Heiliging des levens
II (Slot).
Heiligmaking — en wat zitten we vast met alle vezels onzer ziel aan het aardse, ook na ontvangen genade vaak.
Heiligmaking — maar waar is onze heilbegeerte, wanneer we ons buigen over Gods Woord, wanneer we nederzitten onder het geklank van 's Heeren Getuigenis ?
Heiligmaking — en zie er dan ons kerkelijk en christelijk leven eens op aan. Wat is er een hunkering om de wereld zoveel mogelijk te naderen. Christelijke films, christelijk dit en christelijk dat, doch veelal gespeend aan de ware vreze des. Heeren.
Doch een ieder onzer steke de hand in eigen boezem. Hoe staat het met onze persoonlijke heiligmaking ? Is er wasdom, of leven we nog onder de Wet en niet onder de genade ? Zijn we in ons leven nog niet aan het stuk der heiligmaking toegekomen, omdat, omdat — ja, waar ligt de schuld ? Is God jegens ons tekort geschoten met Zijn bemoeienissen ? Was Zijn aanbieding niet ernstig gemeend ? Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal . . . . . ? Moeten we inplaats van Jeruzalem niet onze eigen naam invullen. Hoe menigmaal heb Ik — zegt God . . . .. . doch, gij hebt niet gewild.
Hoe vreselijk, als het eerste gedeelte van het laatste vers de eindstreep onder ons leven zou moeten worden : de bezoldiging der zonde is de dood.
En kennen we door Gods genade, — ja, door Gods genade, want alle roem van 's mensen zijde is uitgesloten — kennen we iets van het stuk der heiligmaking, dan past de ootmoedige b|de : „Schraag op dat spoor mijn wankelende schteden".
Wankelende schreden. Want het blijft waar, dat zelfs de allerheiligste, zolang hij in dit leven is, slechts een klein beginsel dezer heiligmaking heeft.
Beschamende gedachte ! Laat ons gaan in het dal der ootmoedigheid. En God geve ons te zien de ster der hope, zoals deze schijnt in het laatste vers van dit hoofdstuk. En die ster der hope is het woord : genadegift. Het eeuwige leven kan alleen ontvangen worden als genadegift. Wee ons, als onze heiligmaking daarvoor de verdienende oorzaak moest zijn.
Al het onze, zelfs onze gerechtigheden, een wegwerpelijk kleed, ook onze heiligmaking. Daarom zal deze nooit een grond kunnen zijn, maar wel de toerekening van Christus' heiligheid. Zalig, die met Hem is verbonden door een levend geloof.
De genadegifte Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.
Heerlijk slot van een heerlijk hoofdstuk.
Maar ook heerlijk levenseinde van hem, die in het geloof op deze genadegift door Jezus Christus, mag sterven. Heerlijk ook, om uit dat geloof te leven.
Alleen al in het laatste gedeelte van dit laatste vers ligt een wereld van gedachten.
Het fundament van de christen ligt niet beneden, het ligt boven. Als we menen te kunnen staan op iets hier beneden, hoe vroom, het fundament er ook uit moge zien, dan staan we op een zandgrond.
Onze heiligmaking kan geen fundament zijn.
Ons geloof kan geen fundament zijn.
Onze bevinding; onze hoop, onze liefde, allemaal fundamenten, die niet bestand zijn het gebouw onzer zaligheid te dragen.
Ons fundament ligt boven. In Christus alleen. Onze zaligheid is louter genade, genadegift Gods, door Christus Jezus.
Schortinghuis heeft daar iets van verstaan. O, werk-verbond — zo riep hij. O, heimelijk bouwen op gestalten. O, hout, hooi en stoppelen. O, Heere Jezus, ontleer het mij en doe mij het zalig Evangelie der genade kennen, omhelzen en U aleen, ja, U alleen, tot de enige grond van mijn eeuwig behoud stellen. Ons fundament boven. Calvijn heeft daar iets van begrepen. Klemmend bepleit hij de heiliging des levens, echter nooit om er op te leren rusten. Maar hij verwijst daartoe steeds weer naar onze rechtvaardiging als goddelozen, uit louter genade.
Ons fundament boven. Ook Lodestein heeft daarvan iets verstaan. Toen men hem in zijn ziekte vroeg of hij wel gevoelde de Goddelijke liefde, antwoordde hij : „Wat gevoelen ! Men moet geloven, dat God goed en algenoegzaam is ; ik voel niet, maar weet, dat in de Heere Jezus een volheid van genade is en ik leg mij neer op dat Zout-Verbond, dat onveranderlijk is.
En Smytegelt's laatste woorden waren : „Ik sterf in den geloove".
De mens met ware genade in het hart, is klein in zichzelf. Van de mens, ook van de wedergeboren mens, is niets goeds te verwachten. Het wezenlijk goede komt alleen toe door het geloof in Christus, door welk geloof de H. Geest zo met Christus verbindt, dat onze zonde de Zijne wordt ent Zijn gerechtigheid en heiligheid de onze.
De bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Heere.
Onze Heere. Mag ik nog even een streep zetten onder dat woord : onze. Waarom ? Omdat er zulk een rijke lering in ligt voor het geestelijke leven.
Toen de apostel dit laatste vers neerschreef, was dit geen dood stuk geloofsbelijdenis, doch de uitdrukking van het zaligmakend geloof. Onze Heere. Dat „onze" kan alleen de levende taal des harten zijn : in de weg van wasdom des geloofs.
Wasdom. In onze dagen schijnt het wel eens alsof geloof een dood ding is. Je neemt het Evangelie aan of je neemt het niet aan. En als je het aanneemt, welnu, dan ben je er. Doch Gods Woord en de ervaring der oprecht gelovigen, leert het anders. Een waarachtig geloof kent zijn wasdom, zij het ook met stilstaan en soms zelfs verachtering. Maar waar leven is, daar is groei. En al moge het waar zijn dat er in het leven van Gods kinderen perioden kunnen voorkomen, waarvan gezegd kan worden : het gaat van klacht tot klacht, laat ons toch nooit vergeten dat we dit niet als een levensdevies voor de christen mogen beschouwen. Gods Woord zelf zegt immers, dat ze van kracht tot kracht steeds voort gaan. En God beware er ons voor, dat we zouden gaan menen Zijn Woord te moeten gaan verbeteren, door daarvan te gaan maken als een vaste lijn : van klacht tot klacht.
Waar de zonde meerder geworden is, ja, daar is bij levend bewustzijn daarvan, de klacht er telkens weer. Maar waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest. En indien dit laatste ervaren wordt, en dat wordt toch ervaren, anders zou Christus geen Christus zijn, daar zal de klacht overgaan in het ervaren der kracht. De kracht van Gods genade, die in zwakheid volbracht wordt.
Daarom, enerzijds blijft het waar, het gaat van klacht tot klacht, minder zonde doen, doch groter zondaar worden — dat is heiligmaking ; maar anderzijds, waar wij in onszelf minder worden, zal Christus gelijk moeten gaan wassen. Ook dat behoort tot het stuk der heiligmaking.
Gode zij dank — de genadekracht is overvloediger dan de zondekracht. Daarom gaat de opwekking uit : bouwt uzelven op in het allerheiligst geloof.
Onze Heere. Dat is geloof staal, die geleerd wordt in de weg van wasdom. Daartoe komt men niet in eens.
Eerst was deze tekst, indien men midden in de wereld leefde : onzin. Met volslagen ongeloof werd ze gelezen.
Of, indien men christelijk was opgevoed, vond men het geen onzin, maar een mooie zin. Doch het bleef bij historisch geloof.
Totdat Gods Geest Zijn arbeid begon. Toen werd liet eerste deel der tekst een verschrikkelijke waarheid, waarop 's Heeren Geest het volle licht liet vallen. En het tweede deel werd tot een begerenswaardige zaak, doch dat alleen anderen gold.
Maar op Gods tijd, toen men genoeg aan. zichzelf ontdekt was — en tussen twee haakjes, men bezit dan genoeg zelfkennis, wanneer het ons waarachtig uitdrijft tot Christus — toen ging het zoeklicht van Gods Geest zich als het ware verplaatsen. Van het eerste deel der tekst naar het tweede deel en het kwam tot de blijde geloofszekerheid : maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, mijn Heere.
Welk een heerlijkheid, „mijn". te kunnen zeggen. Mijn Heere. Daar lag eigen zaligheid in. Niet alleen voor anderen, maar ook voor mij. En het ging zingen in het hart:
God heb ik lief, want die getrouwe Heere, hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen.
En toch — boven het mijn Heere, gaat het onze Heere.
Waarom ? Omdat bij „mijn" Heere, eigen zaligheid vaak nog te veel de eerste plaats inneemt. Terwijl bij het belijden van „onze" Heere het eigen ik meer op de achtergrond komt en men meer gaat verstaan dat het vooral gaat om de ere Gods. Niet allereerst om onze persoonlijke zaligheid.
Het gaat bij God niet in de voornaamste plaats om de enkeling. Als God uitverkiest, dan heeft God, het zij met eerbied gesproken, niet vóór alles de Zijnen apart voor ogen gehad. Neen, maar God heeft Zich een gemeente uitverkoren.
Toen Adam en Eva in het Paradijs waren, toen vormden zij „de mensheid" en tevens „de gemeente". Door hun val is die mensheid, is ook die gemeente, onder de vloek gekomen. En satan zou getriomfeerd hebben indien God niet had gezorgd in souverein en aanbiddelijk welbehagen, dat door wederbarende genade er een nieuwe mensheid en een nieuwe gemeente zou komen, voor wie afval onmogelijk was. Als daar het geloofsoog voor open gaat, dan gaat het mijn Heere over in onze Heere. Rijk is het, mijn Heere te mogen zeggen, doch rijker in volle bewustheid des geloofs „onze" Heere te mogen belijden.
Dan gevoelt men zich een levend Iidmaat van Gods uitverkoren gemeente. En wat God van Zijn gemeente zegt, geldt dan ook van hen. Zovele beloften er er voor Gods gemeente liggen, evenzovele beloften zijn ook voor hen. Dan wordt het een leven dicht bij Gods Woord en een leven uit Gods Woord. Hoe wonderbaar is Uw Getuigenis !
En dan, ziende op datgene wat Gods kinderen van alle tijden en plaatsen verbindt, kan men, zichzelf als het ware vergetend, doch zich één gevoelend met de Kerk des Heeren, zo van harte meezingen :
Zo zullen wij, de schapen Uwer weide, In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden. En zingen van geslachte tot geslachte. Uw trouw. Uw roem, Uw onverwinb're krachten.
Ja, het „mijn" Heere gaat dikwijls over in het „onze" Heere en het „onze" lost zich op in : Uw trouw. Uw roem. Uw onverwinb're krachten.
We begonnen met te herinneren aan het wonder in de doodsvallei en aan het wonder van het brandend braambos.
We willen eindigen met heen te wijzen naar het wonder van Golgotha. Het Kruis.
In de doodsvallei kwam er leven. Hier sterft de Vorst des levens.
Het brandend braambos werd door het laaiend vuur niet verteerd, want God was in het midden.
Hier op Golgotha, trekt God Zich teruggen Christus, de Borg, werd verteerd. De zaligheid Gods voor een verloren zondaarsvolk, werd wel duur gekocht.
Zullen wij in de zonde blijven leven, opdat de genade des te meerder worde ?
Is het wonder, dat Gods gemeente, staande bij het Kruis, antwoordt : Dat zij verre !?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's