De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

IN ZWARE STRIJD!

9 minuten leestijd

En Zijn zweet - werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. Lucas 22:44b.

Jezus, de Borg, in Gethsémané . . . . .

Aangrijpend tafereel. Niet maar geknield, niet maar kruipend, als een worm in het stof ; maar op Zijn gezegend gelaat voorover ter aarde gevallen, is Hij daar in de olijvenhof alléén, op een steenworp afstands van zijn uit droefheid slapende discipelen.

Het moet wel, lezer (es), een bijzondere oorzaak hebben, dat de Heiland in zulk een angst en zware strijd verradende houding neerligt. Zou het ook kunnen zijn, dat uw zonde en uw schuld Zijn schouders daar zo neerdrukken ?

Hij treedt de pers, de olijven-pers, in deze olijvenhof; èn . . . . .  Hij wordt geperst, totdat het volbracht zij ; Hij wordt vertreden in de wijnpersbak van Gods geduchte toorn. De beker van Gods gramschap gevoelt de smetteloos reine Borg van zondaren Zich aan de lippen gezet.

,,In zware strijd" is Hij gewikkeld, om deze beker te, aanvaarden, zoals die is: bitter gelijk alsem, gemengd met de droesem van Gods toorn tegen de zonde, gevuld tot boven toe met al de schuld en vloek, die rustten op Zijn uitverkoren kerk, ja, die het ganse menselijke geslacht, waaruit die kerk vergaderd moet worden, in satans machtsgreep ten onder hielden.

Moeizaam, moeitevol is dit werk, deze Middelaarsarbeid. In het zweet Zijns aanschijns moet Christus nu Zijn Middelaarsbrood eten. En gelijk grote droppelen bloeds werd dat zweet, hetwelk uit de poriën Zijner huid naar buiten drong, en van Zijn voorhoofd op de aarde lekte.

Misschien wekt dit aangrijpend gebeuren uw medelijden op ? Maar medelijden, zo gewekt, is ook veelal zo weer verdwenen. Weent niet over Hem, maar over uzelf ! Ga er God eens om vragen, waarom de Borg daar zo leed en worstelde in zware strijd naar ziel en lichaam !

Had Hij tevoren reeds niet geprofeteerd van „de beker der dankzeggingen", die Hij ophief in dezelfde nacht des verraads ? !

O, zeker.

Zou Hij later de vurige Petrus, diens degenhouw niet bestraffen : neen. Petrus, niet het zwaard, maar de beker ! ,,De beker, die de Vader Mij te drinken geeft, zou Ik die niet drinken ?" !

Alweer : o, zeker.

Heilige verwondering klinkt uit deze van Borg-bereidheid getuigende woorden.

Aan de paas-maaltijd zag Christus op „de vergelding des loons" ; en uit Gethsémané's hofken opgestaan, is Hij een Held, de Leeuw uit Juda's stam, bereid de Zijnen ten einde toe, tot in de dood te beminnen en te redden.

Maar hier, in zware strijd, is Hij een worm en geen Man; hier valt de beslissing, zoals eenmaal ook bij de eerste Adam : in een hof. Ditmaal geen vrede-uitademende hof, maar een bange, donkere hof, met daarin een olijvenpers, en een wijnpersbak van Gods toorn tegen de zonde !

Deze Worstelaar, deze Bidder, Wien Gods openbare wil zo zwaar neerdrukt en Die heenvlucht — indien het mogelijk is !  naar Gods verborgen raad. Deze Tweede Adam gevoelt Zich hier "tot zonde gemaakt" en op het punt uitgebannen te worden uit Gods, Zijns Vaders zaligende gemeenschap.

Hier speurt Hij nog het Vaderoog : „Mijn Vader ", maar straks, aan het kruis, is het Vaderoog omfloerst door wolken des gerichts en kreunt Hij het uit:  "Mijn God, Mijn God, waaróm . . . . . !"

„Grote droppelen bloeds" werden de Christus uitgeperst. Na het bloed, bij de besnijdenis uit de Borg gedruppeld, is dit hèt begin van Zijn einde. Hij is immers nu al „bedroefd tot de dood toe" ! De Lévens-Vorst moet sterven. O, bange zaak. O, trouwe Zaligmaker. Gij doet geen half werk. De vloek treft U tot vrijspraak der ganse kerk ; de zonde perst U in de dood, tot verwerving van hun aller eeuwige leven !

Hier gevoelt Christus wat de prijs, de koopsom zijn moet: Zijn hartebloed: Het loopt naar beneden : het wijst Hem de weg : ook Hij moet vernederd, sterven, zelfs in het graf der rijken bijgezet.

Nu eenmaal dat reine harte-bloed van de Tweede Adam deze aarde heeft gedrenkt, is de zonde der wereld verzoend en gaat er, een andere sprake uit van dit bloed, dan van Abels bloed. Zónder Christus' zoenbloed geen vrede met God, geen gemeenschap met de Vader! O, ik weet, dit ergert de Farizeer in ons. Wij roepen wel als in koor tegen de Messias:  "Kruis Hèm, kruis Hém", èn dat andere: „Zijn blóéd kome over ons en over onze kinderen " Evenwel niet in reddende zin, maar als een vervloeking. Zó is het nu nog : wie de Heere Jezus niet liefheeft, die is een vervloeking ! Maranatha, de Heere komt!

Ernstige waarschuwing voor onbekeerden onder onze lezers. Het Lijdens-evangelie, u ook nu weer verkondigd, kan u alleen redden ; de Lijdende Borg uit Gethsémané's hof, die opstond, na zware strijd, in beginsel zegevierend over alle vijanden en hellemachten, toen Hij sprak: „Staat op, laat ons gaan; zie, hij is nabij, die Mij verraadt" (Matth. 26) . . . . . , die trouwe Borg en Zaligmaker kan en wil behouden.

Zie Hem nogmaals in zware strijd gewikkeld ; voor de tweede, ja, straks voor de derde maal bad Hij tè ernstiger. Hij vluchtte niet uit deze worsteling op leven en dood, met het slangen-zaad, de satanas. Hij koos, zo min als in de woestijn, niet de weg van de minste weerstand, maar Godlof !, in zware strijd zijnde, zó, dat Zijn zweet werd als dikke bloeddroppels, bad Hij des te ernstiger, hield Hij té meer aan God, Zijn Zender en hemelse Vader vast, als ziende de Onzienlijke. Het was immers Zijn werk en spijze, te doen de wil van die Vader ?

Dierbare Borg !

Weet ge, wat u nodig is, m'n lezer (es) ?

Te weten, dat Jezus hier in Gethsémané ook worstelde voor u !

Heeft Gods Heilige Geest, uit het Woord van God, u dat al bekend gemaakt en de gewisse zekerheid van Christus' heil in uw ziel gewrocht ?

Wat is deze Man-van-smarten, verzocht in krankheid, van wie elk natuurlijk oog zich anders afwendt, u dan onuitsprekelijk beminilelijk en onmisbaar geworden !

De Zijnen is Hij immers gegeven tot verlossing. Dit Zijn bloed, in Gethsémané, vloeit reeds als een zwakke afschaduwing van wat straks op Golgotha bange werkelijkheid staat te worden, èn Christus weet zulks, en Hij is ten volle bereid !

In Zijn navolging betrokken, achter deze Lijdende Borg gesteld op de kruis-weg, door Geestes-bediening, ach nee, daar is het niet zó, dat uw bloed u van zonde en schuld kan verlossen. Alle zelf-verlossing wordt door Christus éne kruisoffer volkomen en radicaal afgesneden en uitgeschakeld !

En toch .. . .. ...?

Hebt ge het ook wel eens gezongen :

„Hun bloed, hun tranen en hun lijden Zijn dierbaar in Zijn oog l" (Ps. 72) ?

O, als Gods arme, srijdende kerk, door genade, ook  "in zware strijd" is geworpen, uit vrucht van Christus' Middelaars-arbeid, dan is er maar één hoop. Hij Zèlf, maar in de weg van strijd en worsteling, bloed en tranen, wordt Hij gezocht en gevonden. Gevonden, niet als beloning van die strijd. Denkt dat nooit! Maar, alweer, in de weg van strijd. Hoe moeilijk die "weg" ook zijn mag, hoe onbekend aan het naam- en mond-geloof, het is de weg van bloed en tranen, waar God elk Zijner kinderen opleidt tot het einde toe, achter Christus aan. Rome kan na prins Carnaval eer gebracht te hebben, de Kruis-koning weer bewenen. Christus wijst dat evenwel af. Weent niet over Mij, maar over u-zelf !

Weende gij al eens over uzelf, lezer, ook al zijt ge geen Jood uit Jeruzalem, geen festijnzoeker te Maastricht ?

Hebt ge uw schuld, uw gróte, onbetaalbare zonde-schuld al eens gezien ?

Waar bracht ze u?

Ook in het stof, verbrijzeld, verstomd, voor God, de Heilige : "in grote worsteling" ? Door Gods Geest leerdet ge misschien kermen: "M'n schuld, m'n schuld, mijn zeer gróte schuld ! (Augustinus).

Maar hoe meer ge worstelt en poogt door strijd en inspanning die schuld te verminderen, , hoe groter ze wordt . . . . ..? We verstaan elkaar. Maar, ik wijs u een weg, die uitnemender is.

De Man-van-smarten is ook de medelijdende en biddende Hogepriester, die nodigt: "Komt herwaarts, gij allen, die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u rust geven ! "

Misschien . . .. ..— het is een mogelijkheid, die ik tenslotte waag te stellen —, komt ge tot Hem en verwijt Hij het u zacht: „Gij hebt nog niet ten blóéde toe gestreden !" Mensen maken van vrije genade soms zulk een „makkelijke" grond, het wordt hun een middel, om zich-zèlf de zonde te vergeven. Daar is Christus' bloedig offer te ernstig voor.

Geen zorgeloosheid, onbekeerde zondaar, geen voor-bij-gang aan Zijn lijdens-worsteling in deze weken, worde bij u gevonden ! Maar ook geen vermetelheid — gij, zondaar, die uzelf de zonde kwijtscheldt, „door een blik op het kruis", of iets soortgelijks.

O, aanziet dan toch, wat de zonde Christus gekost heeft. Nog eenmaal: Zijn harte-bloed, Z'n leven.

Zoudt ge, behalve ter verlossing, ook niet ter heiligmaking dat bloed niet zó nodig hebben, dat ge in uw worsteling, in uw „strijden ten bloede", de heerlijke en reinigende wetenschap telkens weer behoeft : O, dierbare Christus, Uw bloed reinigt van alle zonde ? !

Zijn strijd is volkomen. Uw strijd onvolkomen. Maar iets van Zijn lijden wordt ook in Zijn duur-gekochte Kerk vervuld. Ze dragen er de „tekenen" van. Het wordt in hen uitgewerkt. Van-binnen, zoals ik kortelijks aanwees, maar , niet minder van-buiten. Is heel het léven van Gods Kerk op aarde niet gelijk één bange Gethsémané's-nacht. Is het niet: van buiten strijd, en van binnen vrees ? Wat een machten en vijanden, die van buiten bestrijden, van binnen bespotten ! Teveel om op te noemen in dit kort bestek!

Gezegend is nochtans deze Kruis-Koning, Die de zwarte nacht der zonde, ook onzer zonde, o, arm volk van God, eenmaal volmaakt zal verdrijven. We zien bij-tijden uit naar die zalige morgen, wanneer niemand der Zijnen meer zal klagen : „Wat een strijd ; ik kom onder satan nog eeuwig om!", óf: „wat een nacht, ik verdwaal er nog eeuwig in !" Maar dit zal zeggen : „Hier is geen nacht, hier is ook geen strijd !, maar enkel licht en heerlijkheid !" Want door Iriimanuël zal God zijn Alles en in allen ! Amen.

(Kamperveen O.V.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's