De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragenbus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragenbus

6 minuten leestijd

Vraag 1. Ik lees in 1 Samuel 10 : dat God het hart van Saul veranderde in een ander. Wat hebben wij onder deze hartsverandering te verstaan, gezien Saul's einde ?

Vraag 2. Wat is het verschil tussen Supralapsarisme en Infralapsarisme en onze Belijdenisgeschriften zijn deze Supra- of Infra ?

Vraag 3. Zou de 12-jarige Jezus in de tempel zich al ten volle bewust geweest zijn van zijn Messiasschap ?

Vraag 4. Of de discipelen na de uitstorting van de Heilige Geest de onderdompeling in het stichten der gemeenten in stand hebben gehouden ?

ad 1. De vrager heeft wellicht ondersteld, dat de verandering van Saul's hart ziet op een zodanige, die wij bekering in de zin van wedergeboorte noemen. Hoewel ik huiver, om over de souvereine genade Gode te oordelen, en deze zaak in het midden laat, ligt die opvatting toch niet in de tekst. Ik spreek dus niet over de staat van Saul. Wèl moet er op gewezen, dat de tekst heel duidelijk ziet op de profetische gave. Zie slechts, wat er volgt, vooral in vers 10 en 11. Voorts is er aanleiding om de verandering van Saul's hart op het koningschap te betrekken en dus op de gaven van het koningschap. Het is zeer duidelijk, dat Saul daarmede in zich zelf werkzaam is geworden. Zie vers 16. Saul moest openbaar worden als de gezalfde des Heeren. En dat is openbaar geworden en werd ook erkend door degenen, wier hart God geroerd had. (Zie vers 26). Denk er ook aan, dat David grote eerbied heeft voor de gezalfde des Heeren. Tenslotte heeft Saul de vijanden overwonnen. (Zie hoofdstuk 11).

De verwerping van Saul betreft uitgesproken zijn koningschap. (Zie hfdst. 15 vs. 26 en 35).

Wat de persoon van Saul aangaat, het woord van Samuel in hoofdstuk 28 vers 16 is zeer ernstig : „dewijl de Heere van u geweken en uw vijand geworden is". Ernstig is ook het einde. Saul's zelfmoord is een zwaar argument. Hij geeft zich niet over in de hand des Heeren en de Filistijnen hebben met zijn dode lichaam gedaan, wat zij wellicht met de levende Saul zouden hebben bedreven. Het valt niet te ontkennen, dat dit alles een beeld van verwerping is.

Die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

ad 2. Dat is een ingewikkelde zaak. In de grond der zaak gaat het over de betrekking der praedestinatie en de zonde. Gewoonlijk drukt men het uit in de volgorde van Gods besluiten in verband met de val des mensen, infra = beneden ; supra = boven ; lapsus = val. Vandaar benedenvaldrijvers of bovenvaldrijvers. .

Heeft God in Zijn eeuwige raad eerst besloten tot verkiezing en verwerping en daarna tot schepping en val, of andersom : eerst het besluit tot scheping en val en daarna tot verkiezing en verwerping. In het eerste geval gaat het besluit der verkiezing aan dat aangaande de val vooraf — boven de val (supra), in de tweede gedachtengang volgt de verkiezing op dat van de val — beneden de val (infra). Het komt er dus op neer : ligt de val onder het besluit der praedestinatie, is de val gepraedestineerd, gaat de raad Gods over de val ?

Ja of neen ?

De supralapsariër zegt ja.

Maar kan de infralapsarier even beslist neen zeggen ? Zou de val zo maar geheel buiten de raad Gods omgaan ?

Men gevoelt de moeilijkheid. Sommigen zeggen, : God heeft de val toegelaten. Anderen spreken van de voorwetenschap Gods. Maar zo komt men toch ook weer bij God uit.

Er zou nog meer over te zeggen zijn en mogelijk schrijven wij daarover nog wel eens een artikel. Wij zijn echter van óórdeel, dat hier een veld van speculatie open ligt; hetwelk wij niet moeten zoeken. De Dordtse vaderen hebben deze kwestie in het midden gelaten en in de vrijheid, zodat infralapsaristen en supralapsaristen elkander niet mogen verketteren. De meeste gereformeerde theologen zijn supralapsaristen.

Maar nog eens, men wachte zich voor speculatie en voor een nieuwsgierigheid, die ons niet past. Calvijn komt ook bij de vraag : waarom heeft God aan Adam geen kracht der volharding gegeven ? Wij weten het niet, zegt hij, maar als wij het zouden weten, zouden wij zien, dat God rechtvaardig is.

De belijdenisgeschriften worden veelal infralapsarisch genoemd. (Vgl. art. 14—16 Ned. Geloofsbel. eerst over de val en daarna over de verkiezing). Beslissend is dat o.i. niet, omdat de belijdenis niet speculeert, doch uit het leven der kerk opkomt.

Overigens belijden alle gereformeerden de volstrekte souvereiniteit Gods, en als Christus ons leert, dat er geen haar van ons hoofd vallen kan tegen de wil des Vaders, hoe zou dan Adam en in hem de ganse mensheid buiten Zijn wil om kunnen vallen. Deze dingen worden ons echter niet geopenbaard, opdat wij zouden uitvorsen — zo het mogelijk ware — hoe dat dan alles bij God toegaat, maar opdat wij in alle dingen alleen op Hem zullen betrouwen.

ad 3. Deze vraag raakt ook aan zeer gewichtige dingen, n.l. de twee-naturen-leer van de Christus. Ook daaromtrent past ons grote soberheid en tevredenheid met wat de Heilige Schrift ons leert. Zonder enige twijfel is de 12-|arige Christus zich bewust geweest van Zijn Messiasschap, zoals gij het noemt. Waarom anders deelt de Heilige Geest ons deze geschiedenis mede, dan om ons te leren, dat Hij bezig was in de dingen Zijns Vaders. De vraag aan Maria geeft ook te kennen, dat zij dit kon weten, hoewel zij het niet verstond. Maar gij vraagt er nog wat bij : n.l. ten volle. Christus is ook waarachtig mens geworden, ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Bij een mens kan men spreken van bewust, meer bewust, ten volle bewust, met andere woorden : in trappen en graden. De H. Schrift zelf geeft u ook hierop antwoord, want zij zegt, dat Jezus toenam in wijsheid en in grootte, bij God en de mensen. (Lukas 2 vers 52). Hier is dus sprake van een toenemen.

Dit is ons alzo geopenbaard, opdat wij twee dingen zouden verstaan, n.l. dat Christus wist, dat Hij de Zoon des Vaders is en ook, dat Hij ons is gelijk geworden, d.i. een ware menselijke natuur heeft aangenomen.

ad 4. Algemeen neemt men aan, dat onderdompeling in gebruik is geweest, zowel wat de Joodse proselyten doop, de Doop van Johannes als de Christelijke Doop aangaat. Of de apostelen na de uitstorting van de H. Geest onderdompeling hebben toegepast, valt moeilijk aan te wijzen. De uitspraak: bad der wedergeboorte wijst in die richting. Hoe zou men anders van bad spreken ? Maar in ieder geval heeft men dat niet volgehouden, en dat is zeer begrijpelijk. Immers de symbolische betekenis — die trouwens ook aan de onderdompeling eigen is — treedt wel heel sterk aan de dag in het woord van Johannes : ik doop u, met water, maar die na mij komt, zal u dopen met de Heilige Geest. (Vgl. Joh. 1 vers 26 en 33).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Vragenbus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's