De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

4 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

82)

Als een echte Joodse geleerde had hij vooral een fijn begrip van de geheime betrekkingen van de ziel tot God en het wereldgeheel, maar slechts weinig begrip van de werkelijkheid van een boom, een dier, en de bodem der akkers. Hij kon wel vlijtig aan deze dingen arbeiden, maar nooit leefde hij daarin, ze liefdevol verplegend en verzorgend. Hij was daarom ook erg blij, dat Samuel zich in hoofdzaak daarmede bezig hield onder toezicht van Mandel en dat die daar wèl zijn liefde aan gaf.

Maar voor zijn jongen had hij een bijzondere verering, en Suze beschermde de knaap ook meer, dan hij zelf wel wist. Zij zag tot hem op en soms was er in haar liefde zelfs een zekere schroom. Zij verzorgde hem zorgvuldiger dan ooit, en iets als vragende, onzekere verering kwam onwillekeurig bij haar te voorschijn, — iets, dat hem verwonderde, maar toen ook weer tot verdubbelde liefde en eerbied hem aanspoorde, en dat hem ook de vurige begeerte ingaf, om, ook om der wille van zijn ouders, te trachten iets groters en beters tot stand te brengen dan de zoons van andere mensen.

Hij scheen wel geboren te zijn om met vreugde de geboden te volbrengen. Maar het kwam nu zó ver, dat hem het liefst zulke dingen werden opgedragen, die met vlijt en wat goede wil te doen vaaren, en die geen voortdurende opmerkzaamheid van zijn geest vereisten. Als er iets was, dat in hem moest worden gelaakt, dan was het deze eigenschap, dat soms bij zijn werk zijn gedachten ver van hem wegvlogen, héél ver weg zelfs, of heel in de diepte, of ook wel, dat zij helemaal niet meer bij het werk waren en in verre ronde doolden. Dan kon het wel eens gebeuren, dat zijn armen langs zijn lichaam neerhingen, en hij met grote ogen in het onzichtbare schouwend, moest wachten tot zijn geest weer terugkeerde. Als men in zo'n toestand hem aanriep, schrok hij hevig, schaamde zich en probeerde dan om door verdubbelde krachtsinspanning de verloren tijd weer in te halen. En 's avonds had hij altijd het werk gedaan van een volwassene, en verzonk hij in een slaap zonder dromen. Het waren echter alleen vreemden, die dit ene in hem afkeurden ; zijn pleegouders vuisten, dat deze dromen van overdag rein waren en vruchtbaar, en zo stonden ze hem gaarne toe met een lachje, dat toonde, dat zij er alles van af wisten.

Eens op een dag verscheen voor de Tulpenbloesemse hut de kleine Chaim met een kastje, dat zijn vader hem had omgehangen. Hij had kammen, messen en vorken, spiegeltjes en lucifers te koop, ook garen en zeep. Ook kousebanden en naalden ! Als men dit of dat niet wilde hebben, dan noemde zijn nog kinderlijk-onschuldige stem altijd weer een ander voorwerp, dat toch zeker nodig moest worden aangeschaft, en hij schaamde zich niet, om, als alles na elkander was geweigerd, toch nog een poosje in veelzeggend zwijgen aan de deur te blijven staan, of misschien niet het zien van hem de harde steen nog week kon maken. En als hij daar dan zo stond met een gezicht als een uil, de duimen aan zijn oksels onder de brede draagriemen, om het zware gewicht wat te verminderen, terwijl de andere vingers van zijn geopende hand vrij speelden, wist hij niet, dat hij op het punt stond om die houding aan te nemen, die Westerse grappenmakers plegen na te bootsen als het kenmerkend gebaar van de Jood, die waarschijnlijk zich zo heeft ontwikkeld door een marskramers- en koopmansbedrijf van vele honderden jaren.

De Thoraschrijver zag dat met verdriet, en hij verbood om van de kleine iets te kopen, 's Middags ging hij naar Lemberger toe. „Een enkele dorpeling is mij meer waard dan al die door de dorpen trekkende mensen uit de Golus! Als jij het dan niet anders wilt, ga dan zelf weer net als vroeger met vellen en lappen,  ik zal jou daarin niet verhinderen ; maar dan had je daarvoor ook niet hierheen behoeven te komen. Maar van je jongen wil ik het niet hebben. Geen enkel kind mag dat leren. Dat verbied ik als hoofd van het dorp. Men zal mij in Schaloom wel gehoorzaam zijn, en in Baitjisrael zal Nathans het ongetwijfeld ook verbieden. En de Arabieren zijn weinig koopkrachtig, en die kopen van je jongen dus ook niets van belang. Het zal niet veel opbrengen ; neem hem dat kastje gerust dus maar weer af !"

De koopman ziedde van woede, maar hij bood geen tegenstand, en Sinaï ging ineens door naar de Moechtar Nathans, en wist ook bij hem een verbod van marskramerij voor Joodse kinderen te be­werken.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's