Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
89)
In Mandel streden triomf en beschaamdheid met, elkaar. Met vurige ijver werkte hij door, tot hij er weer eens naar moest gaan kijken, hoe het toch met Rea ging. Hij paste er wel voor op, om haar te zeggen, wat hij met die „man met de kruik" had verhandeld, en was blij te merken, dat zij dat erge, wat er was gebeurd, helemaal niet veronderstelde en er dus ook niet naar vroeg. Hij troostte haar net als anders over de bezorgdheid, die steeds meer over haar kwam, en ontlokte haar daarmee dat eigenaardige glimlachje, dat zo heel veel zei en waar haar stemming de laatste dagen niet boven uit kwam. Meerdere malen brak hij deze dag nog zijn werk af, om haar een beetje te gaan bemoedigen en vertroosten. Maar toen hij eindelijk aan het slot van zijn werkdag, met gereedschappen beladen, naar huis terugkeerde en rust zou gaan nemen, kon hij alleen maar alles voor zijn deur neergooien, naar binnen stormen en met berouw over ieder boos woord, dat hij tegen Rea gezegd had, weghollen. Het ogenblik. Waar zij al zolang tegen hadden opgezien, was aangebroken, dat hij met wilde sprongen over hekken en muurtjes dwars door het veld, naar de wijze, voormalige herbergierster en naar de vrouw van kleermaker Zalig moest rennen, waarop die beiden met snelle stappen vol gewichtigheid en angstige vreugde naar Mandel's huis gingen. Maar ze liepen naar Mandel's zin nog veel te langzaam. „Hebben die lui dan geen geweten ? " dacht hij, "dat zij zo weinig haast maken, terwijl hier bij ons alles op het spel staat ? " Een nacht ging voorbij, waarin hij meer te troosten had dan ooit, maar Rea geen lachje wist af te dwingen, een nacht, waarin hij wel tien keer achter de stal stond uit te huilen, — een nacht, waarin hij zich naar zijn gewoonte graag nuttig wilde maken, maar de vrouwen toch maar in de weg liep, en er dus eindelijk zich mee tevreden stelde, om voor de ingang van de deur uit droge doornstruiken een vuurtje aan te houden, om daar koffie voor haar op te warmen.
Maar dat vuur en die koffie waren dan ook zo goed, als 't maar kon. '
Alleen, zo nu en dan, als er gelulden uit het binnenste van de hut zijn hart deden scheuren, rende hij zó ver weg, dat hij niets meer hoorde en keek dan met gewrongen handen op naar de sterrenhemel. Niets anders kon deze nacht zijn geest bezig houden, — het stuw-werk, zijn akker en zijn vee, en zelfs zijn Sabbatsbos daarginds, het lag alles thans buiten zijn belangstelling. Alle bewustzijn van tijd verdween voor hem, want de minuten werden voor hem tot uren en elk uur tot een soort eeuwigheid. Al zijn gedachten waren bij. Rea's legerstede. Het was hem, als was er niets in de hele wereld dan Rea alleen, — en dan daar hoog boven de wereld de barmhartige Schepper en Onderhouder, die men alleen nog maar wat beter opmerkzaam moest maken op dat, wat hier nu gebeurde.
En als hij dan weer onweerstaanbaar tot haar teruggetrokken werd, liep hij niet rechtuit op de hut toe, maar in een lijn van een spiraal, want hij was ook weer onuitsprekelijk bang voor datgene, wat hij te zien en te horen zou krijgen. Veel keren bleef hij luisterend stilstaan, om dan, als hij niets vernam, weer des te sneller weg te hollen, tot hij weer voor het vuur stond, dat opstookte, nieuwe bossen er op wierp, eindelijk moed kreeg, en dan naar binnen ging. Tegen de morgen haalde hij water aan uit de bron, zette hele bakken vol bij de gloed en wakkerde de vlammen aan, zodat zij over die bakken heensloegen. Net als een vreugdevuur op de verjaardag van Vadertje Tsaar in Rusland ! 't Was ook een geboortedag van niet minder betekenis : de dag, waarop het eerste Joodse kind in de kolonie geboren werd !
Toen de zon opging, lag keurig en netjes een klein meisje, in linnen en wol gewikkeld, in Rea's moede armen naast haar op haar ledikant. En Rea keek haar man bijzonder stil en lief aan, wou glimlachen, maar kon het toch niet. Met een vreugdesnik wierp zich Mandel op zijn knieën en legde zijn hand op haar voorhoofd. Zo duurde dat een hele poos. De eerste zonnestraal viel de hut binnen met een rosekleurig licht, net een afschijnsel van de hemel, zó klaar en zó overvloeiend, dat Mandel er haast niet in durfde kijken.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's