheid eigen, spreekt hij zijn laatste redevoeringen uit, temeer, waar hij denkt aan het onschatbare voorrecht, dat voor zijn volk is weggelegd, eerlang de Profeet te ontvangen, die de hoogste, de meeste zou zijn. En al zullen er nog eeuwen moeten voorbijgaan eer dit woord der belofte wordt vervuld, de Heere zal een Profeet uit hun midden verwekken als Mozes, en Israels volk moet, wanneer Hij komt, naar Zijn stemme horen. En gelijk Mozes uitzag naar de ure, waarin hij naar de hemel zou gaan, zó begeert hij, dat het volk zal uitzien naar die Profeet, die, komen zal, en gelovig zal verbeiden wat door de Heere was voorzegd.
Elk wist het, dat Mozes groot was, en al waren er maar enkelen in het leger, die getuigen waren geweest van wat veertig jaren geleden geschied was bij de Sinaï, en welk aandeel Mozes daarin had gehad, de vaders hadden het aan hun kinderen verteld en met diep ontzag heen gewezen naar de man, die langs Israels tenten toog om in het heiligdom des Heeren stem te beluisteren, en erkend dat hij de profeet, van God gegeven was.
Ja, hij was bevoorrecht om Israël te leiden en de grote profeet te mogen zijn, die type en schaduw was van die grote Profeet, die eens komen zou, en Mozes spreekt thans duidelijk van Zijn komst.
Hij zal, hij moet van dit volk scheiden, maar straks komt Eén in zijn plaats, die nooit weer scheidt. Nog was de ure niet gerijpt, waarin deze Plaatsvervanger komen zal, maar de Heere beloofde Hem en Zijn Woord is getrouw.
II. Mozes naast Christus.
Het was dus maar geen woord, door Mozes gesproken, in de scheidingsure om het volk de droefheid te bannen, waaraan het zich zo spoedig overgaf, maar het was omdat de Heere dit Zijn knecht geopenbaard had, opdat dit volk zou uitzien naar de komst van die grote Profeet en opmerken wanneer Hij kwam. Want in die belofte school het bewijs der eeuwige ontfermingen Gods, die nooit van het volk, dat de Heere zich verkiest, wijken.
Neen, het zou Jozua niet zijn, die weldra de staf over dit volk zou opheffen, wanneer het over de Jordaan trekt.
Het zal ook Samuel niet zijn, wanneer deze straks in Israël de stem des Heeren doet horen; ook Jesaja, Jeremia of een andere der profeten niet. Het zal een profeet zijn, die alle andere in de schaduw stelt, die allen overtreft, van wien het volk getuigen zal: „nooit heeft een mens alzo gesproken!"
Het zal die Profeet zijn, van Wie reeds gesproken was in de bange ure, toen God de mens ter verantwoording riep in het Paradijs, en nevens de vloek, welke Hij uitsprak, ook grote zegen beloofde. De nevelen, waarin deze Godsgedachte gehuld was in het Paradijs, trekken weldra op, en de belofte kreeg bij Sem reeds duidelijker gestalte en werd doorschijnend bij Abrahams geslacht.
Sprak de Heere bij de aanvang van Hem als het zaad der vrouw; tekende Jacob Hem als de Silo, de Rustaanbrenger, en hoorde Israël van de hoogte van Peor hem door Bileam aankondigen als de Ster, die zou opgaan uit Jacob, Mozes tekent Hem als de profeet in Zijn heerlijke ambten, en spreekt van Hem als iemand, die met hem vergeleken kan worden: „De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, gelijk mij!"
Gelijk Mozes uitgegaan was, toen hij in Egypte was, om zijn volk te bezoeken en te onderwijzen van hun staat der ellende , en van de wil Gods over Zijn volk, — alzo zou deze Profeet in hoge wijsheid Zijn volk leren. De wondervolle weg langs welke de Heere Zijn bondsvolk leidt, en de wegen die Hij met Zijn gunstgenoten houdt zijn dit volk van nature niet bekend. Maar opdat dit volk zou weten welke die goede, heilige en volmaakte wil Godsover hen is, daarom verwekt de Heere Hem, om dit volk te onderrichten van des Heeren getuigenis.
En gelijk Mozes' blik reikte in de toekomst, welke in nevelen gehuld, toch Hem deed zien, op Wie de verwachting Israels gesteld moest worden, zó zou deze Profeet op Zijn beurt ook weer het oog vestigen naar de toekomst, en dat toekomende zou Hij openbaren en spreken van dingen, die door geen oog gezien, door geen oor gehoord en in geen hart opgeklommen waren. Hij zou spreken van de verlossing door Zijn bloed, van de dood der verzoening, van de gerechtigheid des geloofs, op Zichzelf wijzen als het Lam, dat de zonde der wereld wegdraagt. En dit alles zou door deze Profeet, gelijk Mozes, bevestigd worden met een reeks van wonderwerken, die de wijzen deden verstommen en de eenvoudigen deden nederbuigen en uitroepen, Waarlijk, deze is Gods Zoon!" Zulk een Profeet zou de Heere hun God verwekken „uit het midden hunner broederen". Hij zou een Profeet zijn in Wiens aderen datzelfde Joodse bloed stroomde en als een Zoon uit het huis van David zich openbaarde, maar tevens een, die het bewijs leverde, dat Zijn stamboom niet eindigde in het Paradijs, maar reikte tot in de eeuwigheid, die zeggen kon en mocht, dat Hij met de Vader één was, en dat, wie Hem gezien had, ook de Vader had aanschouwd. Een stroom der wijsheid zal van Zijn lippen vloeien, en Zijn woorden zullen bepareld zijn met de dauw des Heiligen Geestes, en de Heere zal uit de hemel getuigenis van Hem geven, en het bevel doen horen.
„Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem !" Hij zal de Profeet zijn, die gezag oefent, die gehoorzaamheid en onderwerping eist, gelijk Mozes, maar Zijn hand zal de staf niet opheffen om die op de harde rots te doen dalen om de klaterende stroom voort te brengen, maar Hij zal Zichzelf aanwijzen als de Bron, waaruit de stroom des Levens ontspringt, en Hij zal geen manna afbidden uit de hemel, maar den volke verkondigen, dat Hijzelf het Manna is, dat uit de hemel is nedergedaald.
Daar zou een draad lopen door beider geschiedenis, waardoor te herkennen zou zijn dat deze Profeet gelijk Mozes was.
Niemand, die Mozes aanschouwde, toen hij in het biezen kistje in de Nijl lag, behoefde te vragen of dit kind een zoon uit Israël was, maar ook geen enkele die deze Profeet aanschouwde, behoefde te vragen of Hij uit Israël sproot; maar zomin men in dat kind in de Nijl de toekomstige leidsman van Israël zag, zomin zag men straks in dat Kind in de kribbe de Zoon van God.
Een Profeet gelijk Mozes. Gelijk de angstkreten opklonken in Egypte toen het moorddadig bevel van Farao uitging om de knechtjes der Hebreen in de golven van de Nijl te werpen, zo zou in Zijn dagen de klagende stem der schreiende moeders in Bethlehem worden gehoord.
Men had moederliefde en vaderlist zien samenwerken om in het biezen kistje het dierbare pand te bewaren, en eveneens zou men kunnen getuigen dat deze grote Profeet door zijn vader en moeder naar de boorden van de Nijl gedragen was, om Hem te bewaren voor het zwaard van Herodes.
En wanneer gij straks in Palestina deze Profeet ziet, die Zijn stem niet verheft op de straten, dan denkt ge aan de man Mozes, die zo zachtmoedig was, die zo geduldig kon verdragen, die zo voorbeeldeloos kon lijden, en zo teder kon bidden. Dan denkt ge aan Mozes, die zich zelfopofferepd wilde geven voor zijn volk, die in de bres springt en begeert te sterven, opdat zijn volk mag leven; aan de man, die als de middelaar van het Oude Verbond staat tussen God en het volk, om voor dat volk te bidden. Dan denkt ge aan die Mozes die aan het einde van zijn leven, de getuigenis zijns Gods mag horen, dat niemand zo getrouw is geweest als Mozes Zijn knecht. Dan rijst naast Mozes beeld de Christus, die als Mozes, de Wet tussen de vingeren houdt en een blik werpt over heel Zijn Kerk en haar de eis doet horen om die Wet te vervullen, wanneer Hij zegt : „Heb God lief boven alles, en de naaste als uzelf!" Ja, die deze Wet der liefde niet schrijft in stenen tafelen, maar op de vlezen tafelen des harten.
III. Mozes achter Christus.
De sterke man, die honderd en twintig jaren oud werd, en met Izak kon getuigen : „Ik weet de dag mijns doods niet", wist één zaak zeer zeker : dat hij nooit meer ver van de hemel was. Want het volk was. aan het einde van de reis, en hij zou niet medegaan in het land der belofte. Wij zien dan ook, nadat hij het volk met vaderlijke tederheid had toegesproken, de sterke man uitgaan buiten het leger. Met vaste hand omklemt hij zijn reisstaf en zijn voet wankelt niet, zijn borst hijgt niet, wanneer hij uit de vlakke velden van Moab de hoogte van Pisga opgaat en de Nebo beklimt. Met kloppend hart ziet hij over de vlakte, welke zich aan de andere zijde van de Jordaan aan zijn oog vertoont, nu de Heere hem dat erfdeel van Israël laat zien. Met verhelderde blik aanschouwt hij dat land in zijn gehele lengte, tot aan de achterste zee, en hij ziet de vallei van Jericho, en staart tot Zoar toe, en met smachtend verlangen heft hij de blik naar omhoog, waar het Vaderhuis is met zijn vele woningen.
En Mozes stierf! Het kon ook niet anders. Ook hij was stof van jongsaf, vlees uit vlees. Ook op hem rustte de schuld uit het Paradijs, en de smet der zonde drong ook tot hem door. Hij, de middelaar van het Oude Verbond, verdwijnt, om plaats te maken voor die van het Nieuwe Verbond, die, ja, ook geboren is uit een vrouw en geworden is onder de Wet, maar die niet geboren is uit de wil des vleeses, noch uit de wil des mans, maar ontvangen is van de Heilige Geest en zonder zonde is.
„Dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden" — was de boodschap van de engel tot Maria, die de moeder des Heeren worden zou. Mozes verdwijnt; waar deze Eéngeborene des Vaders komt, treedt Mozes in de schaduw ! Wie is bij Hem te vergelijken ? Bij Hem, die is het afschijnsel der heerlijkheid Gods, en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, die alle dingen draagt door het woord Zijner kracht; die Zich weliswaar voor een tijd beneden de engelen heeft gesteld en Zijn heerlijkheid verborgen heeft, maar nu gezeten is ter rechterhand der Majesteit Gods. Wie is eigenlijk bij Hem met recht te vergelijken? Mozes, of een der profeten, of een engel?
Ach, zij zijn stralen van Zijn licht. Maar Hij is de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde, de Almachtige !
Hij onderscheidt zich echter ook nog op een andere wijze van de middelaar van het Oude Testament, en daarin ligt juist het hoofdkenmerk van het Nieuwe Verbond : „Gij zijt de Schoonste onder de mensenkinderen !" Ziedaar het getuigenis van de Psalmdichter aangaande de Middelaar van het Nieuwe Testament.
Toen het aangezicht van Mozes schitterde tengevolge van de stralen der goddelijke heerlijkheid op Sinaï, was dat voorzeker schoon. Maar wat was deze schoonheid voor de kinderen Israels ? Als zondaren konden zij hem niet in het aangezicht zien ; zij verschrikten voor zijn glans. Daarom deed Mozes een bedekking op zijn aangezicht, zo dikwijls als hij met hen spreken wilde. Die heerlijkheid was het afschijnsel van de majesteit van de sterke, ijverige God, de glans der gerechtigheid. Maar alzo is het niet met de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Wij mogen onder het Nieuwe Testament de heerlijkheid des Heeren aanschouwen met ongedekt aangezicht. Wij behoeven niet te verschrikken, niet terug te deinzen voor de heerlijkheid van het aangezicht van Jezus Christus. Wij behoeven ons met onze zonden niet voor Hem te verbergen, gelijk de Israëlieten zich verbergen moesten voor het aangezicht van Mozes; want Hij is niet gekomen tot ons met Zijn wrekende gerechtigheid of als een verterend vuur, om de zondaar te verderven, maar als de goede Herder, die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is.
Toen Pilatus de Heiland buiten het rechthuis deed brengen en Hem met een bebloed aangezicht, de doornenkroon op het hoofd, de rietstok in de hand en de purperen mantel om Zijn schouders aan het volk vertoonde, sprak hij deze woorden: „Zie, de Mens!" Ja, wel : „Zie, de Mens, !" Maar toch zegt Gods kind naar waarheid van Hem: „Gij zijt de Schoonste onder de mensenkinderen!'' Hij toch, wie het vergund is in de Geest Hem in Zijn lijden voor doemschuldige zondaren te aanschouwen, die weet niet schoners ! Want gelijk Hij daar hing aan het kruis met Zijn verwond aangezicht, met Zijn doorboorde handen en voeten, zó hebben wij Hem nodig, want dat zijn de zegelen Zijner liefde !
Zietdaar de heerlijkheid, welke van het aangezicht van de Heere Jezus Christus afstraalt, aan Wie nog bovendien de ere wordt toegebracht van allen, die voor Zijn troon staan, van allen, die reeds verlost en ingegaan zijn in de eeuwige woningen, die juichen: „Het Lam zij ere en heerlijkheid en dankzegging, want Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed', uit alle geslacht en taal en volk en natie!"
Zo treedt Mozes geheel in de schaduw als Christusskomt. Mozes is tijdelijk, Christus is eeuwig, en daarom moet Mozes achterwaarts en Christus aan de spits. De profeet van het Oude Testament stierf in het gezicht van Kanaan. Hij mocht daar zijn volk niet brengen. Eén zonde was genoeg om hem dit voorrecht te ontzeggen, en wel mocht hij het land van verre zien, maar de grond niet betreden.
Christus, de Profeet, is zonder zonde. Op Hem rust geen schuld, aan Hem kleeft geen smet. Hij is méér dan Mozes. Hij leidt niet slechts tot aan de grenzen van Kanaan, maar brengt Zijn volk in de ruste, die overblijft. Hij voert ze door de wateren des doods en bevrijdt ze van de kolken der hel.
Mozes en Christus! O, gewis, bij een keuze tussen deze beide móge de beslissing niet moeilijk vallen, ook al schat gij de waarde van Mozes zeer hoog. Bij het horen noemen van zijn naam, bij het bepeinzen van zijn leven, gevoelt gij eerbied voor deze Godsman, die zo bevoorrecht werd en een profeet des Allerhoogsten mocht wezen. En zeker, Mozes heeft niet tevergeefs geleefd. Hij is het, die u door de Wet des Heeren verkondigt, wat God wil dat gij doen zult, en door die Wet predikt hij u : „doet dat, en gij zult leven!"
Maar niet alleen dit predikt hij u. Hij eist niet slechts door die Wet, maar hij verklaart u ook door elk woord der Wet zo diep schuldig en zo volkomen onmachtig, dat gij onbekwaam zijt tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. En wanneer dan de donder en de vloek der Wet over u henenrolt, en gij opziet naar de indrukwekkende gestalte van Mozes en gij uw handen smekend tot hem uitstrekt, is hij het dan die u de reddende hand der liefde toereikt, en biedt hij u dan de verlossing van de zonde aan?
Immers neen! Dan wijst Mozes u op zijn levensgeschiedenis en herinnert u, hoe hij wel geweest is een middelaar van voorspraak, maar geenszins van verzoening! Dan wijst Mozes u op de plaats, welke hij innam, en dat hij slechts een schaduw en type was van Eén, die meer was dan hij. Dan wijst hij u op die Profeet, van welke hij sprak, en die in Bethlehem geboren werd, in Nazareth en Kapernaüm leefde, en in Jeruzalem Zijn doodvonnis hoorde.
En als dan Mozes u schuldig verklaard heeft aan al Gods geboden, en gij, u zelf ziende in uw ongerechtigheid, behoefte gevoelt aan redding en verlossing, dan wijst Mozes u op Christus. En in diezelfde ure treedt Mozes achterwaarts en Christus vooruit, en Zijn stem klinkt zo roerend en teder u toe : „Komt herwaarts tot Mij, gij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven!" En Hij herinnert u, dat Mozes reeds vermaande: „naar Hem zult gij horen!"
Eeuwen rolden in de zee der eeuwigheid, sinds Mozes dit woord sprak,en eindelijk brak de ure aan, dat Christus, de beloofde Profeet, geboren werd. Bethlehem's stal predikt nog steed de komst van Christus in het vlees, en Golgotha herinnert nog steeds aan het sterven van Gods Zoon.
Jeruzalem en vele vlekken in Palestina kunnen nog de getuigenis afleggen, dat Jezus de Profeet geweest is, aan Wiens voeten menige zoekende ziel nederzat om naar Zijn woord te horen.
Werd ook uw hart daarvoor reeds geopend? Hebt ook gij Zijn stem reeds gehoord aan de voorpoort van uw hart?
O, weigert Hem toch niet om binnen te komen! Hij is het, die u toeroept : „Zo iemand Mijn stem hoort en de deur opendoet. Ik zal avondmaal met hem houden en Hij met Mij!" Hij is het, die u de zaligheid aanbiedt in en door Zijn bloed. O, hoort dan naar Hem, gij, die nog geen kennis hebt aan de weg der verlossing. Jezus is het, die u toeroept, dat Hij het is, die u deze weg wijst en op die weg voert. Jezus is het, die u leert, dat gij, schuldig zondaar, door Hem verlost kunt worden van al uw zonden, al waren ze ook rood als scharlaken en karmozijn!
Werpt u dan voor Hem neder, nu het nog de welaangename tijd is! Want wie tot Hem komt zal Hij geenszins uitwerpen!
(Leerdam)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's