Gods schuld
Ons werd door een onzer leden een meditatie toegezonden, welke in een Kerkbode in een onzer grote steden werd afgedrukt en bij deze broeder in stede van stichting, ergernis heeft gewekt — niet ten onrechte.
Helaas moeten wij onderstellen, dat de meditator in zekere zin zijn doel bereikt. Het kriiis wordt een ergernis genoemd en het is wel duidelijk, dat de schrijver die ergernis op zijn manier heeft willen doen spreken. Wij zeggen „in zekere zin", n.l. in de zin van meditator. En als zodanig achten wij deze meditatie een volkomen mislukking en een misvatting.
Hij vestigt de aandacht op Christus', laat ik zeggen, passieve houding in het lijden. Christus doet niets om zijn onschuld te bewijzen. Het moet alles zo geschieden. Hij spoort Judas aan : Doe het haastelijk. Hij brengt Pilatus in verlegenheid, hoewel deze Hem zoekt te verlossen. Hij laat de duivel vrij spel. Hij, die het volk heeft geleid, die de tempel heeft gereinigd, zodat de kinderen ,,Hosanna" riepen, laat het volk begaan. God zelf slaat de Herder. God zelf geeft Hem over aan het kruis. God heeft de schuld. Christus is de schuldige.
In deze trant wordt een beeld getekend, hetwelk dan niet de ,,omgekeerde wereld" zou zijn, welke in de gewone lijdensprediking wordt voorgesteld : Jezus de onschuldige en de ware schuldigen : Judas, de Raad der Joden, Pilatus en het volk.
Wat de schrijver ons voorstelt als niet omgekeerde wereld, zou dus neerkomen op de schuldige Jezus en de onschuld der anderen. Dit wordt dan verdedigd met de opmerking: „In de bijbel betuigt Jezus nergens met zoveel woorden Zijn onschuld. Integendeel : Zijn gehele houding is als van een, die overtuigd is van de rechtmatigheid van zijn straf. En daartegenover lezen wij in de lijdensgeschiedenissen merkwaardig weinig van die afkeuring en verachting, die wij zo gaarne voor Jezus' aanklagers, rechters en tegenstanders ten toon spreiden".
,,Want het geheim der verzoening, in Christus' lijden en sterven geopenbaard, bestaat juist hierin, dat Judas en Pilatus, volk en priesters, van hun schuld vrijgepleit worden, omdat God in Jezus Christus hun schuld overneemt".
De voorstelling van deze schrijver, welke de rechte stand van zaken zou weergeven, geeft een ontstellend beeld van een omgekeerde wereld, dat ten hoogste afkeuring verdient.
Dat de Heere Jezus Christus nergens in de bijbel met zoveel woorden zijn onschuld betuigt, kan ook niet worden volgehouden door hem, die met de kerk der eeuwen verstaat, dat God door de Heihge Schrift tot ons spreekt. Niet alleen het woord van de Heere zelf tot de Joden : Wie van u overtuigt Mij van zonde ? (Joh. 8 vers. 46), kan hier worden gezet tegen schrijvers bewering, maar ook wat de profeten, in wie toch de Geest van Christus was, van het Lam Gods hebben geprofeteerd, en de getuigenissen der apostelen zou hier kunnen worden aangevoerd. Het zwijgen van Christus kan bovendien geen demonstratie van Zijn schuld, maar wel van Zijn gehoorzame onderwerping aan de wil des Vaders en van Zijn onschuld zijn. En zo wordt het ons ook door de leer der profeten en apostelen voorgesteld. Bovendien is het woord van Christus „die Mij aan u hebben overgeleverd, hebben groter zonde" (Joh. 19 vers 11), naar twee zijden hun een getuigenis tegen de voorstelling van deze schrijver.
Of zou hij het bestaan dit woord zo te verklaren, dat Christus zou willen zeggen, de Vader heeft Mij overgeleverd en die heeft groter zonde ? Dat zou in zijn betoog wel passen en tevens wijzen op de onzin van zijn betoog.
Dit zijn slechts enkele opmerkingen, die voor de hand liggen, doch, indien wij dieper op de zaak ingingen, zou het blijken, dat hier wordt omgesprongen met zo ernstige zaken als zonde en schuld, en met het werk der verzoening op een wijze, die niet alleen wilde willekeur verraadt, maar welke in verschillend opzicht in strijd is met de leer der Schriften, zoals die door het geloof wordt verstaan als de Waarheid Gods.
Men ziet, waar een prediking uitkomt, die zich losmaakt van de belijdenis der kerk en hoezeer ook predikanten de leiding der reformatorische belijdenis nodig hebben om getrouw te kunnen blijven aan de eis van de Dienst des Woords.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's