De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Een helse profetie met een hemelse beduidenis

11 minuten leestijd

Johannes 11 vs. 49 en 50. En één uit hen, namelijk Kajafas, die des zelven jaars hogepriester was, zeide tot hen: „Gij verstaat niets, en gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat één mens sterve voor het volk en het gehele volk niet verloren ga.

Wij betreden in gedachten de raadszaal van het Sanhedrin, het hoogste college van de Israëlietische volksgemeenschap, volksvertegenwoordiging en synode tegelijk. De stoel die gij daar in het midden ziet staan van de andere zetels, die in een halve cirkel zijn opgesteld, is de plaats van de voorzitter, de hogepriester Kajafas. Hij is de laatste hogepriester, die wettig daar zijn plaats heeft ingenomen, want reeds is de grote Hogepriester Christus op weg naar het kruis, om door de storting van Zijn bloed een einde te maken aan de priester-dienst van het Oude Verbond. Straks immers zal, als op Golgotha dikke duisternis gespreid ligt en van de lippen Jesu de woorden klinken: „Het is volbracht", het zware gordijn in de tempel scheuren en dan zal de priesterdienst van Aaron een einde hebben.

In één van de zittingen van deze hoge, joodse Raad, profeteert nu de laatste hogepriester van het laatste Offerlam.

Laten we eerst de aanleiding tot deze profetie beschouwen.

Vlak bij de heilige stad Jeruzalem was de dood overwonnen, doordat de Vorst des levens Lazarus had opgewekt. Als een lopend vuur ging dit gebeuren door de straten van de stad Davids en de mensen geraakten onder de indruk. „Zou deze niet mogelijk de Christus zijn ? Wordt in Hem niet de profetie vervuld? " Velen kwamen, door dit wonder tot de belijdenis, dat Jezus de Christus was maar anderen begaven zich naar de vergaderzaal der hoge synode om daar het grote nieuws mede te delen en de vraag te stellen: „Wat dunkt onze synode van deze mens, Jezus van Nazareth ? "

Op deze belangrijke vraag wordt nu de joodse Raad genoodzaakt een antwoord te geven. Wat zal hij antwoorden? „Kajafes, gij hogepriester, gij hebt de bijzondere openbaring Gods, gij hebt Mozes en de profeten, wat oordeelt gij over Jezus ? Heeft in de heilige rollen Jesaja niet van Hem gesproken als de Messias, Wiens arbeid het zijn zou de blinden ziende en de doven horende te maken, de kreupelen te doen wandelen, de armen het Evangelie te prediken en de doden (hoort gij wel, Kajafas ? ) tot het leven te brengen ? "

Ach, Kajafas weet niets, zij zijn met die mens uit Nazareth verlegen. Ze weten niets beters te doen dan inderhaast de ganse Raad samen te roepen en het enige wat ze wel gevoelen is, dat er nu iets gebeuren moet, neutraliteit is verder niet raadzaam. „Wat zullen we doen ? " zo vragen ze aan elkaar, „want deze mens doet vele tekenen!" Maar inplaats dat ze deze tekenen bij de Schriften onderzoeken en bemerken dat deze wonderen de arbeid zijn van de Messias, willen de Schriftgeleerden helaas door de Schrift niet geleerd worden.

Ze zijn er alleen maar op uit om op hun schone stoel te blijven zitten, zij willen alleen maar zichzelf handhaven in hun eervolle posities van leden der hoge synode. Luister naar hun helse woorden : „Indien we Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven en dan zullen de Romeinen komen en wegnemen beide, onze plaats en ons volk". En later zeggen zij : „De gehele wereld loopt Hem achterna". Hierin geven ze zich helemaal bloot: Zij zijn bang dat Jezus nog meer aanhang zal krijgen en dat kan hun hun mooie stoel en hun eerwaardig ambt kosten. Misschien zullen de mensen Jezus uitroepen als de Messias, dat zal een heel tumult geven in Jeruzalem en in alle steden, want Hij is overal geliefd. De bezettende macht der Romeinen zal dit rumoer opvatten als opstand en dan komt er wapengeweld aan te pas, dat tot gevolg kan hebben dat Jeru­zalem, de tempel en onze voorname positie als Joodse Raad, worden weggenomen. Dan is het met ons college gedaan. En dat nooit! Liever Jezus van Nazareth verloren, dan onze positie verloren. „De hele wereld volgt Hem na", daarmee bedoelen ze „de hele wereld loopt van ons weg". En dat willen ze voor geen prijs, zij willen de mannen blijven. En om hun vreselijk egoïsme een schijn van vroomheid te geven, gaan ze nu bij monde van Kajafas argumenten zoeken voor hun Christusverwerping.

Doch, lezers, de vraag die aan de Joodse Raad gesteld werd, wordt ook aan ons gesteld : „Wat dunkt u van Jezus van Nazareth ? " Deze vraag wordt reeds lang gesteld aan de Snode van onze Kerk en aan al de lichamen, die met haar in verbinding staan, êie met elkaar het kerkelijk Jeven reguleren. Reeds lang wachten we op een duidelijke uitspraak, onomwonden en klaar. Maar velen zeggen : „We moeten de waarheid nog zoeken en zijn daarmee ijverig bezig''. Ach, hoogeerwaarde vergadering, leidinggevende personen, heeft God zich niet in Zijn Woord geopenbaard, hebt gij behalve Mozes en de profeten, ook niet de leer der apostelen, het getuigenis van Jezus Christus? Geef toch een ongecamoufleerd antwoord op de vraag : „Wat dunkt ulieden van Jezus, de Nazarener ? ", wanneer ge althans ernstig en eerlijk zijt in uw zeggen van : gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op de bodem der belijdenisgeschriftten!

Hoewel wij achter de feiten staan en veel beter mogen weten dan de Schriftgeleerden hoedanig de arbeid van Jezus geweest is, niettemin blijft de vraag knellen: „Wat dunkt u vin de Christus ? " Wij zullen als Gereformeerde mensen wel heel veel van de leer van Christus weten" en wel voor deze belijdenis strijden, maar het gaat om de levens- en stervensvraag: „Wie is Jezus voor u en uw leven ? " Maar blijkt het dan niet, dat zo velen in hun hart nog vijanden van Hem zijn, dat wij evenals de Sanhedristen maar gaarne op ons eigengemaakte, „vrome" stoeltje blijven zitten en vandaar af onze bevelen en commando's geven, misschien wel met de belijdenis in de hand. Ach, als Jezus ons te na komt en als het erom gaat van je troontje te vallen, om als een goddeloze te worden opgenomen, dan blijven we toch zitten en spreken dat ontzettende woord : „Als ik gelegener tijd zal hebben "

O, als de Heere niet door de macht van Zijn Geest ons breekt in ons eigen ik, dan gaan we verloren met al onze stichtelijkheid en vroomheid. Zijn er niet maar twee wegen ? Maar velen houden er een tussenweg op na: „Ik ben nog wel niet bekeerd, maar wel goed Gereformeerd". Weest gewaarschuwd en laat u nog met God verzoenen !

Welk een onwaardeerbaar voorrecht als we de vraag : „Wat dunkt u van Jezus ? ", mogen beantwoorden met : „Hij is de mijne en ik de Zijne, Hij kwam neder om in mijn dood het leven te bereiden; Hij voerde mij uit de diepte mijner zondeschuld en stelde mijn voeten op de weg ten zaligen leven. Zulk een is mijn liefste en mijn vriend. Hij is mijn zonde geworden en ik Zijn gerechtigheid". Alleen als wij Hem kennen in de schoonheid Zijner Middelaarsbediening, dan geven wij, al zouden tien Synodes het anders zeggen, op deze vraag dit getuigenisvol antwoord: „Ik heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben".

Kajafas profeteert van Jezus' sterven, maar doet dat onbewust met een helse bedoeling. De taal van de hel beluisteren wij in dat:  "het is ons nut". Hier spreekt het egoïsme in zijn grofste vorm, hier is de politiek van mijn belang, hier is de list om de partij op de stoel te laten blijven. Kajafas, nog wel de hogepriester, die een dienend ambt heeft, wil voor zijn eigenbelang Jezus wel prijsgeven. Die Nazarener moet maar opgeofferd worden, opdat wij als volk van Israël behouden blijven. De uitroeiing van Jezus uit Israels volksbestaan is volgens hem het behoud van de wereld. Als we dat niet doen, zegt hij, dan komen de Romeinen om de laatste resten van onze zelfregering weg te nemen. En daarom: één voor allen moet sterven, één voor allen. Bemerkt ge wel, lezer, welke inhoud Kajafas' woord heeft; dit woord is vol van hemelse muziek, want ook de hemel roept: „Eén voor allen, opdat de wereld behouden blijve". Maar Kajafas' bedoeling is hels, hij wil in dit woord niet het evangelie prediken van het plaatsvervangend lijden en sterven van Jezus Christus, maar hij ziet Jezus als een zieke plek in het lichaam van het Joodse volk en die plek. moet uitgesneden worden om het lichaam gezond te houden. Wij willen onze plaats, onze mooie Synodestoel niet kwijt, daarom moet die Nazarener uit de weg worden geruimd. Ach, Kajafas, lees eens in Jesaja 53: „Hij is om onze overtredingen verwond en door Zijn striemen is ons genezing geworden". Maar Kajafas, de godgeleerde, is niet van God geleerd, hij kent niet de ondergrond van de Heilige Schriflt.

Wel spreekt hij hemelse taal, maar de bedoeling is duivels en hels.

Wat is mijn nut ? Is dat niet de taal van de onbekeerde mens ? Eén voor allen, is dat niet ook onze spraak ? Sprak jaren terug de wijsgeer Nietzsche niet, dat het zwakke in de wereld moet ondergaan, opdat het sterke, de Uebermensch, regere ? Dat was de godsdienst van het nat. socialisme, maar is dat in principe ook niet de godsdienst van de onherboren mens ? Zeggen we niet met zoveel woorden : „De één zijn dood is de ander zijn brood" ? En brengen we dit woord, hoe geraffineerd ook, niet dikwijls in toepassing ? Niet alleen tegenover onze naaste zijn wij van die Kajafas-figuren, maar ook tegenover God en Zijn Christus smeden wij onze Kajafasplannen. Als het er om gaat, geven we de hele godsdienst, het „geloof en de belijdenis eraan, als wij maar kunnen blijven wie wij zijn. Een mens wil nog wel graag naar de hemel, maar hij wil ook zichzelf blijven, maar dat gaat niet, want Goddienen en de Mammon is onmogelijk.

De Kajafasgeest en het Kajafasplan vindt straks de hoogste vervulling in de Antichrist, die alles zal wegtrappen wat hem tegen is. Doch weet ge het reeds, dat die geest ons van nature eigen is ? Neen, dat is niet te-somber gesproken, want er is niemand die goed is, niet één. Onze voeten zijn snel om bloed te vergieten en onze keel is een geopend graf en er is geen vreze Gods voor onze ogen. Deze leer is de eeuwen reeds bestreden als strijdende met het fatsoen en de humaniteit der mensen. Men wil niet horen de taal der confessie, dat we van nature geneigd zijn God en de naaste te haten. Daartegen komt een groot deel der „christelijkheid" in het geweer : „Weg met deze, hij gooit roet in 't eten". De historie is vervuld met voorbeelden. Ach, kent gij, lezer (ja, ik bedoel u) u ook reeds als iemand, die een vijand van God en Christus zijt ? Kom, wees niet langer zo neutraal, geef nog een antwoord, dat uw ziel doet gloeien op dte vraag : „Wat dunkt u van de Christus ? "

Hoewel de profetie van Kajafas hels is, heeft ze een hemelse beduidenis. Want onbewust predikt hij hierin al de Raad Gods. Ja, ook de Heere heeft eeuwen aaneen laten prediken, dat het nut is dat één mens voor het volk zou sterven, opdat het gehele volk niet zou verloren gaan. God is machtig, waar Hij zelfs de vijand Kajafas van dit grote wonder der plaatsbekleding laat getuigen. Eén voor het volk, dat was reeds de inhoud geweest van de moederbelofte. Eva's grote Zoon zou voor de zaligheid van haar nageslacht de verbrijzeling Zijner verzenen moeten ondergaan.

Eén voor allen, dat was het eeuwen oude evangelie geweest in de dienst van tabernakelen tempel, waar het bloed der offerdieren heenwees naar het bloed van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Dat Evangelie had Jezus zelf gepredikt, maar de discipelen hadden het toen niet verstaan en Kajafas en de Synode hadden daarvan niet willen horen. Doch nu predikt de hogepriester ditzelfde evangelie van het plaatsbekledend sterven van de Christus des Heeren. Ja, mijn lezer, hier hebt ge nu het plan Gods, dat naar de letter wel met het Kajafasplan harmonieert, maar in de geest geheel daarvan verschilt. Dit plan, één voor allen, is in de eeuwigheid reeds uitgedacht: Gods eigen Kind Jezus Borg geworden voor een geslacht van gevloekte zelfhandhavers. Kajafas profeteert van Hem, op Wien het hele Oude Testament wacht, naar Wiens dag Abraham en al de broeders en zusters met heimwee der zielen hebben uitgezien, het grote offier voor de zonde!

Hij gaf zich over aan het recht des Vaders, droeg de toorn Gods tegen de zonde van ons geslacht. Hij, de Ene, voor het volk, van eeuwigheid bemind. De Ene verbrijzeld, verlaten, bespuwd, geslagen, opdat het volk niet verloren ging !

Altijd wees de hogepriester het lam aan dat geslacht moest worden, en Kajafas, de laatste priester, wijst hier onbewust het laatste, het enige, het grote Lam aan, dat Zijn bloed zal geven om het volk te zaligen. O, mijn ziel, deze Middelaar, deze Ene moet gij hebben, en 't is met u voor eeuwig wèl. Die Ene is Gods lieve Zoon. Zijt ge bezwaard, mijn ziel, en weet ge niet hoe te bestaan voor de Eeuwige ? O, de Heilige Geest spreekt : „Eén voor allen". „Ja", zegt mijn ziel, „Gij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven. Leg mij als een zegel op Uw priesterlijk hart en reinig mij in het bloed, dat voldoening geeft aan U en verzoening aan mij, tot in alle eeuwigheid".

Wat dunkt ulieden van die Ene, van Jezus van Nazareth ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's