De vrijheid van de mens
Niet alleen het besef van vrijheid om een beslissing in de een of andere richting te kunnen nemen, ook niet het schuldgevoel en het besef van verantwoordelijk te zijn voor onze daden, noopt tot moeilijkheden inzake de praedestinatie, maar de Heilige Schrift zelf. Keer weder, gij afkerige kinderen. Indien gij Mijne geboden hoort en ze doet. Bekeert u, en indien gij u niet bekeert. Zoekt de Heere, en zoovele vermaningen en bedreigingen komen ons tegen in de Heilige Schrift, die maar niet eenvoudig te beantwoorden zijn met een wij kunnen niet, maar wel met een wij willen niet. Denk ook eens aan de vermaningen van de Heere Jezus Christus als : Jeruzalem, Jeruzalem, hoe dikmaals heb Ik u bijeen willen vergaderen als een klokhen haar kiekens, maar gij hebt niet gewild. Een gewoon gemeentelid, die de Heilige Schrift kent, kan vele voorbeelden in die zin aanhalen.
Wij zouden zo zeggen, dat onderstelt toch, dat een mens van Godswege wordt aangesproken als een, die zou kunnen, indien hij wilde. Wij kunnen door persoonlijk geloof zozeer van de verkiezende genade Gods overtuigd zijn, dat wij bereid zijn alles liever prijs te geven dan dit geloof, en nochtans staan wij voor deze waarheid en de vragen, die in het geding zijn.
Het kan zijn nut hebben om daarop de aandacht te vestigen, omdat wij dan tevens de bezwaren kunnen verstaan, die bij zovelen rijzen, die mogelijk niet zo vast staan in het geloof. Ook kan het goed zijn ons daarop te bezinnen, omdat een valse lijdelijkheid niet zelden dreigt iemand in de strikken van Satan te doen vallen.
Eén ding staat voor het geloof vast, dat God, de Heere, regeert, en dat geen haar van ons hoofd vallen kan tegen Zijn wil. Hij zegt door Jesaia : Ik formeer het licht en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, de Heere, doe al deze dingen. (Jes. 4 vers 7). Hij ontfermt zich die Hij wil en Hij verhardt die Hij wil. Het geloof twijfelt niet aan Gods volstrekte Souvereiniteit en vertrouwt er op voor tijd en eeuwigheid. Geen vrije-wilsleer of menselijke redenering mag toegestaan, die daarvan ook maar het geringste afdoet.
Maar daar staat tegenover, dat God de mens menigwerf aanspreekt als een, die vrij is om te horen of te verwerpen, om te erkennen of niet te erkennen. Zelfs van de heidenen zegt Hij, dat zij de waarheid ten onder houden en dat Hij ze daarom overgeeft in hun eigenwillige weg. (Rom. 1 vers 18 v.).
Dat moet ernstig genomen, want God speelt geen spel. Hij is geen mens, dat Hij liegen zou.
Hoe moeten wij daarmede nu aan ? Zullen wij de weg van Pelagius kiezen, die, uitgaande van de goedheid Gods, zegt, dat iedere mens bij zijn geboorte goed is, toegerust met een wil ten goede en ten kwade, dus vrij, zodat er van geen erfzonde sprake is ?
Zullen wij zeggen, dat de genade daarin bestaat, dat God de mens bij de schepping het vermogen om te kunnen heeft geschonken en daarna in de wet en in het voorbeeld van Christus een hulpmiddel om te volharden, n.l. aan degenen, die het goede willen ?
Het behoeft geen betoog, dat deze leer tegen de Heilige Schrift indruist. Om in de gedachtengang van Pelagius nog van praedestinatie te kunnen spreken, moet men zijn toevlucht nemen tot goddelijke voorwetenschap. Daarmede echter wordt ter wille van de mens tekort gedaan aan de Majesteit Gods. Maar men vraagt zich bovendien af, waartoe dan het offer van Golgotha. Niet in de Christus, maar in de menselijke verkiezing zou de grond der zaligheid liggen.
Met Pelagius en zijn navolgers komen wij niet uit de moeilijkheden, maar zij worden zo mogelijk nog bezwaarlijker, want de Souvereiniteit Gods gaat bovenal.
Als oorzaak van alle afkeer der rechtzinnige leer en van alle Pelagiaanse dwalingen zien wij onkunde niet alleen omtrent de Schriften, maar vooral omtrent de diep verdorven staat, waarin wij mensen vanwege onze val verkeren. Die val is zoveel ernstiger in zijn gevolgen en het oordeel Gods is zoveel strenger dan wij uit de werkelijkheid van ons bestaan kunnen begrijpen.
Waarom ? Omdat de genade Gods, die over de wereld is opgegaan, een bedeksel is van onze ware staat, zodat wij ons nog vele vermogens toeschrijven, hoewel die ons niet toekomen vanwege de zonde en het rechtvaardig oordeel Gods. Wij pronken met de gaven der genade, zonder te weten dat het gaven zijn.
Niet ten onrechte leert de Catechismus, dat de mens zich van al zijn gaven heeft beroofd. Maar als het dan zo is, en dat is zo, dan blijft er niets meer over. De orde der schepping werd door de zonde verbroken. Welke vermogens en gaven de mens in rechtheid ook sierden, ook een vrije wil ten goede en ten kwade, zij werden verloren, afgebroken, werkeloos en vruchteloos.
Alles goeds, dat men aan de menselijke natuur als schepping Gods wil toeschrijven, zoals Pelagius deed en het humanisme met hem, zou nog alleen voor de onverdorven natuur vóór de val gelden, maar geenszins na de val.
Dat is het, wat men vergeet of niet erkent. Eigenlijk wil men van geen zonde weten. Daarom heeft de gereformeerde prediking recht, als zij er op wijst, dat een mens daaraan ontdekt moet worden. Dat is ook een punt, waarom velen van haar niet gediend willen zijn. Zij verraden daarmede reeds hun Pelagiaanse gezindheid, hoezeer die met zekere vroomheid kan gepaard gaan. Pelagius was ook een vroom man. De theologen, die over praedestinatie willen redeneren, moeten zich van de verloren staat des mensen meer rekenschap geven, ook al zou dit slechts bij wijze van onderstelling worden overgenomen om de gereformeerde leer beter te kunnen verstaan. Aan de gans verdorven mens in de staat van zijn val (dus zonder de algemene genade Gods) kan en mag men niets toeschrijven dan de dood. Van hem gelden de „nieten" van Schortinghuis volkomen : geen wil, geen macht, geen vermogen.
Maar in die staat verschijnt de mens der geschiedenis niet voor ons aardse oog. De werkelijkheid is reeds een genade staat, zij het dan ook voor de tijd op aarde. Hij zou immers zonder de genade ganselijk niet kunnen bestaan.
Vooreerst heeft de mens alle rechten van zijn onverdorven staat verloren, wijl hij zijn gerechtigheid heeft ingeboet. Dit is het voornaamste punt van geschil en verschil met de Pelagianen. Deze toch erkennen geen erfzonde en houden het voor mogelijk, dat een mens zonder zonde zou kunnen leven. Zij zien niet, dat de overtreding van onze eerste voorouders het ganse geslacht met hen onherroepelijk heeft overgezet van de gerechtigheid in de ongerechtigheid, van de zedelijke reinheid in de onreinheid.
Het is schier onbegrijpelijk, hoe men blind kan zijn voor het onherstelbaar karakter van iedere handeling des mensen, alleen reeds, omdat wij niet terug kunnen. De overtreding is een weg van de gerechtigheid in de ongerechtigheid, maar er is geen weg terug. Ontvangen en geboren in ongerechtigheid, dat is ons aller staat. En uit deze staat is geen verlossing mogelijk dan door herschepping : „Gijlieden moet wederom geboren worden". (Joh. 3).
Over deze staat van ongerechtigheid is de genade Gods opgegaan, waardoor het aardse leven mogelijk is en op dat draagvlak van Gods algemene genade bestaan wjj in alle verscheidenheid, die er onder de mensen is: naar de mate der gaven Zijner genade. En nu handelt God met de mens overeenkomstig zijn wezen. Dat deed Hij in het paradijs, toen Hij de weg naar zijn bestemming in des mensen hand stelde op conditie van gehoorzaamheid, en zo handelt Hij ook met de gevallen mens als met een zedelijk wezen. Daarom geeft Hij het werk der wet in de harten van het heidendom. (Rom. 2 vers 14, v.) en openbaarde Hij Zijn wet aan Israël, het volk Zijner verkiezing.
Die veel ontvangt, heeft veel te verantwoorden. Er is een evenredigheid tussen Gods gaven en de verantwoordelijkheid van de mens. Als in Sodom en Gomorra de tekenen waren geschied, die Kapernaüm heeft gezien, zij zouden zich bekeerd hebben. Zo is er ook een evenredigheid, zelfs in onze verdorven staat, tussen de gaven Gods en het goddelijk oordeel over de ongehoorzaamheid. Immers het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag des oordeels, dan het land Zebulon en Naftali.
Als wij deze woorden van de Christus ernstig nemen, is het duidelijk, dat de mens macht heeft de roep Gods en de tekenen, die Hij geeft, ter harte te nemen of te weerstaan. Er is een erkennen of niet erkennen ook in de staat der ongerechtigheid. Die macht om te erkennen of niet te erkennen is niet minder van God geordineerd dan alle macht. Immers de Heilige Schrift leert, dat er geen macht is dan die van God, en alle machten, die er zijn, zijn van God geordineerd. (Rom. 13).
De mens heeft macht om te erkennen of te weerstaan, dat is zijn zedelijke vrijheid en de grond zijner verantwoordelijkheid en schuld. In de rechte staat had God hem macht gegeven om te gehoorzamen of te weerstaan, om te zondigen of niet te zondigen, zoals Augustinus het uitdrukte. In de gevallen staat heeft hij geen macht meer om niet te zondigen, omdat hij in ongerechtigheid is gevallen.
Hij heeft zichzelf ook van die macht beroofd, maar het werk der wet in zijn hart, geeft hem macht tot erkennen of niet erkennen van de waarheid Gods, die tot hem komt.
Dat is overig van zijn zedelijke vrijheid en macht. Zij reikt niet verder dan uitwendige bekering, wijl de zonde in hem heerst.
Alleen de onweerstandelijke genade Gods kan de zondemacht breken en nieuw leven wekken.
Daarom is het niet zonder grond, dat de theologie van onweerstandelijke genade spreekt, ziende op de zaligmakende kracht Gods. Aan die onweerstandelijke genade is de macht verbonden, kinderen Gods genoemd te worden. Want zovelen Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods genoemd te worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's