De nieuwe Kerkorde
De belijdenis en haar functie
Dat is het centrale punt van het ontwerp kerkorde. Daarom heeft het aller belangstelling van links naar rechts. Al het andere is daaraan ondergeschikt. Om art. 10 draait het. Dit handelt n.l. over het belijden der kerk.
Deze titel reeds is voor velen wat onwennig.
Wat dan ? Over de belijdenis der kerk misschien ? Dat gaat helemaal niet. Een kerkorde geeft geen verhandeling over de belijdenis. En wat moet zij er over zeggen ? Dat de belijdenis der kerk van kracht is ? Dat spreekt immers vanzelf. Wat maakt men een kerkorde, als er geen kerk is, en hoe wil men de orde van het kerkelijk handelen vaststellen dan alleen, opdat zij haar roeping vervullen zal in overeenstemming met haar belijdenis.
Het is alleen deze verhouding tot de belijdenis, welke in de kerkorde vermelding nodig heeft, n.l. dat de kerk in al haar handelingen en vergaderingen aan haar belijdenis gebonden is. En men zou haast willen zeggen, ook dit is zó vanzelfsprekend, dat vermelding ook daarvan niet strikt nodig is.
De geschiedenis heeft wel aangetoond, dat deze vanzelfsprekende dingen nog niet vanzelfsprekend worden in acht genomen. Het is juist die geschiedenis, welke verklaren kan, dat het ontwerp van de kerkorde een paragraaf wijdt aan het belijden der kerk.
Hoe stond het (en staat het nog) in de kerk onder de organisatie van 1816 met haar belijden ?
Alleen deze vraag brengt ons reeds in grote verlegenheid. Het belijden der kerk onder de organisatie van 1816? Daarvan kun je niet spreken. Hoogstens zou men kunnen vragen : Hoe stond het met het belijden in het genootschap ?
Was daar ook nog iets van het belijden der kerk in ? Ja, voorzover er nog een kerk was onder de bestuursorganisatie, was er ook nog iets van het belijden der kerk. Dat belijden was daar, waar de belijdenis der kerk nog in ere werd gehouden. Maar dat belijden werd bewust en onbewust veracht in de kringen, die willens en niet willens de belijdenis der kerk niet erkenden.
Van het belijden der kerk! Zo luidt het opschrift boven art. 10. Er is aanleiding voor, om daarover eens ernstig te spreken, want dat is het ergste euvel van de toestand, onder de synodale organisatie, dat er van het belijden der kerk geen sprake kon zijn.
Wat is dat voor een kerk ? Welnu, dan is het een stap vooruit, als men gevoelt, dat de kerk daarom geen kerk is en weer kerk moet worden. Een stap vooruit, als men begrijpt, dat de kerk belijden moet in al haar vergaderingen en in al haar handelingen.
En toch verstaan wij zeer wel de vraag, die bij velen onzer opkomt: Waarom volstaat men dan niet met de eenvoudige bepaling, dat de belijdenis der Vaderen, vervat in de Drie Formulieren van Enigheid en de liturgische formulieren, nog altijd de belijdenis der kerk en daarom onze belijdenis en als zodanig van kracht is ? Verder : omdat dat zo is, is de kerk in al haar handelingen gebonden aan haar belijdenis.
Het is waar, dat men in artikel 10 deze dingen lezen en onderstellen kan, zo horen wij opmerken, maar het is ook waar, dat het artikel anders kan worden geïnterpreteerd. De kerkorde wil blijkbaar ook het belijden ordenen. Onder de synodale organisatie was er in het geheel geen orde in het belijden ; dat moet veranderen en derhalve zal het belijden naar orde geschieden.
En weer een ander vraagt : Is men van een toestand uitgegaan, waarin ieder geacht wordt op zijn wijze te belijden of niet te belijden en bedoelt men aan de hand van dit artikel orde te scheppen in deze wanorde ?
Indien ja, dan is hier toch aanleiding om aan een groot misverstand te denken. Het belijden in de wanorde, het belijden in de leervrijheid van de synodale organisatie, zou daardoor in al zijn veelvuldige, uiteenlopende en zelfs tegenstrijdige veelsoortigheid, zo maar als belijden der kerk worden aanvaard. Weliswaar niet met huid en haar, maar art. 10 zou dan toch de weg aanwijzen, waarin de kerk weer kerk moet worden, althans wat haar belijden aangaat.
Daarin zou deze fout steken, dat de chaos van belijden van rechts naar links toch nog binnen de grenzen van het kerkelijk belijden wordt gezet. En dat nu zou niet juist zijn. Gelijk er ook onder de synodale organisatie nog een kerk is, zo is er in de veelheid van leer ook nog echt kerkelijke leer. Deze kwalificatie kan echter niet aan die ganse mengeling worden toegekend. Daarom ook kan het niet al te gader onder het belijden der kerk worden geteld. De kerk, welke uit het waarachtig geloof der Schriften leeft, aanvaardt dat niet en kan het ook niet aanvaarden.
Het belijden der kerk heeft toch juist uitdrukking gevonden — wat zijn inhoud aangaat — in de belijdenis der kerk. Dat belijden is het wat de kerk in al haar handelingen heeft te tekenen, waaraan zij gebonden is.
Het is geheel niet nodig daarbij nog eens op te merken, dat de Schrift boven de belijdenis staat. Het belijden naar de belijdenis sluit dat in. Dat is conditie en grond van het belijden. Het belijden der kerk is vervat in haar confessie en in haar liturgische formulieren.
Als men dan bedoelt orde te scheppen in de wanorde van het belijden binnen het genootschap (want van het belijden der kerk kan niet met recht gesproken worden) om wederom tot kerkelijk belijden te komen, dan. ware er allereerst aanleiding om naar de belijdenis te verwijzen.
Doet art. 10 dat dan niet ?
Het valt moeilijk te ontkennen. Art. 10 doet dat eigenlijk wel en noemt zelfs de belijflenisgeschriften met name. De vragers willen dat op zichzelf ook wel appreciëren, maar blijven vragen : waarom zegt men dat dan niet heel eenvoudig, daaraan toevoegende, dat de kerk bij haar handelingen gebonden is aan die belijdenis ?
Dat raakt ook ons bezwaar tegen art. 10. Men zegt het niet zo eenvoudig, omdat men meer wil zeggen en het vooral niet zo eenvoudig wil opgevat zien.
Intussen schuilt hier een gevaar voor misverstand, ja, mogelijk voor misleiding. Indien de orthodoxe, die aan, de sanering van de kerk van harte wil medewerken, uit louter welwillendheid, genoegen met art. 10 neemt, omdat er toch in staat, althans in gelezen kan worden, wat hij er met minder woorden en omhaal, in zou geschreven willen zien en indien een minder preciese orthodoxe degegeven redactie zonder ernstig bezwaar meent te kunnen aanvaarden, omdat hij niet zonder genoegen de confessie weer in ere ziet hersteld, maar toch geen wettisclie gestrengheid verwacht -
kan dan de vrijzinnige op grond van de eigenaardige vaagheid en omhaal, hoewel hem art. 10 wel wat erg orthodox voorkomt, maar, omdat hij welwillendheid wil bewijzen, verwachten, dat men het met de orthodoxie zo nauw niet zal nemen ?
Zo ja ? Indien dat allemaal kan, op wie of op wat, verstaat iemand zich, die welwillend in zee gaat met dit artikel, ondanks zijn persoonlijke reserves ?
Dat is toch wel een heel belangrijke vraag, waarop de aandacht mag worden gevestigd. Een vraag, die bij allen leeft en waarmede de generale synode terdege rekening heeft te houden, ook met het oog op de zinsnede : de kerk weert, wat haar belijden weerspreekt.
„Haar belijden" wordt dan nader bepaald door hetzelfde artikel: „levende in de uit de Schrift geputte belijdenis der Vaderen". En deze belijdenis der Vaderen wordt in het voorafgaande genoemd. Hiermede wordt de belijdende kerk getekend als levende in die belijdenis. Dit mag toch wel duidelijk worden gezegd om misverstand en misleiding te voorkomen, zodat geen twijfel overblijft, dat de belijdenis der Vaderen nog altijd de belijdenis der kerk is en als zodanig moet functioneren. In hoeverre men persoonlijk deelt in het geloof der kerk, is een andere vraag, maar het kerkelijk handelen zal zich hebben te bewegen in het geloof der kerk, zoals zij dat in haar confessie belijdt. Dit moet toch duidelijk zijn, en het is de enige weg om tot een gezond kerkelijk leven te kunnen komen.
Hoe men in de huidige situatie van de kerkelijke toestanden een gezond kerkelijk leven kan bevorderen, zal een beleid vragen van wijsheid en overleg, waarbij een grote mate van welwillendheid kan worden bewezen en verwacht. Deze materie echter valt onder het opzicht. De vragen, rondom art. 10 opkomende, wijzen op een onzekerheid in verschillende kringen, die moet worden weggenomen, zodat er geen aanleiding is voor misverstand en geen verkeerde verwachtingen worden gewekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's