MEDITATIE
De Hulp van de God Jacobs
Psalm 146 vers 5 en 6. Welgelukzalig is hij, die de God Jacobs tot zijn hulp heeft, wiens verwachting op de Heere zijn God is; die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; die trouwe houdt in eeuwigheid.
Als dit nummer van De Waarheidsvriend verschijnt, is het jaar 1947 onherroepelijk voorbij. Het is voorbij gesneld met al zijn lief en met al zijn leed; met al zijn zonde en met al zijn schuld.
Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij nog niet vernield zijn en dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben.
Velen hebben het einde des jaars niet mogen beleven. Ze hebben het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Op de Oudejaarsavond was het dan ook voor velen een pijnlijk gedenken aan het verleden, dat achter hen ligt. Ze staarden met weemoed op de ledige plaatsen, die hun lieve doden hebben achtergelaten.
O, wat onderscheidt ons van hen! De Heere had ook onze levensdraad kunnen afsnijden en ons lot voor eeuwig kunnen beslissen.
We richten op de eerste dag van het jaar ook weer de blik naar de toekomst.
Wat zal die toekomst ons brengen? Zullen we de gave, der gezondheid mogen genieten of zullen ook wij geteld worden onder hen, die misschien dit jaar op het ziekbed worden gelegd en moeten sterven ?
Zullen we de Oudejaarsavond van het jaar 1948 mogen beleven of zullen we misschien het jaar niet eens ter helfte brengen, omdat de goddelijke houtvester de boom van ons leven heeft getekend, zodat de bijl reeds aan de wortel van de boom is gelegd?
Zal voorspoed ons deel zijn, of zal de Heere ons misschien met rampspoed bezoeken? Het zou toch ook kunnen gebeuren, dat de Heere ons alles bij de hand en bij de voet kwam af te breken en dat de luchtkastelen, die we hebben gebouwd, met donderend geraas in elkander zullen storten.
Maar al zou ik ook met een arendsblik de toekomst willen doorboren, ik kan onmogelijk in de toekomst blikken. Het gelukt mij niet om het gordijn van de toekomst weg te schuiven.
Vindt ge het jammer, dat wij niet in de toekomst kunnen blikken ?
Ik acht het gelukkig, dat wij maar niet weten, wat er in de schoot van de toekomst voor ons verborgen is. Als we eens wisten van al het leed, wat ons in de toekomst te wachten staat, dan zouden we misschien geen moed hebben om nog één stap verder te gaan op het levenspad. En als ik nu al wist, welke zegeningen mij straks nog te wachten staan, dan zou ik nu misschien God niet meer nodig hebben, maar gelijken op Israël, van wie de Heere moest getuigen : Toen Jeschurum vet geworden was, sloeg hij achteruit. Daar vergelijkt de Heere Zijn volk met een rijdier, dat door de weelderige voeding zo dartel is geworden, dat hij begint achteruit te slaan.
Maar hoe het ook gaat, ik moet het jaar 1948 in. Het leven staat geen ogenblik stil. Zullen we de touwen van ons levensscheepje, die het aan de oever van de levenszee vastgemeerd houden, dan maar los maken ? De zeilen gehesen, de zwaarden losgemaakt, en nu maar afwachten, wat het worden zal ?
O, als het zo is, lezers, en niet anders, dan zie ik niets anders dan onzekerheid. Maar gelukkig hebben we u bij het begin van het nieuwe jaar een andere boodschap te brengen. Dan moet de blik worden gericht op het eeuwige Woord van God, hetwelk ons de weg wijst naar de veilige haven der eeuwige rust.
Deze tekst uit de honderd zes en veertigste Psalm spreekt ons van de God Jacobs. Misschien verwondert het u wel, dat de dichter de Heere niet heeft genoemd met de naam van de God Abrahams of met de naam van de God Isaaks, maar wel speciaal met de naam van de God Jacobs. Uw verwondering moet onmiddellijk wijken, als ge bedenkt, dat er niet één aartsvader was, wiens leven zó veelbewogen was als het leven van Jacob. Willen we dat leven van Jacob eens even in vogelvlucht bezien ? Ik denk aan hem, toen hij vluchtte voor de wraak van zijn broeder Ezau, die hij op bedriegelijke wijze zijn eerstgeboorterecht ontstolen had. Zie hem daar liggen te Luz, met zijn hoofd op een steen, als op een harde peluw neergelegd.
Bij Laban, zijn schoonvader, heeft hij de hitte des daags en de koude van de nacht moeten trotseren. Voor de jalouzie van zijn zwagers moest hij vluchten. Op het gebergte Gileads wordt hij door Laban ingehaald, maar door de Heere wondervol beschermd.
Aan de Jabbok heeft hij met God geworsteld, toen Ezau hem met enige honderden krijgslieden tegemoet trok. Toen hij zich in Kanaan gevestigd had, scheen het een ogenblik, dat de noden en de zorgen een einde zouden nernen. Maar ziet, dan volgt weer die droeve historie met Dina. O, wat moet Jacob daarover een verdriet hebben gehad!
En dan de diepe smart over Jozef, die stellig door een boos dier moest zijn verscheurd. Jaren later hongersnood in Kanaan ! De zonen van Jacob moeten naar Egypte om koren te kopen. Simeon keert niet terug. Hij moet voor die vreemde heer in de gevangenis blijven.
Honger is een scherp zwaard. Dat zwaard drijft er hem toe om tenslotte Benjamin mee te geven naar Egypte om die vreemde heer gunstig te stemmen. En dan komt er opeens weer uitkomst. Ze keren allen terug, de kamelen met zakken beladen. Benjamin en Simeon keren ook weer met de andere zonen terug en Jacobs blijdschap stijgt ten top, als hij het mag horen dat Jozef leeft en dat hij die heer is in Egypteland.
Op zijn oude dag zie ik hem in mijn gedachten voor koning Farao staan en ik hoor het hem uitroepen : Weinig en kwaad zijn geweest de dagen der jaren mijns levens en zij hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen in de dagen hunner vreemdelingschappen. Zie hier, u in zeer korte trekken het leven getekend van de aartsvader Jacob. Is het ook in zijn leven niet openbaar geworden, dat het waar is, wat Mozes in de negentigste Psalm heeft bezongen: Het uitnemendste des levens is moeite en verdriet.
En toch is er in dat leven van Jacob iets heerlijks, wat in duizende andere levens wordt gemist.
In de hachelijkste tijdsgewrichten heeft Jacob steeds zijn hulp bij de Heere gezocht. Reeds in zijn jeugd heeft hij de belofte van Gods verkiezende liefde omhelsd en in zijn ganse verdere leven heeft hij telkens zijn hulp bij de Heere gezocht.
Met al zijn noden en zorgen vluchtte hij telkens naar die God, die hem alleen helpen kon. Bovenal met zijn schuld en zijn zonden. Wat een eerlijke belijdenis heeft hij te Pniël afgelegd : mijn naam is Jacob, dat wil zeggen: bedrieger.
Wat heeft hij daar met God geworsteld: „Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent''. En de Heere liet Zich van hem verbidden. Immers wij lezen: En de Heere zegende hem aldaar.
Zo is het telkens gegaan in Jacobs leven. Zo is het ook gegaan in de ure van zijn sterven. Leunend op zijn staf, roept hij het uit: op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere!
Met recht staat er van de Heere geschreven, dat hij de hemel en de aarde heeft gemaakt, de zee en al wat er in is, en dat Hij trouwe houdt tot in eeuwigheid.
Zou er dat maar als bladvulling aan zijn toegevoegd? We lezen die woorden immers op zo menige bladzijde van de Heilige Schrift.
Hoe zou er echter één woord in de bijbel teveel staan opgetekend ?
Neen, die woorden staan daar op hun plaats. Die woorden kunnen onmogelijk worden gemist. De dichter van deze Psalm heeft de behoefte gevoeld om het uit te spreken, dat die God, tot wie Jacob zijn toevlucht nam, ook machtig is om te helpen en om te verlossen. Hij heeft immers de hemel en de aarde gemaakt. Ja, wat méér is. Hij is ook die God, die trouwe houdt in eeuwigheid en die nooit laat varen het werk Zijner handen. De ontrouw van Jacob, die zo menigmaal tot openbaring kwam, heeft de eeuwige trouw des Heefen niet teniet gedaan. Hij bleef getrouw, Hij kon zichzelven niet verloochenen.
Lezers, mag ik u nu nog eens een nieuwjaarwens doen toekomen ? Verwondert u echter over mijn wens niet. Ze klinkt paradoxaal.
Ik wens u toe, dat gij en ik als een hulpeloze in ons zelf in het nieuw begonnen, jaar onze hulp zullen zoeken bij die God van Jacob.
Ik noemde dit een paradoxale wens. Het schijnt immers zo vreemd om iemand toe te wensen, dat hij in zulk een conditie zal komen, dat hij hulp van node zal hebben. In mijn jeugd was er in de plaats, waar ik woonde, een vereniging, die de naam droeg van „Eigen Hulp".
Ge begrijpt natuurlijk wel, wat voor vereniging dat geweest is. Dat was een Coöperatieve vereniging. Ik laat dat verder rusten.
Maar in het natuurlijke en in het geestelijke-leven willen we van nature liever onszelf maar helpen. Dan hebben we God niet nodig. Dan zijn we lid van „Eigen Hulp".
Anders wordt het als onze ogen bij het ontdekkend genadelicht mogen worden geopend voor onze nietigheid, onze broosheid, onze vergankelijkheid, onze doemschuld en onze verlorenheid.
Dan kunnen we onszelf niet meer helpen. Dan komen we op de knieën met de bede van de tollenaar: O, God, wees mij zondaar genadig! Dan roepen we met de Kananese vrouw : Heere, help mij! Lezers, verstaat gij nu mijn paradoxale wens ? Hebt ge het door genade al leren verstaan, dat de dichter van de 146ste Psalm het toch bij het rechte eind had, toen hij zeide, dat de mens, die de God Jacobs tot zijn hulpe heeft, toch zo gelukzalig is ?
Ja, lezers, bij Hem alleen is het ware geluk te vinden voor tijd en eeuwigheid. En al zou het dan met u gaan als met Jacob, dat de weg menigmaal gaat door de diepte, dat het ook in 1948 geen huis zal zijn zonder kruis, en geen hart zonder smart, dan zal het ook ervaren worden door allen die als een arm zondaar tot Hem de toevlucht nemen dat het waar is, wat de dichter heeft gezongen:
God, die helpt in nood. Is in Sion groot.
Maar wat is daarentegen arm die mens, die het verwacht van zijn eigen hulp; die het verwacht van zijn eigen kracht en sterkte en inzicht, en daarom de Heere niet nodig heeft. En daarom, bij het begin des jaars op de knieën, om het te ervaren :
Wie in 't stof lag neergebogen, Wordt door Hem weer opgericht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's