De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

ZIJT GIJ DAN EEN KONING?

12 minuten leestijd

Zijt gij dan een Koning? .. Johannes 18 vers 37.

't Is een woord uit één van de bekendste, rijkste Schriftgedeelten, dat ge boven deze meditatie afgedrukt ziet. Och, eigenlijk moeten we niet spreken van rijke en minder rijke Schriftgedeelten. Want ook een op het eerste gezicht onbegrijpelijke en weinig betekenisvolle tekst blijkt soms later, bij nadere beschouwing, een verborgen schat van wijsheid en troost te bevatten. Maar ge begrijpt mijn bedoeling : de bladzijde van de bijbel, waarop het woord staat, waarover we een ogenblik willen mediteren, is hierom zo bekend en geliefd, omdat ze ons een blik gunt in het hart van het Christendom en ons het wezen van het Rijk van Christus onthult.

Laat ik u met enkele woorden het tekstverband in herinnering mogen brengen en het zo nodig en mogelijk, verduidelijken.

De Heere Jezus is door het Sanhedrin wegens Godslastering ter dood veroordeeld. Kajafas heeft met een vroom gebaar zijn kleed gescheurd. Jezus van Nazareth heeft zich genoemd de Christus, de Zoon des levenden Gods. Welnu, wat hebben de heren nog meer beschuldiging van node? Hij is des doods schuldig. Alleen maar jammer, dat het Sanhedrin wel een vonnis vellen, doch het niet ten uitvoer brengen mag zonder toestemming van de romeinse landvoogd. Maar hoe zij pruttelen en mopperen, zij moeten zich aan de wet onderwerpen en daarom brengen zij Jezus van Kajafas naar het rechthuis van Pilatus. De vrome leden van de joodse raad passen er echter wel voor op, dat zij geen voet in het huis van een onbesnedene zetten, want dan zouden zij wegens verontreiniging het pascha niet mogen eten. Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden ! want gij zijt de witgepleisterde graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en ongerechtigheid . . . . .

Pilatus, de romeinse stadhouder, kan zich niet van de zaak afmaken. Maar tussen de regels lezen we toch heel duidelijk zijn wrevel. Nu dit weer ! Moeilijk volk om te regeren, die Joden ! Hij benijdt misschien wel zijn collega's, die aan het hoofd van het bestuur van een gemakkelijker en gemoedelijker volk geplaatst werden !

Zoveel is in een onderhoud met de leidsheden van het volk, vóór het rechthuis, de stadhouder duidelijk geworden, dat de mens, die voor hem gebracht is, schuldig moet zijn aan opstand tegen het romeinse gezag. Nu, deze Jezus van Nazareth is niet de eerste en zal ook wel de laatste niet geweest zijn, die poogt het romeinse juk af te werpen. Maar hoe het zij, deze beschuldiging is te ernstig, dan dat de stadhouder er zich met een glimlach en een schouderophalen van af zou kunnen maken. Officieel stelt Pilatus de Heiland dan de vraag : Zijt gij de Koning der Joden ? Het antwoord, dat Christus geeft — zegt gij dit van uzelf, of hebben het u anderen van Mij gezegd — houdt een verwijt voor Pilatus in. Immers, hij heeft van tevoren de zaak niet ernstig onderzocht en gaat slechts af op losse beschuldigingen van de overpriesters en schriftgeleerden, die hij eigenlijk maar bij geruchte heeft vernomen. De leidslieden van het volk hebben alleen maar op Pilatus' vraag : Wat beschuldiging brengt gij tegen deze mens, geantwoord: Indien deze geen kwaaddoeher ware, zo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben.

Doch het wederwoord van de Heere Jezus laat reeds doorschemeren, dat Christus straks de goede belijdenis onder Pontius Pilatus zal afleggen. Want Hij ontkent het niet, dat Hij een Koning is. Hij begint zichzelf niet heftig te ontschuldigen door Zijn aanklagers te beschuldigen : ze begrijpen me niet. Mijn volksgenoten ! Werkelijk, heer rechter. Ik zoek geen aardse macht; Ik ben van zins en willens om Mij aan het gezag van de keizer te Rome te onderwerpen. Waardig en onverschrokken vraagt de Zone Gods slechts dit: Zegt gij dit van uzelf, of hebben anderen u dit van Mij gezegd ?

Pilatus heeft de verborgen beschuldiging gevoeld. En . . . . . is verontwaardigd. Ben ik een Jood ? Al de verachting voor het volk, dat hij haatte, zal hij in deze vraag hebben gelegd. Liever zou hij zich met al die rumoer en last veroorzakende joods-politieke-religieuse kwesties niet inlaten. Maar 't moet nu eenmaal. En daarom : Wat hebt gij gedaan ?

Geen zweem van angst voor de ruwe toon van de landvoogd verraadt de blik of het woord des Heeren, als Hij rustig en vol koninklijke waardigheid antwoordt: Mijn Rijk is niet van deze wereld.

Zelfs Pilatus komt onder de indruk van dit woord van de Zaligmaker. Maar aan de andere kant vindt hij het zo uitermate belachelijk, dat die gebonden man, die nu letterlijk niets aan zich heeft, dat aan een koning doet denken. behalve dan misschien die ogen en die stem, over een Rijk en over Koningschap spreekt. En een bekend schrijver zal wel gelijk hebben, als hij veronderstelt, dat in Pilatus' vraag : Zijt gij dan een koning ? bevreemding, spot en onderdrukte ontroering op zonderlinge wijze vermengd zijn.

Zijt gij dan een Koning ? Dat is met betrekking tot Christus wel echt een vraag van het natuurlijke hart. Neen, dat kan een heiden als Pilatus, die aan het begrip koning onlosmakelijk verbindt uitwendige pracht, schittering, geweld, dwang, rijkdom, eer, aanzien, zich niet indenken, dat een mens zonder zwaard en met een eenvoudig gewaad. Koning kan zijn ! En neen, dat kunnen wij ons van nature toch ook niet indenken, dat een kind in de kribbe en een verlaten kruiseling, die ellendig sterft. Koning kan zijn !

Allerwegen beluistert het doorboorde oor de met meer of minder minachting uitgesproken vraag : Zijt gij dan een Koning ? Het Christendom — en ook Christus — moet pasklaar gemaakt worden voor onze nieuwe tijd. Een verwereldlijkt Christendom met een verwereldlijkte Christus ! Een Christendom, waarin, voor een gebonden Christus geen plaats meer zal zijn. Wij willen niet, dat deze Koning over ons zij ! Wij begeren niet een Koning, die dient, maar die gediend wordt.

Doch — laten we eerlijk zijn en onszelf niet verschuilen achter bedekte of niet bedekte beschuldigingen, die wij uitspreken aan het adres van wat wij de wereld noemen, 't Is zo goedkoop en gevaarlijk, om zich een air van zuiverheid en vroomheid aan te matigen.

We zijn er niet, als we weten, hoe het bij een ander niet moet zijn, maar slechts dan, indien we zelf de rechte weg bewandelen. We zijn er niet met het: ,,Och, och, wat is onze tijd toch diep gezonken" zeggen, en ons dan verder geruststellen met het uiterlijke vasthouden aan overgeleverde geloofsvoorstellingen.

Het hart is arglistig, meer dan enig ding. Wij proberen altijd weer een grond te maken van wat geen grond is. We houden voor echt, wat schijn, we houden voor voldoende, wat nog maar het allereerste begin is. We weten heel goed, dat het in de wereld niet is, zdals het behoort te zijn. We moeten echter méér weten: dit n.l., dat het bij ons wèl is, zoals het behoort te zijn.

En dan slechts mogen we gerust wezen, als wij de gebonden en verguisde Koning in zijn schoonheid gezien hebben, als wij de Koning aangebeden hebben in het Kindeke in de kribben, in de rabbi, die het land doorging, lerende — en hoe hard was menigmaal zijn rede ! — en goeddoende, in de kruiseling op Golgotha.

Nooit zal één mens uit zichzelf van Jezus zeggen : Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen. Gods genade moet ons oog verlichten. Niet, om een vluchtige, misschien kunstzinnige aandoening te wekken, maar om uiting te geven aan onze verachting voor een Koning met een kruis, inplaats van een troon, spreekt de mens van nature het : Is dat, is dat mijn Koning ? Is die gewonde, bebloede, de wens van mijn hart ? Neen, hij, heeft inderdaad geen gedaante noch heerlijkheid — Jesaja heeft wel gelijk! — en als wij hem aanzien, dan is er geen gestalte, dat wij hem zouden begeren. We verbergen het aangezicht voor hem en we verachten, in stee van achten, hem.

Is dat, is dat mijn koning ? Neen, neen ! Neem weg, kruis hem !

Wanneer wordt deze koning ons nu dierbaar ? Kan dat dan ? Is het werkelijk mogelijk, dat de onwaardigste onder de mensen ons dierbaar wordt ? Is het denkbaar, dat we een Man van Smarten als onze Koning gaan aanbidden ? Ge haalt ongelovig de schouders op en glimlacht : dan moet er toch zeker een wonder geschieden. Nu ja, dat moet ook plaats vinden. En het vindt telkens, door Gods genade, ook plaats. Dwaze mensen, die beweren, dat er geen wonderen meer gebeuren ! Dit is toch wel het allergrootste wonder, dat een hoogmoedige mens, die zichzelf koning waant, en zich zo heel best zelf helpen kan, knielen gaat voor een gespuwde en gesmade en gebonden Jezus !

O, lieve lezers, wilt ge gelukkig worden ? Ik zeg niet : grijp Jezus maar aan. Want dat kunt ge niet en dat wilt ge niet. Maar ik zeg wèl : bid, of de Heere u aan uzelf wil ontdekken, opdat ge u leert kennen, meer en meer, als spotkoningen, gevallen koningen, koningen in ballingschap. Dan zult ge ook gaan verstaan dat die Koning, aan Wien Pilatus eens ongelovig vroeg : zijt gij dan een Koning ? u allen weer oprichten kan uit uw vreselijke val, u weer stellen in de vrijheid der kinderen Gods.

Ja, waarlijk. Hij is een Koning — gij zegt, dat Ik een Koning ben ; aldus Jezus tot Pilatus — een Koning, die het zaligst lot, ver boven alle goôn kan schenken. Hij wil zondaren, die zich als doodsschuldigen, de hoogste straf naar lichaam en ziel waardig, aan Hem leerden overgeven, maken tot koningen en priesteren God en de Vader. Ja, door Hem zult ge als koningen heersen op aarde. In Christus, die kracht geeft, zijt ge meer dan overwinnaar over uw begeerten, lusten, driften, uw aanvechtingen, bestrijdingen, geestelijke en maatschappelijke moerilijkheden. Ja, in en door en met Hem zult ge zelfs de dood overwinnen : Dood, waar is uw prikkel, hel, waar is uw overwinning ?

Zalig, driewerf zalig de mens, die door de kracht van de Heilige Geest de grendels van de deur van zijn hart schoof, zodat de Koning, de Vorst, zo groot in eer, binnenrijden kon! Zalig, driewerf zalig de mens, die burger werd van dat Konjïikrijk, dat niet van deze wereld is, dat niet komt met uiterlijk gelaat, dat niet bestaat in woorden, maar in kracht. Maar arm daarentegen hij, die zich koningen schept naar eigen keus en behagen en niet buigt voor onze Koning, die van Israels God is gegeven. Onze Koning is een geschenk van het Alvermogen, terwijl de koningen der wereld gecreëerd zijn door het schepsel, en dus tijdelijk en dus vergankelijk en dus niet in staat om de diepste behoeften van onze ziel te bevredigen ! Christus is door de Vader verordineerd tot onze eeuwige Koning. Het is de Heere, de levende God, de God des Verbonds, die onze Koning met de Heilige Geest gezalfd heeft over Sion, de berg Zijner heiligheid. Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn.

Och, wereld, houdt dan maar uw koningen, uw ,,sterke mannen", uw koningen in het rijk van wetenschap, kunst en techniek. O neen, we verachten de goede gaven, die de Heere in Zijn algemene genade ons schenkt, niet. We aanvaarden dankbaar de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. We ontvluchten de cultuur niet. En toch doen we geen woord af van dat: houdt uw koningen maar. Niet in hoogmoed, eigengerechtigheid zeggen we het, maar met een door dankbaarheid vochtig oog. Wat onderscheidt mij, Heere, dat ik door windselen en spotmantels en doornenkronen heen mag zien ! Ik ben toch niet beter dan de velen, voor wie het kruis een ergernis is ! Waarom is het mij dan symbool van de kracht, de liefde, de wijsheid Gods ? En de ontdekte ziel stamelt: genade alleen, vrije, souvereine genade alleen.

Zijt gij dan een Koning ? Schamper maar, wereld, en spot maar, satan !

Al roept ge al de legermachten der duisternis op — en dat doet ge — het Rijk van de Koning breekt met krach.t door. Van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers, die tevens zachtmoedigen en vreedzamen zijn, nemen het met geweld. Niet met het geweld van zwaarden en stokken, maar door de kracht van 's Heeren Geest.

Koning is Christus, Overwinnaar, Christus Triumfator ! Koning, als Schepper ; want zonder het Woord is geen ding geschapen, dat geschapen is,  meer nog. Koning als Verlosser van een volk, dat niet ijzeren ketenen, achter koperen deuren, gebonden zat.

Zijt gij dan een Koning ? Ja, God zij dank, ja, en nog eens ja ! Hoort het, gij aarde, zee en eiland en . . . . . verheugt u in uw Heiland!

Want Zijn scepter is een scepter van recht en gerechtigheid. Zijn juk is zacht en zijn last is licht. In het licht van het Koninkrijk van Christus verschijnt al het aardse in zijn armzalige gestalte en moeten al de wereldse koningen met hun heiren wegvluchten.

O, we zijn veel te lauw in onze dienst van de Koning. Ja, hoe menigmaal onteren en bedroeven wij Hem ! Laten we Hem ootmoedig om vergeving smeken. Indien wij onze zonden belijden, ontfermt zich onze Koning zeventig maal zeven maal op het gebed.

Dienstknechten van deze Koning te mogen zijn, dat maakt het leven nog eens de moeite van het leven waard. Dat schenkt volkomen bevrediging, dat maakt ons diep en innig gelukkig, maar wat 't aller-allermeeste betekent, dat veroorzaakt, dat God weer aan Zijn eer komt. Want slechts als wij ons heel dicht achter onze Koning houden en in Zijn wapenrusting staan, kunnen wij leven tot eer van de Allerhoogste.

En dan, de overwinning is zeker. Donker zijn de tijden, die. wij beleven. Als we ons niet sterk vergissen, staat de eindworsteling van het rijk der duisternis en het Rijk des lichts voor de deur. Zware tijden zullen aanbreken, maar geen nood, hoop op de Heer, de Koning, gij vromen !

De overwinning is aan de zijde van Christus. Dan zal de volle heerlijkheid aanbreken, als ook volle werkelijkheid zal zijn geworden het woord van één van de ouderlingen : de Leeuw, die uit de stam van Juda is, de wortel Davids, heeft overwonnen, en alle tong zal moeten belijden, dat Christus is de Koning der Koningen en de Heere der Heeren.

Geen macht ter wereld zal stand houden bij de grootheid van de nu nog veelszins gesmade, verachte, gehate Koning van het Rijk van genade en waarheid, gerechtigheid, en heiligheid, barmhartigheid en liefde, maar. .

Elk der vorsten zal zich buigen En vallen voor Hem neer; Al 't heidendom Zijn lof getuigen, Dienstvaardig tot Zijn eer.

(s-gravenhage)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's