LEERTUCHT
Bij de bespreking van de kerkelijke tucht in het algemeen werd terloops reeds de zorg voor de zuivere leer aangeroerd. Het onderwerp is echter belangrijk genoeg om er nog wat nader bij stil te staan. De belijdenis maakt onderscheid tussen de ware en de valse kerk. In artikel 29 worden de kenmerken van de, ware kerk opgenoemd. Daar wordt gezegd : De merktekenen, om de ware kerk te kennen, zijn deze : zo de kerk de reine predikatie des Evangelies oefent ; indien zij gebruikt de reine bediening der sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft ; zo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonden te, straffen, kortelijk, zo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daar tegen zijn, houdende Jezus Christus voor het enige Hoofd.
We zien dus, dat hier geëist wordt, dat het Evangelie zuiver, d.w.z. overeenkomstig de H. Schrift gepredikt zal worden. In de kerk word geen vrijbuiterij toegestaan, maar allen hebben zich te onderwerpen aan het Woord Gods. Ook de sacramenten moeten overeenkomstig de instelling door Christus bediend worden. Er zijn er dus slechts twee, en niet meer, zoals de Roomse kerk leert. En als derde kenmerk wordt hier genoemd de uitoefening der kerkelijke tucht. Het laatste staat uiteraard met de twee eerstgenoemde kenmerken in nauw verband. Want de tucht moet er mede voor zorgen, dat het Evangelie zuiver gepredikt wordt en dat de sacramenten niet ontheiligd worden.
Dit zijn wel zaken, die met de practijk van ons kerkelijk leven schijnen te spotten, maar het zal toch een eerste stap moeten zijn, om ons voor ogen te stellen, hoe het eigenlijk behoort te zijn. Daarom is het van belang om te zien hoe onze vaderen dit hebben getracht te bereiken.
De Dordtse Kerkorde eist daarom in artikel 53 instemming met de geloofsbelijdenis : De Dienaren des Woords Gods en evenzo de Professoren in de Theologie ('t welk ook den anderen Professoren wel betaamt) zullen de belijdenis des geloofs der Nederlandse kerken ondertekenen : en de Dienaren, die zulks weigeren, zullen de facto (werkelijk) van hun dienst door de kerkeraad of de classis opgeschort worden, tot ter tijd toe, dat zij zich daarin geheel verklaard zullen hebben ; en indien zij hardnekkig in weigering blijven, zullen zij van hun dienst geheel afgezet worden.
Op deze wijze werd gezorgd voor de zuiverhouding der leer. Toch zouden wij een al te eenzijdige indruk krijgen van deze zorg, wanneer wij alleen op deze bepaling zouden letten. Deze zorg strekte zich verder uit en was er ook op gericht, om moeilijkheden te voorkomen. Wie uitvoerig hierover ingelicht wil worden, leze eens de dissertatie van dr. H. Schokking : „De leertucht in de Gereformeerde Kerk van Nederland tussen 1570 en 1620". Ik moge daaraan het volgende ontlenen :
Niemand werd tot het predikambt toegelaten, dan nadat hij door de kerk geëxamineerd was. Het examen was een onderzoek van leer en leven. Zo werd in 1568 nodig geoordeeld, dat de candidaat moest hebben een getuigenis uit de plaats zijner inwoning aangaande zijn levenswandel. Hij moest een verklaring afleggen, dat hij met de leer der kerk eenstemmig dacht. Hij zou ondervraagd worden over de hoofdpunten der leer en moest minstens twee- of driemaal een tekst behandelen om over zijn preekwijze te oordelen. Een predikant, die van standplaats veranderde, kreeg een attestatie mede naar de plaats, waar hij de dienst des Woords zou voortzetten. Deze getuigschriften werden nauwkeurig gelezen en zoo zij niet voldoende duidelijk werden geacht, werden er nadere inlichtingen ingewonnen. In de tijd voor 1618, toen de Remonstranten aan invloed Wonnen, werden predikanten, ondanks hun attestatie, komende uit verdachte plaatsen, toch geëxamineerd. In Amsterdam ging men in 1614 zover, dat men besloot niet alleen met predikanten, maar met alle personen, die attestaties meebrachten, ondertekend door predikanten van onzuivere leer, samen te spreken, om te zien, hoe zij in de betwiste punten stonden. In 1618 werd dit voor geheel Noord- Holland bepaald.
Op de vergadering der Classis moest een der predikanten een korte preek houden volgens artikel 41 der D.K.O., die dan door de anderen beoordeeld zou worden. Dit kon aanleiding geven tot gedachtenwisseling en bespreking van moeilijkheden. In de preek voorkomende dwalingen of misverstanden konden bestreden worden. Een aanvankelijke afwijking der zuivere leer kon door broederlijke discussie gestuit worden, zonder dat er een aanklacht werd ingediend. Belangrijk was ook de reeds genoemde vereiste instemming met de drie formulieren van enigheid. Werd aanvankelijk genoegen genomen met de ondertekening der geloofsbelijdenis, langzamerhand werd ook de catechismus ondertekend en bezwaren er tegen werden kerkelijk behandeld. Na 1619 werden hieraan de leerregels, te Dordrecht vastgesteld, toegevoegd.
De naam drukt reeds uit, dat de ondertekening der formulieren de enigheid des geloofs moest verzekeren. Men wenste, dat de kerk één zou zijn in geloofsovertuiging. Zij waren echter ook formulieren van zuiverheid, zoals verschillende synodes uitspraken. Uit de ondertekening moest blijken, dat men de formulieren in overeenstemming achtte met de H. Schrift en daarom wenste te aanvaarden als eigen overtuiging. Hierdoor wenste de kerk een waarborg te bezitten, dat de predikanten de zuivere leer zouden verkondigen.
Dit neemt echter niet weg, dat de belijdenisgeschriften slechts een afgeleid gezag bezaten en steeds getoetst konden worden aan de H. Schrift. Indien iemand meende, dat de belijdenis op enig punt in strijd was met de H. Schrift, zo kon hij een gravamen daartegen indienen. In de bevoegde kerkelijke vergadering moest dit dan onderzocht, besproken en beslist worden. Dit had tot gevolg, dat particuliere gevoelens niet verbreid mochten worden, voordat de kerk er zijn instemming mede betuigde of althans ze niet in strijd achtte met de H. Schrift. Daarom werd er ook verlangd, dat men oprijzende bedenkingen, moeilijkheden en vragen, ter kennis van de kerkelijke vergaderingen zou brengen, opdat deze opheldering zouden kunnen geven. Dit had tot gevolg, dat uitgewerkte dwalingen voorkomen konden worden. Al dergelijke vragen werden tot de gravamina gerekend. De gravamina moesten dienen om een beter inzicht, dat aan een der lidmaten werd geschonken, aan de gehele kerk ten goede te doen komen of om misverstand weg te nemen.
Daarnaast was een zekere vrijheid van profetie geoorloofd. Daaronder werd verstaan, dat over zaken, waaromtrent de formulieren zich niet uitspraken, een zekere vrijheid bestond om naar eigen inzicht overeenkomstig de H. Schrift te leren. Dit had dan betrekking op middelmatige dingen ; echter was deze vrijheid toch weer zo beperkt, dat zij niet in strijd mocht komen met de formulieren.
Voorts bestond er een zekere tolerantie, die diende, om de eenheid der kerk te bewaren door een te goeder trouw dwalende tijdelijk te verdragen in, zijn verkeerd gevoelen, ook al ging het tegen de beleden leer in. Deze moest berusten op een besluit ener kerkelijke vergadering, waarin het afwijkende gevoelen was besproken ; voorts mocht dit afwijkende gevoelen niet geleerd of verbreid worden. In predikanten werd uiteraard minder geduld dan in gewone lidmaten.
Door al deze maatregelen trachtte men de zuiverhouding der leer in de kerk onzer vaderen te bevorderen. Het komt mij voor, dat hierin veel is, dat navolging verdient om uit de leervrijheid, waarin wij verkeren, te komen tot de handhaving der leer. Doch laat ons afwachten, wat de nieuwe kerkorde ons in dit opzicht te bieden heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's