MEDITATIE
Den Krijg Leeren!
... opdat Hij hun den krijg leerde. Richteren 3 : 2m.
De groote grief van alle oppervlakkige mensehen tegen God en Zijn leiding is ajtijd weer : waarom heeft God het niet zóó gemaakt, dat de mensch van Hem niet afwijken kon, tegen Hem niet in opstand komen kon? Dan zou immers nooit een wanklank geschrijnd hebben door het levenslied der menschheid; nimmer 't kouter der smart scheuren getrokken hebben door den zieleakker des menschen. De paradijstijd ware dan nimmer afgebroken en het Ieed had geen toegang gevonden tot het levenshuis van den mensch.
Dit opstandig twisten met zijn Maker past het schepsel niet. Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: wat maakt gij ? Dit moest reeds afdoende zijn om den mond des tegensprekers te stoppen, want God is groot en wij begrijpen het niet. Maar behalve dat, zonder te willen fungeeren als pleitbezorger des Allerhoogsten, waarvoor Hij ons waarlijk niet noodig heeft, zeg mij: wat zal de waarde zijn van zulk 'n gedwongen gehoorzaamheid ? Hebt ge niet gelezen dat God van Zijn volk zegt: zij zullen Mij vrijwillig liefhebben ? Daarin heeft de Heere een welgevallen, en daarin alléén.
Gedraagt zich een aardsche vader op een wijze, het vaderschap waardig, wanneer hij het zijn zoon door opsluiting onmogelijk maakt het verbodene te doen ? Zal het resultaat van zulk een gehoorzaamheid vreugde wekken bij den vader of bij het kind; zal daardoor de band der gemeenschap versterkt en verinnigd worden ? Gij weet beter. Maar zal dan Gode betamelijk zijn, wat reeds den mensch misstaat ? Is dit soms bedoeld, als Paulus spreekt van het kwade overwinnen door het goede ? Gij weet beter.
Ik trok ze met menschenzeelen, met koorden der liefde, zegt de Heere zelf, waarvan dit de lieflijke God en menschverheugende uitkomst is, dat zij zeggen: Heere, Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest.
Dit is het wonder van Gods wijsheid en goedheid en alvermogen, dat alle dingen moeten medewerken ten goede dengenen, die God liefhebben en naar Zijn voornemen geroepen zijn. Uit deze bron welt het lied der verlosten, die aan de glazen zee zingen: groot en wonderlijk zijn Uwe werken, Heere, Gij almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uwe wegen. Gij Koning der heiligen.
Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heere; Uw oordeel rust op de allerbeste wetten!
Het zijn deze gedachten, die opkomen uit het Bijbelwoord, dat hierboven staat afgedrukt, „opdat Hij hun den krijg leerde". Gij weet, Iezer, dat Gods Vaderzorge over Zijn bondsvolk het niet dienstig achtte voor Israels kinderen, dat zij in Gods erfland zouden saamleven met de oorspronkelijke bewoners van dat land. De Heere weet, wat van Zijn maaksel is te wachten, waarom Hij hen leerde bidden : leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.
De Heere wist, dat van den dienst der valsche goden een machtige bekoring zou uitgaan tot Israels kinderen. De afzondering van dit volk zou schade lijden door de nabijheid van stammen, die de afgoden dienden. Gij moet wèl weten, dat Israël zijn bijzondere betrekking tot God niet dankte aan zijn eigen voortreffelijkheid boven anderen, aan de trouw van zijn aanhankelijkheid aan den God der vaderen. Integendeel, menigmaal, bleef Gods volk ver achter bij de gehechtheid, waarmee de volkeren hun valsche goden aanhingen.
Daar was maar al te veel grond voor de klacht, waarmee de Heere Zich bedroefde over Zijn volk: een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe zijns heeren, maar Israël heeft geen kennis en Mijn volk verstaat niet. Uit dien Hoofde kon dit onberekenbare volk niet in één land saamwonen met degenen, die de afgoden dienden.
Maar eigenzinnig als zondige menschen zijn, heeft Israël het beter willen weten dan Jehova ; het sloeg Gods waarschuwing . en gebod in den wind en liet de heidenen ongemoeid. En als zij nu nog maar trouw waren gebleven aan de belijdenis van Gods Waarheid, maar hoe zou 't ook mogelijk zijn ? Begint dan alle getrouwheid niet in kinderlijke gehoorzaamheid aan Gods gebod ?
En zoo werden de volken Israël tot een valstrik!
Ook dit is tot onze leering beschreven. Want al is 't waar, dat in de volheid des tijds de grenzen dezer afizondering doorbroken zijn, nog immer is wereldgelijkvormigheid de wortel van velerlei geestelijk kwaad. Die meent te staan, zie toe dat hij niet valle. Met de bede: „leid ons niet in verzoeking", make jong en oud volle ernst! Gij kunt door de wereld te ontvlieden en u in enge afzondering op te sluiten, de zonde niet buitensluiten, want zij woont en woelt in ons aller hart. Gij draagt haar mee naar binnen, tot achter de dikste muren, want gij draagt haar in uw eigen hart.
Maar merk nu op, hoe in den aanhef van dit hoofdstuk wordt getuigd, dat de Heere deze heidenen liet blijven om door hen Israël te beproeven. Gij verzwaart uw levensstrijd als gij wijzer wilt zijn dan God. Dat heeft Israël ondervonden.
Zeker, daar is bij den Heere geen verandering, noch schaduw van ommekeer, maar er komt een tijd, dat de Heere zegt: gij zijt Mijn stemme niet gehoorzaam geweest; gij wildet wijzer zijn en het beter weten dan Ik; welaan, dan zullen zij blijven, en Ik zal u door hen beproeven.
Gods Kerk leeft niet op een eiland; niet binnen veilige omtuining, wèlbeschut tegen booze invloeden en zondige verleiding; uw strijd zal zwaar zijn. Ziet, Ik zend u als schapen in 't midden der wolven.
Hachelijke toestand! Wat moet daarvan worden ? Waar zal dat op uitloopen ? Blootgesteld aan verleiding en aanvechting ; omringd door gevaren en vijanden.
Wat wordt er van ons in dien staat, o Heere, zoo Gij ons verlaat ?
Maar de, Heere verlaat de Zijnen niet, nóóit !
Door eigen toedoen wordt Israels strijd angstwekkend verzwaard ; wij spelen met vuur. En wij zijn zoo benauwend zwak en de vijand is zoo vervaarlijk sterk. In dien hachelijken kamp zijn wij ten doode opgeschreven, als ons lot ligt in eigen hand. Maar zoo is het gelukkig niet.
't Is wonderbaarlijk van Goddelijke trouwe aanhankelijkheid aan de Zijnen !
En nu moet gij eens opmerken, hoe de Heere handelt met Zijn volk; Hij trekt Zijn hand van hen niet af. Let op het heilig oogmerk des Heeren.
Uit het kwade doet Hij 't goede voortkomen.
Hij wil Zijn volk den krijg leeren! Hij leert hen hun vijanden kennen als vijanden. Door eigen toedoen wordt uw levens hoe lang zoo meer een leven van strijd. Maar daarin wordt gij niet aan uzelf overgelaten. De Heere wil het daarheen leiden, dat gij u leert verweren tegen den boozen vijand uwer ziel. Hij omgordt u met Zijn wapenrusting, de geheele wapenrusting Gods zooals Paulus zegt.
Wij moeten den krijg leeren. Daarmee heeft God Zijn wijze en heilige en liefdevolle bedoelingen. Hij wil Zijn vojk den krijg leeren.
En heeft Israël het nu geleerd? Heeft Israël zich kloek en moedig en trouw geweerd ? En wij ? Worden wij nu op deze wijze die krijgsknechten van Christus, die wederstaan in den boozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven ? Dat de Schrift zich zoo omstandig met het oude Israël bezig houdt, dat is niet, omdat dit volk op zichzelf zoo zeldzaam belangrijk is. Allerminst, maar de Heere wil door Israël Zijn Kerk aller eeuwen onderrichten; Israëls geschiedenis is de geschiedenis van de gemeente des Heeren in alle tijden. Aan dit volk spiegelt zich Gods volk door de tijden der eeuwen heen. En waarlijk niet tot onze eer!
Dit volk blijft hangen in de afkeering van Mij — zoo klaagt Jehova.
Heeft Israël nu den krijg geleerd ? Is 't alles verricht hebbende, staande gebleven?
Vind op dit vragen het antwoord in wat onmiddellijk volgt: Israels zonen namen zich vrouwen uit de dochteren der Kanaanieten, en Israels kinderen deden wat kwaad was in de oogen des Heeren.
Och, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een springbron van tranen ; weenen zou ik, dag en nacht, over zooveel ontrouw en snoodheid.
Kerk aller eeuwen, Kerk ook van dezen tijd, zie hier uw welgelijkend beeld; het dreunt met den regelmaat en de eentonigheid van zware molensteenen door Israels geschiedenis en door hèt leven van Gods Kerk: ontrouw en afval, oordeel en druk, klacht uit benauwing.
Hulpe van Omhoog! En dan weer: ontrouw en afval, enz. enz.
Och, dat mijn hoofd water ware!
Christenen van alle gading, uw wèlgelijkend beeld!
Wat wordt er van ons in dien staat, O Vader, zoo Gij ons verlaat ?
Maar 't is trouw, al wat Hij ooit beval. Het staat op recht en waarheid pal. Als op onwrikb're steunpilaren!
Hier is het wonder van alle tijden : God trekt Zijn hand van de onwaardigen niet af. Wèl komt ge, afwijkend, in de doornen terecht, maar vergeet het niet: God plaagt en bedroeft de Zijnen niet van harte. Hebt ge het moeilijk ?
Worden de vruchten van ontrouw en eigen dunk bitter en wrang ? Merk daaruit, dat God aan u denkt, in trouw en goedheid aan u denkt! Weet het, daar is zonder nood geen verlossing.
Lezer, lees nog drie, vier verzen verder in dit derde hoofdstuk van het boek Richteren; het is zoo ontzaglijk leerzaam. Misschien is er nog een enkele, die het ter harte neemt.
Daar staat het, vet gedrukt : wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen, Kuschan Rischataïm, „de Moor van dubbele wreedheid en boosaardigheid", krijgt Israël in zijn macht; let er op, - ik schrijf : krijgt Israël in zijn macht, van niemand minder dan van Jehova zelf, die — 't staat er met dezelfde woorden — Israël verkoopt in de hand, d.w.z. in.de macht van den Moorschen koning.
Deze Heelmeester Israels heeft Zijn volk lief, en daarom deinst Hij niet terug voor het bitterste medicijn. Hierop is Zijn zoeken gericht, dat het straks uit aller hart en mond zal gehoord worden:
'k Sloeg, eer ik werd verdrukt, het dwaalspoor in.
O, Israels geschiedenis is schoon en schrikkelijk; schoon om den glans van God trouw, die immer duurt. Schrikkelijk, om de hardnekkige zwerf en struikelziekte van dit volk.
Maar Godlof, eens drijft deze schoonheid die schrikkelijkheid uit, want Ik zal hem maken tot een pilaar in het huis mijns Gods, en „hij zal daar nooit meer uitgaan".
Eens zullen wij allen tot deze voorgestelde volkomenheid geraken, roemt het hooglied onzer belijdenis!
Maar 't duurt lang ; och wat, het komt, het komt gewis, want : Gods Raad zal bestaan, en Hij zal al Zijn welbehagen doen. Wie zijt gij, o groote berg, voor 't, Aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld! Maar ook alleen voor Zijn aangezicht; voor deze Hemelsche Zerubbabel is de macht van Israels vijanden minder dan een droppel van een emmer ; schuil dan, mijn ziele, achter Zijn schild, in Zijn volmaakte gerechtigheid, en gij zult veilig zijn!
Postscriptum, Ik wilde nog graag over Othniël, Israels eersten Richter, - schrijven ; ik vrees, dat plaatsgebrek dat voor 't oogenblik "onmogelijk maakt; daarover dan 'n volgenden keer.
(Amsterdam)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's