De nieuwe Kerkorde
Het apostolaat
Het ontwerp wil bijzondere aandacht gewijd hebben aan de zendingsroeping der kerk en wil die in verschillende richting geleid zien. Vandaar de grote plaats, ingeruimd aan het apparaat, dat wordt geacht te kunnen dienen. Het gevolg daarvan is de vrees, die bij anderen opkomt, dat verschillende belangrijke gezichtspunten in het gedrang komen. Deze vrees schijnt niet ongegrond. Indien het zendingsaspect zo primair wordt gesteld, duchten velen het gevaar, dat de kerk, die zending heeft te drijven, niet voldoende aan haar recht zal komen.
Dat gevaar is volstrekt niet denkbeeldig. Men kan wel zeggen, dat de zendingsroeping primair is, en het is niet moeilijk dit met de Heilige. Schrift in de hand te bevestigen. Men denke slechts aan het bekende woord des Heeren : Gaat dan heen, onderwijst alle volkeren, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. (Matth. 28 vers 19).
Wij willen niet beweren, dat deze roeping de kerk niet zou raken, maar toch moet men niet vergeten, dat dit bevel in de allereerste plaats de apostelen aangaat.
De twaalf apostelen zijn, bij wijze van uitdrukking, de twaalf aartsvaders van het nieuwe Israël, de kerk des Nieuwen Testaments. Niet zonder oorzaak spreekt de Heilige Schrift van het fundament der apostelen en profeten. Christus is het fundament, maar de apostelen hebben de grondslagen van de wereldkerk gelegd. Zij zijn het, die uitgetrokken zijn in het heidendom en het evangelie hebben geplant onder de volkeren. Vergelijk ook Johannes 17 vers 18 : Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden. En vers 20 : En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen.
Het apostolaat der twaalven is dan ook van zeer bijzondere aard. Het apostelschap blijft tot de twaalf beperkt. De apostelen zelf en de kerk hebben dat ambt in zijn bijzondere betekenis verstaan. De apostelen zijn gestorven, maar de oude Christelijke kerk heeft de opengevallen plaatsen niet door anderen aangevuld. De tekening van het nieuwe Jeruzalem geeft nog een duidelijke aanwijzing : ,,En de muur der stad had twaalf fundamenten, en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams" (Openb. 21 vs. 14. Zie ook vs. 12, waar gesproken wordt van de twaalf geslachten Israels).
De geheel enige en bijzondere plaats van de twaalf apostelen is derhalve geenszins twijfelachtig.
Het zendingsbevel gaat allereerst tot de twaalf apostelen uit. "Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden". (Joh. 17 vs. 18. Vgl. ook Joh. 20 vers 21 e.a.).
Het apostolaat heeft daarom ook een blijvende betekenis voor de kerk der eeuwen. De kerk staat nog altijd onder het apostolaat. De apostelen zelf zijn wel heengegaan, maar zij hebben hun woord en getuigenis nagelaten als een onderwijzing voor de kerk. En gelijk Christus hen heeft verkoren tot dit bijzonder ambt, heeft Hij ook gewaakt over hun woord en dat woord voor Zijn rekening genomen en met gezag bekleed. (Vgl. Joh. 17 vs. 20). Als Christus de Vader bidt voor degenen, die door hun woord geloven zullen, stelt Hij de ganse, kerk aan de Vader voor en heiligt het woord der apostelen in Zijn Waarheid.
Het is daarom een verblijdend teken, dat het besef wederom wordt verlevendigd, dat wij voor het leven der kerk en haar orde zijn aangewezen op de leer der apostelen en profeten.
Het is dus wel verklaarbaar, dat de mening kon postvatten, dat het eigenlijke zendingswerk door de apostelen werd volbracht. Mogelijk hangt het ook hiermede samen, dat de reformatoren zo weinig aandacht aan de zending hebben geschonken. Daarvoor kunnen overigens nog meerdere argumenten worden aangevoerd.
Anderzijds heeft de kerk der reformatie toch ook wel zending gedreven, hoewel de zendingsijver vooral in de kringen van het piëtisme is toegenomen. Men denke aan de Hernhutters en onderscheidene zendingscorporaties. In onze dagen komt de gedachte aan kerkelijke zending meer naar voren en zo kreeg zij ook een voorname plaats in de kerkorde.
Het behoeft geen lang betoog, of de kerk geroepen is tot die taak. Wat de apostelen is bevolen, gaat ook de kerk aan, daar de apostelen wel een geheel bijzondere plaats innemen in hun ambt, doch tezamen met de discipelen ook de eerste gemeente des Heeren vormen. Wij bedoelen daarmede niet, dat het apostelambt enigszins op de gemeente overgaat, doch wij menen wèl, dat wat door genade aan een iegelijk lid van Christus toekomt, op uitzonderlijke wijze en in bijzondere mate aan het apostelambt is verbonden.
Immers Christus zelf is de grote Apostel, de Gezondene des Vaders. (Hebr. 3 vs. 1). Deze grote Apostel, de Apostel, is niet maar over het huis Gods gesteld, maar het huis Gods is Zijn eigendom.
En allen, die in het huis zijn, zijn der hemelse roeping deelachtig. (Vgl. Hebr. 3 vs. 1). De Heere Jezus Christus deelt hun mede van al Zijn rechten en gaven en zo mogen zij ook Zijn getuigen zijn en delen in de apostolische roeping. Dat is dus heel iets anders, dan delejj in het apostelambt der Twaalven. Men kan wel zeggen, dat allen, die van Christus zijn, delen in de apostolische roeping en dat de Twaalf daarin een geheel bijzondere plaats verkregen niet ten onrechte trekt de kerk zich het zendingsbevel aan. De genade drijft ook zelve uit om te getuigen. De liefde van Christus dringt. Allen, die in hun persoonlijk leven iets gesmaakt hebben van die liefde, welke Hij betoond heeft in de smadelijke dood des Kruises, worden gedreven om Hem voor de mensen te verkondigen. En het schijnt mij toe, dat er in onze dagen wel veel wordt gesproken en gehandeld over de kerk, en heel veel wordt getheologiseerd over het Kruis, doch dat er te weinig wordt gehoord over de vrucht van het Kruis in het persoonlijke leven, waarop de Heilige Schrift zo telkens wijst.
En als het nu gaat over de zendingsroeping der kerk, dan heeft men te bedenken, dat die roeping eerst daadwerkelijkheid kan verkrijgen uit het persoonlijk geloofsleven. Als daar niet een levende kerk is, die het werk der zending draagt en daartoe gedreven wordt uit de liefde van Christus, kan het geen vrucht doen verwachten. Wat zal men van een Christus getuigen, die men niet als zijn Middelaar en Verlosser heeft leren kennen door Zijn Heihge Geest ? Het persoonlijk belijden moet voorafgaan. Dat persoonlijk belijden moet niet alleen de zendeling uitdrijven en bekwamen, maar ook allen, die dat werk ter hand nemen, ondersteunen en leiden.
Men kan de zendingsroeping wel primair, dat is in de eerste plaats geboden stellen, maar toen Christus het zendingsbevel gaf, had Hij reeds de eerstelingen vergaderd. Zijn gemeente was er onder het Oude Verbond, en in Zijn apostelen en discipelen was er reeds een gemeente des Nieuwen Verbonds. De gemeente is er. Zij zal Zijn Woord bewaren. God zelf is de eerste in de belofte en de zending van de hemelse Apostel.
Zo kan de zending eerst van uit de kerk en door de kerk gedreven worden. Eerst een kerk, die de Christus der Schriften belijdt, en dan de zendingstaak.
Het komt ons daarom voor, dat het ontwerp kerkorde beter eerst over het belijden en daarna over de zendingsroeping (het apostolaat) kon handelen. De kerk toch moet eerst die zendingsroeping verstaan. Dat gaat niet buiten haar belijden om, maar het belijden van de Christus der Schriften drijft uit tot het werk der zending. Zoals de kerk de verborgenheid des levens leert verstaan door het geloof, zo trekt zij uit om anderen het Evangelie der zaligheid te brengen.
De kerk is maar niet een idee, en het zendingswerk gaat niet op in een kerkelijk apparaat. De kerk wordt ook zeer onwezenlijk aangekondigd als de ruimte, waar Gods Woord wordt verkondigd, of waar God spreekt. Wel hebben de reformatoren gezegd, dat daar de kerk is, waar Gods Woord recht wordt gepredikt en de sacramenten worden bediend overeenkomstig de instelling, maar dat is heel wat anders. Hier gaat het om de kenmerken der ware kerk, waaraan een vergadering, die zich als zodanig aandient, kan worden getoetst.
Veel meer Schriftuurlijk zou het zijn, als men de kerk noemde een levende tempel Gods en een woning des Heiligen Geestes (1 Korinthe 3 vers 9 en 16). En al weten wij, dat zulks van allen, die bij de kerk zijn, niet naar waarheid kan worden gezegd, zo is dit niettemin toch van toepassing op degenen, die van Christus zijn. (Vgl. 1 Kor. 6 vs. 19. Waar nu van de kerk en haar zendingsroeping wordt gesproken, behoort men die kerk op het oog te hebben, welke ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld en die ook van zichzelve getuigt in haar belijdenis, zijnde een heilige vergadering der ware Christgelovigen, allen hun zaligheid verwachtende, enz. (Ned. Gel. belijdenis, art. 27).
Als men meent, dat de kerkorde een artikel over het belijden moet bevatten, waarvan de wenselijkheid kan worden verdedigd in de situatie, waarin de Hervormde Kerk verkeerde en nog verkeert, dan ware het genoeg te verklaren, dat zij in al haar handelingen en vergaderingen gebonden is aan haar belijdenis. Daaronder valt ook de vervulling van haar apostolische roeping. Dat betekent niet, dat zij de Drie Formulieren aan de heidenen gaat opleggen, maar dat ook deze arbeid wordt gedragen door de belijdenis, die het draagvlak is van het kerkelijk leven.
De volgorde der artikelen kan men uit verschillend oogpunt bepalen, maar een en ander wettigt de vraag, of een artikel over het belijden dan niet naar voren moest verplaatst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's