De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Goddelijk ontfermen

13 minuten leestijd

Exodus 3 vers 7 en 8a. En de Heere zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hunne smarten bekend. Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren.

Waarde lezers!

God ziet de verdrukking, gelijk ons tekstwoord zegt : „Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is". De Heere wilde daarmede aan Mozes, die voorzeker menigmalen daar in de eenzamen en, stille uren van de 40 jaren, in welke hij de schapen in de woestijn hoedde, en nadacht over zijn zo zwaar verdrukt geslacht in Egypte, en zal gevraagd hebben of God het wel zag en wist — te kennen geven hoe door en door Hij alles met de blikken Zijner. Alomtegenwoordigheid en Alwetendheid aanschouwd heeft. Daar was niet éne smart, niet éne mishandeling, niet éne striem, die Hij niet gezien en aanschouwd heeft. Hij heeft meer en beter gezien dan Mozes zelf.

Zeer wèl gezien, geeft dus te kennen de medelijdende kennisneming en doorgrondlng van alle lijden en smart.

Hoe wonderlijk zorgde Hij voor Israël. Farao wenste het volk te verminderen, daarom verdrukte hij het zo ; maar hoe meer hij het verdrukte, hoe meer het vermeerderde en hoe meer het wies, zodat hij verdrietig werd vanwege de kinderen Israels. Zo ijdel was al zijn raadslag tegen hen; en dat was, omdat God met Zijn volk was, en het vermeerderde, niettegenstaande Farao trachtte het te verminderen. Alle instrument, dat tegen hen bereid werd, kon niet gelukken, omdat God in het midden van hen was. Israël had menigmaal gedacht: 't is hopeloos met ons; het zaad Abrahams gaat te gronde ; de vijand is te wreed en te machtig, de Heere heeft Zijn beloften aan de vaderen vergeten. Hoe troostrijk is dan deze verzekering voor Gods volk in zulke tijiden : „Ik heb het zeer wèl gezien". Daar komen immers zo dikwijls tijden, wanneer het volk van God in donkerheid verkeert en gans geen licht heeft, dat het dan met Israël moet uitroepen : „Mijn weg is voor God vergeten en mijn recht gaat van mijn God voorbij. De Heere heeft mij verlaten ; de Heere heeft mij vergeten". 0 ! de nood kan soms zo hoog gaan, zoals met Israël hier in Egypte. Alles was tégen hen, , en niets scheen vóór hen te zijn. Zij konden eindelijk, niets meer doen dan zuchten en schreien. In zulke tijden is het dan, dat de ziele volkomen met Asaf vraagt, wanneer haar wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt : „Zou God het weten en zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste ? '' Dit doet haar smekend roepen tot God :

,,Geef 't wild gediert', dat niets in 't woên ontziet. De ziele van Uw tortelduif niet over ; Laat, grote God, om een gehate rover. Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet".

En wederom :

„Dat elk verdrukt' Uw bijstand ééns erlang-; Laat, laat Uw volk niet schaamrood wederkeren ; Maar wil van hen ellend' en nooddruft weren, Opdat z' Uw Naam verheffen in gezang !"

O ! wanneer de ziele onder zware bestrijding zich bevindt, en de Satan op haar aanvalt, dan is er voor haar zo grote troost in deze verzekering des Heeren : „Ik heb zeer wèl gezien uw verdrukking".' Daarom mijn lezers, laten wij onder hoon en smaad van de vijand, onder verdrukking en lijden, nooit, moedeloos vragen : „Zou God het ook weten; ziet Hij ook mijn moeiten en mijn verdriet? " Brengt liever al die duizend angsten en zorgen óver uzelf, over Kerk en land en volk tot Hem, Die alles ziet en weet, en roept met de dichter voor Hem uit: „Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme".

Toen Israël daar dagelijks in nood tot de God zijner vaderen riep, had het voorzeker eindelijk, toen er geen uitkomst kwam, gedacht : Neen, de Heere ziet en aanschouwt niet, onze God hoort ons niet. Het was met hen, zoals het later met hun afvallige kinderen ging, ten tijde van Jesaja : daar scheen geen gebed door die dikke wolk der ellende, die over hun hoofd hing, te kunnen doorgaan; het oor des Heeren scheen zwaar geworden, zodat Hij niet horen kon, en Zijn arm verkort, zodat Hij niet redden kon. Bij dagen en nachten riepen ziji en schreiden, maar de verdrukking en ellende werd al groter en zwaarder. O! mijn lezers, om in zulke dagen, zulke donkere dagen, nog geloof en moed te houden, daartoe is bijzondere genade van God nodrg. Wanneer een kind van God een zwaar kruis te dragen heefit, en daarbij komen dan nog smaad en hoon des vijands, die spottend vraagt : „Waar is nu uw God? ", zoals de vijanden van David aan hem deden, toen hij voor zijn zoon Absalom vluchtte, dan is er genade toe nodig om zoals een Job toch aan zijn God vast te houden en niet te twijfelen. David zegt het ons in Psalm 42, hoe het hem te moede was, toen de hoon en smaad bij zijn ellende kwam. Mijn tranen zijn mij tot spijze, dag en nacht, omdat zij de ganse dag tot mij zeggen : „Waar is uw God ? "

Met een doodsteek in mijn beenderen honen zij mij, als zij de ganse dag tot rnij zeggen : „Waar is uw God ?" Gij weet het, de vijand is zo gewoon in zulke dagen te vragen : „Waar is de dag Zijner toekomst ? " Hij gaat goddelooslijk voort de rechtvaardige te verdrukken en zegt: „De Heere ziet het niet en merkt het niet" ; om dan in zulke dagen nog te hopen op God en stil in Zijn wil te berusten, ziedaar wat voor vlees en bloed alleen onmogelijk is. Alleen door een waar en kinderlijk geloof is het, dat men tot zijn medekruisdragers kan spreken en zeggen : De Heere ziet het, en de Heere weet alles.

Zo lezen wij ook in Maleachi 3, dat in zulke dagen tweeërlei sprake wordt gehoord ; sommigen, die in de beproevingen bezwijken, zullen zeggen : „Het is tevergeefs God te dienen, want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan voor het aangezicht des Heeren der heirscharen ? En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd, ook verzoeken zij de Heere en ontkomen". Telkens dezelfde strijd, de ellende van Gods volk en de voorspoed der goddelozen. Maar ook in die duistere dagen van Maleachi nog enkelen van het geslacht van Gods oprechte kinderen., Want de profeet zegt verder : „Alsdan spreken, die de Heere vrezen, een ieder tot zijn naaste: „De Heere merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die de Heere vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken".

Zalig zijn zij, die van deze geest zijn, die onder alle tegenheden aan hun God vasthouden door het geloof, niet twijfelende, maar volharden Hem na te volgen. Gewisselijk, zwaar moet die beproeving voor Israël in Egypte geweest zijn, onder al de verdrukking. Het scheen of de Heere hun smeking en hun gekerm niet hoorde. Hoe troostvol dan die verzekering des Heeren : „Ik heb hun geschrei gehoordl vanwege hun drijvers! Onze zuchten voor Hem niet verborgen. Elke zucht, het bange hart ontgleden, hoort Hij; hun tranen telt en vergadert Hij in Zijn fles. Zingt dan, inplaats van ongelukkig te klagen, in den gelove :

Al laagt g', o Is'rel, als weleer Gebukt bij tichelstenen neer, Toen gij uw juk moest dragen En zwart waart door uw dienstbaarheid, U is een beter lot bereid ; Uw heilzon is aan' 't dagen".

De Heere kende hun smarten.

„Want Ik heb hun smarten bekend". Dit kunnen wij beschouwen als de slotsom, waartoe de Heere gekomen was na het zien hunner smarten en het horen van hun geschrei. De Heere spreekt hier van Zichzelven op menselijke wijze, om aan de mensen enigszins een bevatting te geven van de zekere en volkomene kennis, die Hij heeft van al wat met Zijn volk gebeurd was. Het wordt zo treffend voorgesteld in hoofdstuk 2 : „En God hoorde hun gekerm en God gedacht aan Zijn Verbond met Abraham en met Izak en met Jakob. En God zag de kinderen Israels aan en God kende hen". Hij kende en doorgrondde niet alleen hun smarten en de stem van hun geroep, maar Hij kende hen in al hun verdrukkingen en smarten als Zijn kinderen, voor wie Hij zorgen moest als een Vader. Daarom zeide Hij zoveel als: Het is Mijn volk, dat daar in Egypte zo kwalijk behandeld wordt. Ik gedenk weder aan het Verbond voor hen met hun vaderen opgericht ; Ik zal hen niet in hun ellende verlaten. Ik heb hun smarten bekend.

O ! hoe troostrijk wederom voor Gods volk in lijden. Hun Vader weet al hun lijden en smart. Hij aanschouwt niet slechts, de uiterlijke zijde van hun smarten, zoals onze aardse ouders en vrienden dikwijls blijken geven te doen, omdat zij ons in het : harte niet kunnen lezen, neen. Hij leest elke verborgen smart des harten en Hij. proeft de nieren. Hij weegt nog gedurig het kruis voor elk Zijner kinderen en geeft hun daarenboven de mate der .krachten, die zij van node hebben om dat kruis te dragen.

Troosteloze, verdrukte, door onweder voortgedreven zielen! Hier is een Woord Gods tot u. Laat dit woord uw staf zijn op uw eenzame lijdensweg. „Ik heb hunne smarten bekend". Ik heb al uw smarten ook gekend, zegt uw God en Koning. Uw Heiland en Koning, de grote, barmhartige Hogepriester, de grote Doorbreker der schapen. Hij weet alles, wat er onder strijd en lijden en versmading in uw hart omgaat.

Want deze lijdensweg heeft Hij voor u bewandeld. En waar gij misschien denkt alleen te zijn, "wandelt Hij als de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs aan uw zijde en belooft u: „Ik zal u niet begeven, noch verlaten". Op de tijd, door Hem tevoren bepaald, zal Hij tot al die stormen zeggen : Zwijgt, weest stil, en gij zult u in grote vrede verblijden.

„Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren". Het bekennen van dte smarten van Israël werd voorgesteld als de slotsom van het zien en horen des Heeren van hun smarten en hun geschrei. Nu zien wij in het komen des Heeren om het te verlossen, het zalig gevolg van dat alles : „Daarom, zegt de Heere, ben Ik nedergekomen''.

De tijd der minne was nu daar ; de maat van hun lijden in Egypte was nu vol, de tijd om hen te verlossen en te troosten was nu eindelijk gekomen. Hoe verheugd was dan ook het volk, volgens hoofdstuk 4, toen Mozes en Aaron met deze blijde tijding tot hen kwamen: „En het volk geloofde en zij hoorden, dat de Heere de kinderen Israels bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden en aanbaden".

God Zelfl komt als het ware neder om Zijn ellendigen te redden. Dat had Israël niet meer kunnen hopen en verwachten. Want o, hun lijden duurde toen al zo lang, hun roepen was zo lange tevergeefs geweest. Daarom : Zo de Heere vertoeft, verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk komen en Hij zal niet achterblijven. Hij moge menigmaal toelaten, dat de wateren der beproeving aan uw lippen komen, maar Hij zal niet toelaten, dat zij u geheel wegrukken. Wanneer de nood de door Hem te voren bepaalde hoogte bereikt heeft, dan zal Hij u ter verlossing komen.

Komen! O, welk een dierbaar woord voor de oren dergenen, die de Heere geduriglijk met sterk zielsverlangen verwachten. Hij komt, gij gevangene des Heeren, die daar hoopt op Zijn Woord. Hij komt: gij door onweder voortgedrevenen, ongetrooste zielen, om u een eeuwiie vertroosting te brengen. En waar de Kerk des Heeren in het laatste der dagen weder in de vreselijkste verdrukkingen en vervolgingen zal moeten verkeren, daar zal dit woord: „Hij komt" hare kracht en hare sterkte zijn. Hij, die zo dikwijls kwam om Zijn volk te redden, zal eindelijk komen om het voor eeuwig vrij te maken van alle smart en pijn, van alle moeite en verdriet, van Satan, zonde en dood, opdat er eeuwige blijdschap op de hoofden Zijns volks moge zijn.

Mijn lezer. Is deze God ook uw God? Of behoort gij nog tot degenen, die Zijn volk smaden en verdrukken ? Indien nog het laatste, dan is het voor u een vreselijk woord : „Hij komt!" Want Hij komt niet alleen om Zijn volk te verfossen, maar ook om Zijn volk te wreken. Hoe schrikkelijk is het einde geweest van Farao en zijn volk, toen de Heere tot Egypte gekomen was. Gij reist ook dagelijks met grote schreden uw reize naar de eeuwigheid, en wat zal het eenmaal in die geduchte eeuwigheid voor u zijn? Daar zal geen schuld meer uitgewist worden, maar gij zult daar om uw schuld uitgeworpen worden in de buitenste duisternis, waar de rook van uw pijniging zal opgaan tot in alle eeuwigheid. Daarom, hoort nog naar des Heeren stem. Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden. Wendt u in de weg der middelen, tot de troon der genade, in Christus ontsloten voor een arm en ellendig zondaarsvolk. Ziet dan op de lijdende Verlosser van Zion, die een eeuwige verzoening heeft teweeg gebracht op Golgotha's kruis. Nu is er nog een bloed, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel. Een bloed, dat men met alle recht en bevoegdheid de aanklager der zielen kan voorhouden, waarmede men de zonde en de duivel overwinnen kan.

Die dorst heeft, kome èn drinke van het water des levens, om niet. Want een iegelijk, die van dit water drinkt, zal in eeuwigheid niet dorsten, maar hij zal het leven hebben, volkomene verlossing en eeuwige zaligheid!

Kinderen Gods! Gods weg loopt voor Zijn volk door de donkere diepten van het dal. Ziet het aan de helden des geloofs onder de Oude Dag; die bange zieleworsteling, zoals die door een Job, een David, een Asaf en een Jeremia ervaren werd. Maar wat in die worsteling door deze Godsmannen der oudheid nog maar ten dele verstaan werd, dat wordt volkomen doorgrond door de Man van Smarten, die het kruis heeft verdragen en schande veracht, om de vreugde, die Hem voorgesteld was. Door Hem, Wiens diepe vernedering ook door Israël in zijn bange verdrukking werd aangeduid, werd de levenswet des Koniiikrijks : „Door lijden tot heerlijkheid" gegrepen en vervuld. Maar waar dan nu ook door Hem, het Hoofd der Gemeente, het voetspoor getekend is, daar ontmoedige het u niet, maar zij het juist een kenmerkend bewijs van uw kindschap, als gij door vele verdrukkingen moet ingaan. Door Egypte naar Kanaan, dat is door lijden tot heerlijkheid, door het kruis tot de kroon, door strijd tot zegepraal.

Daarom : O ! gelukkig volk, gelukkig reeds hier beneden, omdat gij een nieuw hart hebt ontvangen, omdat uw zonden zijn uitgewist en omdat God u reeds telkens vertroost met het zalig gevoel Zijner nabijheid, hetwelk de wereld niet kent. Maar o, driemaal gelukkig zult gij zijn, als gij hier uw hoofd eens zult nedterleggen op uw, doodsbed. Als uw betrekkingen en vrienden over u treuren, dan zult gij reeds juichen voor de troon. Als de doodsklok over u zal luiden, om uw uitgang uit dit jammerdal aan de mensen bekend te maken, dan zult gij u reeds bevinden in het liefelijk gezelschap der engelen en gezaligden. En dat voor eeuwig, en dat zonder enige zonde, smarts of kruis of Godsgemis. Hoe kunt gij hier menigmaal nog treuren over kleine verdrukking. Hoe laat gij nog menigmaal onnodig uw hoofd nederwaarts hangen.

Komt toch, verblijdt u in de Heere!

Juicht, vromen, om uw lot; Verblijdt u steeds in God ! Roemt, roemt Zijn heiligheid ! Zo word' Zijif lof verbreid Voor al dit heilgenot.

(Uit „De Waarheidsvliend" van 20 Sept. '34).

(Schelluinen)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's