De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

5 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

91)

Er kwamen woestijn-bedouïenen, die met hun weidende kamelen en hun tenten in onbebouwd land rondtrekken, soms tot aan de zeekust. Zo wachtten zij dan hier op de bode uit het binnenland van Arabïe, die dag en nacht doorjoeg om hun de boodschap te brengen, dat het in zijn land geregend had. Dan braken zij dadelijk de volgende morgen hun tenten af en de kolonisten zagen hen met vrouw en kind en al hun have op hun kamelen haastig de zon tegemoet trekken en al spoedig aan de horizont vendwijnen. Kort tevoren kochten zij dan van de kolonisten voorraden voor hun reis. Een krachtig man, van hoge gestalte, van de stam der Rualla's, stond op zekere dag voor Mandel en sprak: „Ik heb een halve gouden liere, hoeveel gerst geeft gij mij daar wel voor ?" Op die manier had hij overal al rondgevraagd. Hij had veel tijd en geduld, drong bij Mandel in gene dele aan, maar trok afwachtend een scheermes uit zijn gordel en dwong zijn rijkameel om de bek open te doen En schoor hem toen de met dorens dicht bezette tong. Toen hij merkte, dat hij aan dit adres voor hetzelfde geld enige handen koren meer kon krijgen dan elders, kocht hij dadelijk hier alles, wat hij nodig had, en Mandel bevond zich toen in het bezit van zijn eerste goudstuk, dat hij door zijn akkerbouw had verkregen.

In triomf ging hij daarmede, zijn huis binnen, en toen hij Rea, die er nog een beetje magertjes uitzag, met de kleine zag omspringen, overviel hem opeens de gedachte, dat hij haar thans een bijzondere vreugde moest bereiden, — en dat hij nu eens op wat lichtzinnige wijze wat geld voor haar moest uitgeven !

Het goudstuk in zijn hand werd heel licht, hij speelde er mee, wierp het omhoog, zodat het schitterde, en ving het dan weer op.

God zelf had dat immers laten groeien !

En aan al zijn eigen werk en gezwoeg dacht hij niet meer.

Niet lang daarna bood zich voor hem reeds een gelegenheid aan om zijn plan ten uitvoer te brengen. Een Arabische marskramer, die met amuletten en goedkope sieraden het land doortrok, kwam op het veld bij hem, toen hij juist met Jossele het irrigatieplan besprak. Ook Fanuël, die sedert enige dagen weer doelloos en heel zwijgzaam thuis was , en die meer dan ooit aan de kolonie was ontgroeid, stond er zich onverschilig wat bij te vervelen. Toen de koopman dichterbij kwam, kwam er leven in zijn gezicht en hield hij bestendig een oogje in het zeil. Mandel zag met één oogopslag, dat hij onder die waren het gewenste zou vinden, en was daarom op zijn hoede om de man niet dadelijk met Rea zelf in aanraking te brengen, omdat die zeker zijn plan zou hebben verijdeld. Hij keurde, koos en wou van Jossele's deelname niet weten, hij vergeleek en probeerde lachend, en had eindelijk bij elkaar, wat hij wenste, waarna hij betaalde. De Arabier liet bet goudstuk onderzoekend op de deksel van zijn kistje vallen, om de klank te horen, bezag opmerkzaam de beeldenaar, en trok eindelijk zijn leren buidel voor de dag, om nog wat kleingeld terug te geven. Daarbij liet hij een massa zilveren munten zien, waar ook enig goud tussen glinsterde. Jossele en Mandel hadden in lange tijd niet zoveel geld bij elkaar gezien. Met enige bevrediging besloot Mandel daaruit, dat hij toch niet de enige verkwister in dit land was. Hij knikte de man toe, ging naar zijn vrouw, zei haar, dat zij haar ogen eens moest dichtdoen, en deed haar toen de halsketen om. Toen zij dat voelde, maakte zij het slotje weer spoedig los en liet zij het sieraad door haar handen glijden, 't Was een blauwachtige ketting, waaraan een massa kleine, blauwgekleurde voorwerpjes waren bevestigd. Dat waren afibeeldingen van allerlei voorwerpen, die zich in een landbouwbedrijf bevinden, zoals : handmolens, schoenen, geiten, een bijl, een schaar, ezels en allerlei andere dingen. Zij had wel een uur nodig om het alles goed te bekijken.

Welgevallen stond in haar ogen te lezen, maar toch kwam haar natuurlijke zuinigheid daartegen in verzet. Voor de grap stelde hij zich aan, alsof hij de marskramer wou terug roepen om hem te bewegen het maar weer terug te nemen. Maar die magere gestalte in zijn wijde donkere kumbas, was reeds heel ver weg bij de rotsblokken onder aan de oostelijke helling, waar het pad langs liep naar Dschenin en Samaria. Ook Fanuël, die hij hem zou hebben kunnen nasturen, was nergens meer te zien, en Jossele werkte rustig bij zijn stal. Met gehuichelde spijt ging hij weer naar huis, maar greep toen nog eens in zijn zak en legde nog een ander sieraad voor haar neer. Dat was een groene amulet, waarvan beweerd werd, dat zij zieke ogen kon genezen, en die dus voor Rea's moeder bestemd was.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's