Gesproken en geschreven
De Heilige Schrift Gods Woord. Het is voor velen nog een moeilijke belijdenis. Dat God door de profeten gesproken heeft, vindt bij velen geen tegenspraak. Maar de Bijbel, zoals die daar ligt, Gods Woord !? Dan begint men van letterlijke inspiratie te spreken, of liever daartegen te spreken, als een vinding van latere eeuw. De reformatoren deden dat niet. Dat is zo, maar toch beleden zij de goddelijke Schriftuur, d.w.z. dat de Heilige Schrift haar oorsprong bij God heeft en niet bij de mensen.
Calvijn maakt geen onderscheid tussen het gesproken Woord Gods en de Heilige Schrift. Dat doet ook de Schrift zelf niet. Christus spreekt van de Schriften, de Schrift en van alle Woord, dat de mond Gods uitgaat.
Wel zegt Calvijn nadrukkelijk en telkens weer, dat wij alleen door de Heilige Geest verstaan, dat de Heilige Schrift Gods Woord is. Hij zegt ook, dat die Heilige Geest ons in de Schrift het aanschijn Gods doet aanschouwen en, spreekt van het beeld Gods, d.i. Zijn Woord. (Inst. I, 9, 3).
Wel wordt onderscheid gemaakt tussen het spreken Gods door de profeten en de voorzienige zorg Gods om Zijn Woord onder de mensen te bewaren. God heeft altijd gezorgd, dat Zijn Woord in het geloof werd aangenomen en bewaard. En ook spreekt Calvijn telkens weer van de goddelijke doctrina (leer), gelijk hij telkens op de Heilige Geest als de inwendige Leermeester wijst.
Hieruit zou men kunnen distilleren : ziet gij wel, het gaat niet om de letter, maar om de hemelse leer.
Wij vragen : wat is eigenlijk de letter ? De letter is voor ons een teken voor een klank of een medeklinker geworden. De oorsprong van de letter ligt echter in de beeldende kunst, in de gave om hetgeen in ons is, wat ons hart vervult, uit te beelden en op die wijze zichtbaar te maken, wat verborgen was. En dit wel met de bedoeling, om in het gemoed van hem, die het aanschouwt, dezelfde voorstellingen, gevoelens en oordelen op te wekken, die het hart van de uitbeelder vervulden. Dit immers zoekt de kunst nog altijd te doen. Kunst openbaart daarin een vorm van de taal en wel een zeer algemene, boven de verscheidenheid der spreektalen uitgaande.
Nochtans is de spreektaal niet onderscheiden van die kunst, wat het wezen aangaat, want ook de spreektaal geeft expressie aan het innerlijke, met de bedoeling om bij de hoorder op te wekken, wat er in de spreker omgaat.
Het is niet nodig al de rijkdom en verscheidenheid van de taal en het taalvermogen te tekenen (en dat zou ook niet mogelijk zijn binnen het bestek van een artikeltje als dit), om toch de strekking te begrijpen.
Taal, het gesproken woord, het gebaar, de schets, de tekeninig, de schilderij, de compositie van toonkunstenaar, beeldhouwer en dichter, heeft iets, dat men als scheppend pleegt aan te duiden, omdat het in de ziel van de hoorder en aanschouwer wakker bedoelt te maken, wat in de ziel van de spreker of uitbeelder leeft. Taal gaat van ziel tot ziel.
Hierbij is een voortdurende wisseling van zien en horen, van het zichtbare en hoorbare, een transpositie van het ene in het andere, maar men blijft bij het horen en zien niet staan als bij klanken, kleuren en lijnen, het gaat om het bewegen en bewogen worden der ziel, om het innerlijk beleven.
Het geschrevene (en gedrukte) is wel een technisch verdorde vorm van beeldende kunst, maar toch een vorm, waarbij het gesproken woord, zichtbare gestalte aanneemt, op zichtbare wijze het gesprokene en gehoorde weergeeft. En het lezen is de merkwaardige kunst om het zichtbare weer om te zetten in het, hoorbare, in het gesprokene. Zoals gezegd, horen en zien gaan in elkander over, maar het gaat om het leven, dat er in is, om hetgeen in spreker en hoorder leeft.
Daarbij blijkt, dat horen en zien zielefuncties zijn. De ziel hoort door het oor, en ziet door het oog, maar het is de ziel, die hoort en ziet, de ziel, die door aanschouwen en horen tot aanschouwen en horen wordt gewekt.
Bij het horen en zien van aardse dingen en verschijnselen, kan in de ziel een wereld van voorstellingen, gedachten, waarderingen worden gewekt, voorzover de voorwaarden daarvoor in haar aanwezig zijn. Bij het horen van een vreemde taal, zullen alleen de gebaren wat zeggen, bij het aanschouwen van ongekende objecten, blijft men in het onzekere.
Spreken of horen verandert aan de zaak niets, maar de voorwaarden, die de ziel tot verstaan ontvankelijk maken, moeten aanwezig zijn, zal de taal haar doel bereiken.
Zo is en bliift Gods Woord Gods Woord in gesproken of geschreven gestalte, maar Gods Woord daarin beluisteren, de goddelijke dingen zien en horen, Gods aanschijn daarin ontdekken, vraagt bijzondere voorwaarden, omdat de goddelijke dingen in de verdorven mens niet leven. Maar God, die de mens schiep, opdat hij Hem zou kennen, die het menselijk taalvermogen schiep, zou Hij tot de mens in menselijke taal niet kunnen spreken, zodat Hij de ziel doet schouwen in die goddelijke dingen?
De menselijke taal kan in zijn medemens het menselijke oproepen en in beweging zetten, en zou het Woord van de Schepper van hemel en aarde. Zijn scheppende kracht ook in een gevallen mensenziel missen, zo Hij dat verkiest?
Wat anders kan het zijn, als Calvijn er op wijst, dat de Geest der profetie, die het Woord gesproken heeft, ook dat Woord doet verstaan in Zijn goddelijke Majesteit?
Het gaat immers niet om de gestalte, waarin het tot ons komt, hetzij gesproken of geschreven, maar om de goddelijke doctrina (leer), die daarin tot ons komt, om het profetische Woord in Zijn openbarende, d.i. scheppende kracht, zodat het ook in ons gestalte aanneemt door de werking van de Geest van Christus.
Als Calvijn voorts opmerkt, dat God altijd gezorgd heeft dat er mensen waren, die Zijn Woord in het geloof bewaarden, geeft hij daarin ook een schone aanwijzing voor de traditie van het Woord. (Judas spreekt in zijn brief van het geloof, dat de heilige is overgeleverd). De traditie kan distantie hebben gebracht tussen het gesproken Woord en de vastlegging in het Schrift. Maar daarmede is toch het Woord het Woord gebleven. Mondelinge traditie in de kring der gelovigen kan hier ook een rol gespeeld hebben, voorts priesters, levieten en mogelijk ook anderen. Wij denken aan de profetenzonen en, schrijvers der profeten. Op de kring der gelovigen, die het woord hebben bewaard, zie ook de belijdenis in artikel III, waar gesproken wordt van de bijzondere zorg, die God voor ons en voor onze zaligheid draagt. Het kan toch duidelijk zijn, dat het Woord bewaard is gebleven in de kring dergenen, die zijn goddelijke leer verstonden. Er is geen enkele grond om er aan te twijfelen, dat God altijd Zijn kerk heeft bewaard en in die kerk Zijn Woord. Het beroep op de Voorzienigheid ziet daarop met recht in de eerste plaats, hoewel die zich over allen en alles uitstrekt.
Het Woord Gods, dat de kerk bewaard heeft, is dan ook in de loop der tijden zeer verschillend van omvang geweest. De Godsopenbaring heeft ook haar geschiedenis en gaat in verschillende aspecten uiteen : Zij geeft niet alleen licht tot kennis, van God en Zijn werken, maar ook over de mens, zijn oorsprong, wezen en bestemming, zijn val en herschepping in Christus, over de verkiezing Israels en Zijn leiding met dit volk, over de wereld, haar geschiedenis en toekomst. Zij, die uit het profetische Woord hebben geleefd, hebben zich verheugd in het licht en uit die Geest getuigd.
Wij kunnen de Heilige Schrift dus ook zien als een openbaring van het leven der kerk van de beginne tot in de volheid der tijden, toen de verborgenheid van Christus in de wereld geopenbaard is geworden in de vleeswording des Woords. Met het getuigenis der apostelen werd de canon afgesloten en onder de leiding van het apostolaat het fundament van de wereldkerk gelegd. Deze zal bij haar uitbreiding onder de heidenen steeds weer in haar geslachten en onder de leiding van de Heihge Geest het leven der kerk doorleven tot in de kennis van de nieuwigheid des levens door het geloof in Christus Jezus.
In dat leven nu heeft de kerk der eeuwen de kracht en de waarheid van het geschreven Woord Gods ervaren en beleden. Zij is uit het Woord geboren en leeft uit het Woord en en zij beroept zich daarbij op het getuigenis van de Heilige Geest, die haar in de Waarheid leidt. In deze werkelijkheid der openbaring staat de kerk als de levende brief van Christus, die ons in het geschreven Woord wordt voorgesteld als de weg en de waarheid en het leven. Met die werkelijkheid zal hij, die zich met de studie der Heilige Schrift bezighoudt, moeten rekenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1947
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1947
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's