MEDITATIE
De Opgang uit de Hoogte!
Lucas 1 vers 78 en 79. Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte, om te verschijnen degenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes.
We leven thans in de donkere dagen vóór de Kerstdag. Op het noordelijk halfrond worden de dagen hoe langer hoe korter. De kringloop der zon werd dagelijks kleiner en nu zijn we weer gekomen, tot het dieptepunt.
Doch ziet, juist in deze donkere dagen laat God de boodschap uitdragen van het licht, hetwelk heeft geschenen in de duistere nacht. Men klaagt er menigmaal over, dat de kerk bij de wereld ten achter komt. Men beweert ook vaak, dat de Veluwse bevolking zo conservatief is. Als ik er wat op mag antwoorden, dan zou ik dit willen zeggen : Waren ze nog maar conservatiever.
Op menig terrein des levens volgt de kerk de wereld maar al te zeer. Het aanpassingsvermogen van de kerk op de weg der wereldgelijkvormigheid is vaak veel te groot. Maar op één punt is de kerk de wereld vóór. Ze predikt van het adventslicht als het nog donker en duister is.
Wat was die eerste adventstijd toch heerlijk. Op het gebergte van Judea volgden de wonderen elkander op. Het was een tijd van engelenverschijningen; het was een tijd van heerlijke lofzangen. De hemelen scheurden en de Heere kwam neder van de hemelse bergen.
Het is u natuurlijk bekend, dat de tekst die we boven deze overdenking schreven, ontleend is aan een van die lofzangen, namelijk aan de lofzang van Zacharias. Bij het offeren in het heiligdom was de engel Gabriel aan deze grijze priester verschenen om het hem aan te kondigen, dat hem in de dag des ouderdoms een zoon zou geschonken worden, wiens naam Johannes zou wezen. En dat kind zou er toe verwaardigd worden om de wegbereider te wezen van de komende Messias.
Zacharias had het maar niet kunnen geloven. In zijn ongeloof vroeg hij de engel om een teken en moest nu uit de mond van de engel de straf op zijn ongeloof vernemen.
„Zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot op de dag, dat deze dingen zullen geschied zijn; omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun dag".
En op de gezette tijd des levens schonk Elizabeth hem een zoon en op de dag der besnijdenis noemde men zijn naam Johannes. Toen werd de tong van de grijze priester weer losgemaakt en hij verheerlijkte God. En dit is het merkwaardige in die lofzang, die Zacharias aanhief, dat hij niet bezingt de heerlijkheid van zijn eigen kind, Johannes, maar alleen de heerlijkheid der verlossing, die door de Davidszoon geschonken zou worden.
En dan besluit hij zijn lied met de woorden : „En gij, kindeke, zult een profeet des Allerhoogste genaamd worden; want gij zult voor het aangezicht des Heeren henen gaan om zijn wegen te bereiden, om zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden, door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzer Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte, om te verschijnen degenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes''.
In onze tekstwoorden wordt Christus de Opgang uit de hoogte genoemd. Voor de geoefende bijbellezer is die beeldspraak niet vreemd. Jesaja had er reeds over geprofeteerd in het 9de hoofdstuk : ,,Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien, degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen". En elders luidt het: „Maak u op, word verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op".
En wie denkt niet onmiddellijk aan de profetie van Maleachi, waar sprake is van de Zon der gerechtigheid, onder Wiens vleugelen genezing zal te vinden zijn.
Doch genoeg. Het zal u wel duidelijk zijn, dat met die Opgang uit de hoogte de Heere Jezus bedoeld is. En nu moge de natuurlijke zon opklimmen uit de diepten beneden de horizon, de Zonne der gerechtigheid komt uit dte hoogte. Christus is God uit God. Hij is licht uit licht.
Nu spreekt onze tekst over het opgaan van Christus over een volk, dat in duisternis wandelt en dat gezeten is in het land van de schaduwen des doods.
Stel het eerst eens voor, hoe het gaat met de karavaanreizigers, die bij nacht voorttrekken door de woestijnen, maar opeens door de duisternis worden overvallen. De maan licht niet meer en ze zien de sterren niet meer flonkeren. Verder trekken wordt nu gevaarlijk. Men zou immers in de moerassen kunnen wegzinken ; men zou in de afgronden naar beneden kunnen storten. Er dreigde ook gevaar, in de hand van de rovers te vallen. Dan moest men wel aan de kant van de weg in de duisternis blijven zitten om te wachten op het krieken van de morgen.
O, wat een blijdschap, als ze de dag-vorstin weer boven de horizon zagen lichten. Dan konden ze de schreden weer op de goede weg richten.
Ziet, wat de Heere voor die karavaanreizigers in het rijk der natuur doet, dat doet Hij ook voor degenen, die in geestelijke duisternis zijn gezeten.
O, wat was het donker in die dagen, waarin de Zon des heils begon te lichten. Het was donker in de heidenwereld onder het Romeinse imperium. In Rome en in al de wingewesten werd alleen de mens verheerlijkt. De grote massa van het volk vroeg alleen maar om brood en spelen. Men leefde zonder God in de wereld, omringd door een nacht van zonde en ongerechtigheid. Lees maar eens het sombere beeld van de heidenwerleld, hetwelk de apostel Paulus in het eerste en tweede hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen ons heeft getekend. En onder Israël, het volk van de Godsopenbaring, was het al even donker. In de scholen van het Farizeïsme vond men enkel eigengerechtigheid, die niet verder kwam dan tot het hoogmoedige, ijdele danken, dat men niet was gelijk de anderen.
Geen wonder, dat Christus in de bergrede het moest getuigen: „Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn".
Als er één woord van 's Heilands lippen gevloden is om de toestand van het vleeselijk Israël op, de juiste wijze te tekenen, dan is het toch stellig wel dit woord. Bij de Sadduceën heerste een geest van verlichting. Men geloofde niet meer in het bestaan van engelen. Men lochende de mogelijkheid der opstanding. Ze mochten zich dan beroemen in de verlichting, inderdaad waren het ook kinderen der duisternis. Vooral in Galilea en in de steden rondom de zee van Tiberias woonde een samenraapsel uit alle volkeren, wat zo diep in de nacht van zonde was weggezonken.
Maar hoort nu het heerlijke profetische woord : „Het land Zebulon en het land Naftali, aan de weg der zee over de Jordaan, Galilea der volkeren, het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien ; en degenen, die zaten in het land en de schaduw des doods, dezelve is een licht opgegaan".
Juist in dat verachte Galilea der volkeren heeft Christus het woord van Zijn genade en Geest gepredikt aan arme zondaren.
Ook in onze eeuw is het donker en duister. Men heeft de twintigste eeuw wel de eeuw der verlichting genoemd, maar het is het licht van de kaars, die de duivel laat branden. Het is in de wereld donkerder dan ooit. Overal bespeuren we het begin van een massale afval. Men wil, evenals in de dagen van de Franse-revolutie, de lichten aan de hemel uitdoven. Door de genade van die God, die een God is der wetenschappen en der uitvindingen, is er veel ontdekt en uitgevonden, wat men een eeuw geleden niet kende en waarvan men zelfs niet dromen durfde. Maar helaas, al die uitvindingen werden ook weer in dienst gesteld van de vernietiging van elkander. Overal is een economische crisis aan het woeden, waarvoor men geen oplossing schijnt te weten. Aan de toekomsthemel pakken zich donkere wolken samen. Zullen er binnen korte tijd weer nieuwe oorlogen ontbranden? Aan de verheerlijking van de grote Schepper aller dingen denkt men niet. Er is wèl plaats voor dat aloude bekende woord van die koning uit de grijze oudheid : Dit is het grote Babel, wat ik heb gebouwd.
Lezers, het is zo gemakkelijk om een klaagzang aan te heffen over het verval der tijden en over de donkerheid van onze eeuw. Hoe staat het echter met ons persoonlijk ?
Onze ouden spraken van het ontdekkend genadelicht. Daarmede bedoelden ze dit, dat Gods Heilige Geest door het Woord het blinde oog van de arme zondaar zó komt te bestralen, dat men ogen krijgt om naar binnen te zien in zijn eigen hart en leven.
O, wat is het duister, daar vanbinnen ! Wat al zonden en ongerechtigheden!
Worden in de Heilige Schrift de zonden der mensenkinderen, of ze met de daad, of met het woord, of met de gedachten worden bedreven, niet werken der duisternis genoemd?
Lezers, van nature zijn we geen kinderen des lichts, maar veeleer kinderen der duisternis. Wat dragen wij allen een boos, een verkeerd en een verdorven hart om. Kunt ge het al met de blindgeborene zeggen : Eén ding weet ik, dat ik blind was, maar nu ziende ben?
Is het niet de belijdenis van elk mensenkind, in wiens hart het ontdekkend genadelicht heeft geschenen, dat men het waard is om verwezen te worden naar de plaatsen der buitenste duisternis, waar wening zal zijn en knersing der tanden.
Hebben de karavaanreizigers in de donkere nacht het uitgeschreeuwd : Wachter, wachter, wat is er van de nacht ?
Zo zal uit het hart van elke zondaar de vraag moeten opklimmen : „Zou er voor mij nog redding mogelijk wezen ? "
Maar ziet, in het Woord is niet alleen het leven, maar het leven was ook het Licht der mensen.
Dat licht, dat leven is in dat vleesgeworden Woord. Die Christus heeft in Bethlehem geschenen in de duistere nacht. Hij verliet het oord van het eeuwige licht om neder te liggen, in schamele doeken gewonden, in een kribbe, in een stal, welks wanden hij niet eens de zijne kon noemen. En in de schaduw van de kribbe zie ik het kruis. Daar hangt Gods Zoon aan het vloekhout en roept het uit aan het einde van de drie uren lange dikke duisternis : Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten.
Maar, hoort, het is licht geworden op Golgotha. De Opgang uit de hoogte heeft getriumpheerd over de duisternis.
O, heilzoekenden, is Hij u al dierbaar geworden, die rijke Borg, die uw schuld wilde overnemen en betalen aan het vloekhout?
Spraken we boven van het ontdekkend genadelicht — hier zien we lichten het vertroostende licht van de Zonne der gerechtigheid, die kwam om verlorenen te redden en te zaligen.
Zoekt ge nog enige grond in uzelf ?
Maar neen, ge vindt ze niet. Maar die grond ligt ook gelukkig niet in de mens. Moest ze daar gezocht worden, dan was het voor eeuwig verloren. Neen, die grond ligt alleen in de Christus. Of wilt ge het nog verder zoeken, let dan tenslotte op de beginwoorden van onze tekst, die ons spreken van de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid onzes Gods.
Lezers, hebt gij het gehoord, dat de grond voor uw zaliging alleen kan liggen in het eeuwig welbehagen ?
Dat hebben de discipelen verstaan. Ze riepen het uit: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.
Zalig, in zichzelf te worden ontgrond en dan te leren zingen:
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen, door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
(Harderwijk)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's