De nieuwe Kerkorde
Prof. Bavinck (Geref. Dogm. IV, blz. 458), ziet de bevoegdheid der kerk om de waarheid die zij gelooft, te belijden en als belijdenis in haar midden te handhaven, gegrond in haar roeping om een pilaar en vastigheid der waarheid te zijn. Deze roeping wordt zeer duidelijk betuigd : 1 Tim. 1 : 3, 4 ; 2 Tim. 1:13; Tit. 1 : 9—11, 13, 14. Zij heeft de gemeente op te bouwen op het fundament der apostelen en profeten.
Hij wijst er ook op, dat verschillende groepen en secten van geen confessie willen weten: Remonstranten, Baptisten, Congregationalisten, Kwakers, e.a., brengen daartegen in, dat een bindende belijdenis in strijd is met de algenoegzaamheid der Schrift, dat zij de Christelijke vrijheid vernietigt, dat zij een ondragelijke tyrannie invoert, verder onderzoek en voortgaande ontwikkeling afwijst.
Tot op heden kan men dezelfde bezwaren vernemen. Intussen kunnen alleen sectariërs zich zulke vrijheden veroorloven, maar een kerk, welke haar roeping vervult, kan de handhaving harer belijdenis niet laten varen zonder in secten uiteen te vallen. Het is trouwens wel gebleken, dat een kerk, welke haar belijdenis niet handhaaft, een prooi wordt van dwalingen en verwarring en geregeerd wordt, door de groep, welke de macht, weet te veroveren.
De geschiedenis van de Hervormde kerk spreekt hieromtrent een duidelijke taal.
Indien iemand zulks wil verdedigen op grond van de Christelijke vrijheid, kan dit slechts blijk geven van een misverstand ten aanzien van dit stuk. Want wat men ook zou kunnen beweren aangaande de Christelijke vrijheid, dit zeker niet, dat zij een vrijbrief is voor allerlei wind van leer. De Christelijke vrijheid is vrijheid van het oordeel der Wet, verlossing van de slavernij der zonde, maar dan ook dienstbaarheid aan Christus, nieuwe gehoorzaamheid, een leven der dankbaarheid in gebondenheid aan de Schriften.
Het is volstrekt niet de vrijheid van een liberalistische geest, maar een gebondenheid aan de geboden Gods. Deze vrijheid maakt zich niet los van de Wet, omdat zij daarin de Wet des levens heeft ontdekt, welke in Christus is vervuld. (Vdl. de Catechismus over de Wet in het stuk der dankbaarheid);
Het is ook niet juist, dat de binding aan de belijdenis het, onderzoek afwijst. Dit kan daarom geen grond hebben, omdat de belijdenis alleen bindende kracht kan en mag hebben in zoverre zij overeenkomt met de regel des geloofs, t.w. de Heilige Schrift. Haar gezag en binding kan alleen leunen tegen het goddelijk gezag der Schriften. Daarom, als de binding aan de belijdenis iemand moeite geeft, als iemand, wat zijn persoonlijk geloof aangaat, in conflict komt met de belijdenis, dat is met het geloof der kerk, dan kan hij slechts gedroegen worden tot nader onderzoek van de Heilige Schrift, opdat deze beslisse tussen zijn persoonlijk geloofsstandpunt en dat der kerk. Indien de man doet, wat op zijn weg ligt, roept hij daarbij de hulp van zijn Herder en Leraar in.
Dat is nu juist een functie van de belijdenis, welke in de binding besloten ligt. Hoe wil men zulk een persoonlijk conflict verwachten met het kerkelijk geloof, als de belijdenis niet bindt ? Het is zelf mogelijk, dat de kerk tot correctie, uitbreiding en verklaring van haar belijdenis komt, als zulk een conflict bij confrontatie aan de Heilige Schrift daartoe aanleiding geeft.
De hier aangegeven functie moet dus tol nader onderzoek der Heilige Schrift voeren. Daarbij komt nog een andere grond. Als de confessie wordt erkend als bindend, zal ook, het kerkelijk onderwijs veel meer gericht zijn op het Schriftbewijs. Ook dit bevordert Schrift onderzoek. Het kan dus ook duidelijk zijn, dat het genoemde argument, dat een Bindende belijdenis het Schriftonderzoek afwijst en de algenoegzaamheid der Heilige Schrift in de weg zou staan, geen houdt snijdt.
Het kan zijn nut hebben op een en ander de aandacht te vestigen, omdat dergelijke klanken tegen eeh bindende belijdenis ook in onze tijd gehoord worden.
Van zekere zijde wordt ook gewezen op het dynamisch karakter van het belijden der kerk. (Dynamisch van een Grieks woord, dat kracht betekent; dynamisch ziet dan op een voortgaande beweging). Er moet beweging, voortgang in het belijden der kerk zijn. De belijdenis is niet een onveranderlijke vaststelling. Daarom spreken zij van belijden, het belijden der kerk, in plaats van belijdenis.
Voorop willen wij erkennen, dat de geschiedenis der kerk, aantoont, dat er voortgang in het belijden der kerk is. Wie zou dat ontkennen ? Wij willen voorts ook erkennen, dat de situatie van het ogenblik in verschillend opzicht aan de kerk aanleiding kan geven om zich uit te spreken en belijdenis te doen tegenover de leringen van onze tijd.
Dat kan echter alleen van uit haar geloof, d.w.z. van uit haar reformatorische belijdenis. De gemeenschap met het geloof der vaderen eist dat. Hetzelfde geloof, dat toen heeft gesproken in de situatie van toen, zal nu weer moeten spreken in de situatie van nu.
Indien echter de weg van het belijden wordt voorgesteld, alsof de belijdenis der Drie Formulieren niet alleen. Wat de vorm betreft, is verouderd, maar ook in verschillende geloofsstukken niet meer kan gelden, laat staan actueel zijn, omdat wij in al de tijd van haar non-actief zijn mijlenver gevorderd zijn op de weg van het belijden der kerk — zover, dat wij alles anders zouden zien, anders zouden moeten zeggen, aangezien wij het anders zouden verstaan, dan is men intussen mijlenver op een dwaling. Dan wordt het hoog tijd halt te maken, opdat men zich rustig bezinne op het wezen des geloofs en op de zekerheid des geloofs.
Indien de reiformatoren met hun geloof, waarvan zij getuigenis hebben gegeven in woord en daad, in onze tijd opstonden, zou het blijken, dat zij ook in de wereld van nu uit hetzelfde geloof zouden getuigen en dat zij ook thans nog geen andere grond voor de zekerheid van hun geloof zouden aanwijzen, dan waarop zij destijds zich hebben beroepen : n.l. dat de Heilige Geest in hun hart getuigenis geeft, dat God zelf zich in Zijn Woord (d.i. de Heilige Schrift) openbaart. Zij zouden over de rechtvaardigmaking en over de praedestinatie niet anders spreken dan, zij gedaan hebben.
Dit nu is het fundamentele punt, hetwelk in de voorgestelde beweging dreigt weg te zinken. De persoonlijke zekerheid op grond van: Er staat geschreven, wegens het innerlijk getuigenis vaii de Geest der Waarheid.
Zouden de reformatoren, die door geen andere Leermeester wilden geleerd zijn dan door de Geest van Christus, de leer der apostelen en profeten, zo zij in onze tijd konden spreken, loslaten, terwijl Christus zelf zich beroept op het geschreven woord ?
Er dreigt gevaar, dat men zich in onze tijd meer om de vrijheid van het Woord Gods zal bekommeren, dan om de zekerheid des geloofs. Het souvereine Woord Gods heeft geen bescherming zijner vrijheid van ons stervelingen nodig, en wij zouden die ook niet kunnen geven. Het Woord zal zijn loop hebben en alles doen, waartoe het is gezonden. De Heilige Geest heeft zich aan het Woord gebonden en deze is het, die ook het geloof aan het Woord bindt en de gelovige door een nieuwe gehoorzaamheid. Waar het Woord des Konings is, daar is heerschappij. Dat betekent buigen onder het Woord, waarin ons ook de overste Leidsman en Voleinder des geloofs is voorgegaan. „Hoe zouden de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet". (Matth. 26 : 54) en : „dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden" (vs. 56). De discipel is niet meerder dan zijn Heere. Als de overste Leidsman des geloofs in de ure Zijns lijdens gehoorzaamheid heeft geleerd bij het Woord der profeten, zouden Zijn discipelen de gehoorzaamheid des geloofs vinden buiten 't Woord, hetwelk Hij hun heeft gegeven, opdat zij het zouden bewaren ?
Daarom heeft Bavinck gelijk, als hij uit deze roeping der kerk de bevoegdheid trekt om haar belijdenis te handhaven. Het is waar, dat alleen de Heilige Schrift onvoorwaardelijk tot geloof en gehoorzaamheid bindt en dit onveranderlijk. Het is waar, dat de belijdenis ten allen tijde onderworpen blijft aan de Heilige Schrift. Zij is geen norm der Waarheid, maar norm van de leer der kerk, ondergeschikt, feilbaar, mensenwerk, onvolkomen uitdrukking van wat de kerk uit de Schrift als goddelijke Waarheid belijdt tegenover dwaling en leugen. (Vgl. Bavinck, a.w. blz. 459).
Het is waar, dat de kerk niemand met deze belijdenis dwingt en ieder vrijlaat om anders te belijden, maar het is óok waar, dat de kerk geen disputeergezelschap is of een gezelschap van debatingclubs.
Wijl al haar handelingen uit het geloof zijn en zij in al haar handelingen aan haar geloof gehouden is, is zij voor al haar handelingen in haar vergaderingen en in haar ambten aan haar belijdenis gebonden.
Alleen dan wordt de kerk niet geregeerd door een bovendrijvende partij of door een coterie, maar kan de kerk weer kerk worden en door het Woord worden geregeerd. Als de belijdenis bindt, functioneert zij, en als zij functioneert, heeft een iegelijk, wiens geloof met haar in conflict komf, beroep op Gods heilig Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's