Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
90)
Toen hij de tijding aan zijn schoonouders bracht, zei Sinaï alleen maar : „Het is wel geen mannelijk zaad, maar de vermeerdering van Zijn volk is de Heere toch aangenaam !" Dat was wel een beetje een koud-waterbad voor Mandel, die nog niet zover gekomen was, om zichzelf de vraag te stellen of htj niet voor de hem ontnomen Schimmel een mannelijke vervanger had mogen terug verwachten. „Gij zult toch wel niet zo spoedig eeji kleinzoon nodig hebben", antwoordde hij, wat in zijn wieken geschoten. Het kleine wezentje, dat hij in Rea's armen had zien liggen, was hem naast het bewijs, dat haar loden een eind genomen had, nog steeds van ondergeschikte betekenis.
De volgende dag kwamen de schoolkinderen en zongen voor de deur een liedje en kregen gekookte erwten met suiker. En deze dag vatte hij ook geheel uit eigen beweging een ras besluit op, dat zijn buurman gold. Zijn overstromende dankbaarheidsstemming eiste verzoening met iedereen en stapte over alle bezwaren heen. Hij zocht de „man met de kruik" bii zijn hut op en vroeg hem om vergeving. Hij schudde hem de handen en zeide van zichzelf, dat hij dwaas was geweest en mal.
Zó van heler harte schonk de kluizenaar geloof aan zijn berouw, dat hij hem niet alleen vergaf, maar in zijn onschuld ook iets waagde aan te roeren, dat de reden was geworden van hun twist. Hij deed Mandel een verzoek, wat langzaam, met horten en stoten, met halve woorden, zó, dat deze hem eerst niet ineens begreep.
„Wat wil je dan eigenlijk van mij ? " vroeg hij eindelijk, terwijl hij een toon aansloeg, als had hij koningsgenade te schenken.
„Laat mij dan nu je vrouw en kind eens zien !" „Rea ? Wou je haar zien ? Heb je haar dan nog niet vaak genoeg gezien ? Wat heb je dan aan haar te kijken ? " Een ogenblik streed Mandel met de oude vage gevoelens. Maar toen hij de ander wat langer in de ogen zag, ontdekte hij daar een uitdrukking, als die een, man ten toon spreidt, wien een vurig en rein verlangen aandrijft om iemand te huldigen.
Hij nam Jossele met zich mee naar binhen. Maar die bleef aan de deur staan, stamelde een zegenwens, en liet zijn ogen weiden over moeder en kind, als had hij nooit een jonge vrouw met een pasgeborene gezien. Hij stond daar als een bedelaar, en Mandel was grootmoedig genoeg om ook nog niet voor hem te gaan pralen met zijn gevoelsuitdrukkingen over zijn rijk bezit. Jossele viel wel niet op zijn knieën, en ook breidde hij zijn harde, donkere handen niet uit, maar toch kon hij niet verbergen, dat hij een soort dank-, boetei- en gebedsure hield. Rea met haar kleine was hem het beeld en teken van datgene, wat eens zo héél dicht bij hem geweest was, — van dat wat de wonderrijke Heere der heirscharen trots alles en alles aan hen kan geven, wie Hij genadig wil zijn. Het vrouwelijke, dat voor hem door het mislukken van zijn verloving en zijn harde kluizenaarsleven een zeer bijzondere betekenis had gekregen, verhief zich in zijn voorstelling nu tot zulk een hoogte, dat hij er niet meer bij kon. Tegelijkertijd zagen echter zijn wijdgeopende ogen achter deze mensen en achter deze hut een huisje in het verre, verre land, waar een sterk gebouwd meisje met lichte haren als maagdelijk moedertje voor haar vader en verloofde het huishouden had gedaan Waar was zij nu ? Wat was er van die brave oude man geworden, wiens woning een verslagen beambte moest herbergen ? Geen enkel woord van afscheid had hem daarover ook maar enig vermoeden of enige hoop gegeven. Als een plotselinge wervelwind was het geweest, die hem had weggeraapt.
Een lang teruggehouden snik deed zijn gehele lichaam beven. „Nog één ding !" vroeg hij ootmoedig, „wees niet boos op mij, maar laat mij dat kindje een ogenblikje mogen vasthouden".
Nu schrok Rea. Maar ook zij wist zichzelf te overwinnen. Zü fluisterde haar man toe, hem het kind aan te geven, maar dat hij het toch niet helemaal los mocht laten. Zo gebeurde dan, en toen rende Jossele weer weg.
Ook het durra-veld was al lang af geoogst. Ook zonder noemenswaardige regen was dat graan, dat met zijn sappige, brede blaren het meest op maïs leek, tot grote hoogte opgegroeid. De zaadbundels waren er al in Juli uitgesneden. De planten werden nu door de ezels en geiten langzamerhand afgeweid De korrels gaven veevoeder, maar ook „brood voor arme mensen". In het begin echter zorgde Mandel er voor, dat Rea slechts tarwebrood, geitenmelk en tomaten kreeg, en het allerbeste wat hij door ruiling uit andere bedrijven maar kon verkrijgen.
Maar hij kreeg nu ook geld binnen van zijn eerste oogst.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's